Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2714

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/02/445364 / JE RK 26-311
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 265 RvArt. 1:12 BWArt. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onder toezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens loyaliteitsconflict en ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2013. De minderjarige was eerder voorlopig onder toezicht gesteld door JBB en met een spoedmachtiging uit huis geplaatst bij de moeder vanwege zorgen over veiligheid en loyaliteitsconflicten.

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder voor vijf maanden. De kinderrechter oordeelde dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door kind-eigenproblematiek, loyaliteitsconflicten en wisselingen van woonplaats. Vrijwillige hulpverlening bleek onvoldoende, en de ouders konden geen afspraken maken.

De kinderrechter stelde de minderjarige onder toezicht van de William Schrikker Stichting, passend bij zijn problematiek, en verleende de machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad. De rechter benadrukte het belang van het voortzetten van positieve ontwikkelingen, het uitbreiden van contact met de vader onder begeleiding, en het bieden van passende hulpverlening aan ouders en kind.

Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld van de William Schrikker Stichting en uit huis geplaatst bij de moeder voor vijf maanden met een machtiging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445364 / JE RK 26-311
Datum uitspraak: 9 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. A. Koop-van Vliet uit Breda,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen JBB.
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de WSS.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2026;
  • het bericht van 26 februari 2026 van mr. Koop-Van Vliet;
  • het aanvullende verzoekschrift van de Raad, ontvangen op 5 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar waarnemend advocaat, mr. M.C.F.Y. de Vleesschauwer;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordiger van JBB.
Er is geen vertegenwoordiger van de WSS verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de WSS wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 december 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van JBB met ingang van 10 december 2025 tot 10 maart 2026.
2.2.
De kinderrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 18 februari 2026 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, verleend met ingang van 18 februari 2026 tot 10 maart 2026, zonder de belanghebbenden daarover te hebben gehoord. Het overige deel van het verzoek van JBB is aangehouden
2.3.
Vervolgens heeft de kinderrechter van de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 26 februari 2026 het verzoek van JBB om, aansluitend op de spoedmachtiging, een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling afgewezen omdat er geen sprake was van een ‘reguliere’ ondertoezichtstelling. Tevens is de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn zelfstandige verzoek tot beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
2.4.
[minderjarige] verblijft momenteel op basis van voornoemde machtiging bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, voor de duur van vijf maanden.

4.De standpunten

Het standpunt van de Raad
4.1.
De Raad legt het volgende ten grondslag aan de verzoeken. [minderjarige] is blootgesteld aan en wordt betrokken bij spanningen en conflicten tussen de ouders. Daarnaast zijn er in een korte tijd veel verschillende wisselingen van woonplaats geweest voor [minderjarige] . Bij [minderjarige] is sprake van kind-eigenproblematiek. [minderjarige] heeft een lager intelligentieniveau. Hij volgt momenteel speciaal onderwijs. [minderjarige] heeft veel zorg nodig en heeft continu de nabijheid nodig van een volwassene, onder andere om de drukte in zijn hoofd te reguleren. Als [minderjarige] overvraagd wordt, kan hij zijn emoties niet goed reguleren. Recentelijk is [minderjarige] bij de moeder geplaatst middels een machtiging tot uithuisplaatsing, omdat JBB grote zorgen had over de veiligheid van [minderjarige] . De vader bestookte [minderjarige] onophoudelijk met negatieve verhalen over de moeder en zette [minderjarige] erg onder druk, waardoor [minderjarige] in een ernstig loyaliteitsconflict is gekomen. Ook heeft [minderjarige] moeten liegen over waar hij verblijft. [minderjarige] mocht daarnaast geen contact met de moeder onderhouden, terwijl hij dat wel graag wilde. Eerder is er van 17 juni 2025 tot januari 2026 geen contact geweest tussen [minderjarige] en de moeder, omdat [minderjarige] dit niet wilde. Sinds kort verblijft [minderjarige] bij de moeder en is er onduidelijkheid over hoe het contact tussen [minderjarige] en de vader eruit komt te zien. Dit zorgt voor onduidelijkheid en houdt de zorgen in stand. Tot nu toe is er één keer begeleid fysiek contact geweest tussen de vader en [minderjarige] . Tot slot zijn er zorgen dat [minderjarige] vanaf ongeveer oktober 2025 tot en met midden januari 2026 niet naar school is gegaan.
4.2.
De Raad geeft aan dat de ouders het onvoldoende eens zijn met elkaar over wat er nodig is voor [minderjarige] , waar hij moet wonen en hoe het contact met de andere ouder eruit dient te zien. Het is de ouders een lange periode niet gelukt om tot afspraken te komen. Daarnaast houdt de vader zich onvoldoende aan de beschikking van de rechtbank, waarin is bepaald dat de vader dient terug te verhuizen naar [woonplaats] . De ouders hebben een sterke regievoerder nodig, die de ouders aanspreekt op wat er nodig is voor [minderjarige] en welke afspraken er gemaakt dienen te worden. De Raad acht een ondertoezichtstelling daarom noodzakelijk en acht de WSS passend bij de kind-eigenproblematiek van [minderjarige] .
4.3.
De Raad geeft verder aan dat het goed gaat met [minderjarige] sinds hij bij de moeder woont. De moeder lijkt aan te sluiten bij hetgeen [minderjarige] nodig heeft. Ook biedt de moeder ruimte aan [minderjarige] om op een positieve wijze contact te hebben met de vader. Daarnaast gaat [minderjarige] weer naar school. Er moet de komende tijd gekeken worden of en hoe het contact tussen de vader en [minderjarige] kan worden uitgebreid. Voorlopig blijft omgang onder begeleiding van [hulpverlening] echter nodig, totdat de vader aantoonbaar beter kan aansluiten bij [minderjarige] , en om te voorkomen dat [minderjarige] opnieuw vanuit loyaliteit naar de vader afstand neemt van de moeder. Een machtiging tot uithuisplaatsing is nodig om de huidige positieve stappen, die [minderjarige] maakt sinds hij weer bij de moeder woont, voort te zetten en om vanuit daar te gaan bekijken hoe het contact met beide ouders eruit gaat zien en waar hij verder gaat opgroeien.
Het standpunt van [minderjarige]
4.4.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] verteld dat het momenteel goed gaat met hem, maar dat hij de vader mist. [minderjarige] vond het niet fijn om bij de moeder te slapen. Hij was daarom weggelopen, waarna hij een vriend van de vader tegen was gekomen en naar de vader is gegaan. Sinds de carnavalsvakantie woont [minderjarige] bij de moeder. [minderjarige] wil de moeder wel zien, maar hij wil bij de vader slapen. [minderjarige] kon niet uitleggen waarom. [minderjarige] wil graag dat alles goed komt, dat hij bij de vader mag wonen en dat hij de moeder in het weekend en op studiedagen ziet. Op dit moment heeft [minderjarige] belmomenten met de vader en op woensdag is er een contactmoment tussen [minderjarige] en de vader op kantoor. [minderjarige] en de vader praten dan over wat zij hebben gedaan en dat zij veel van elkaar houden. [minderjarige] gaf zijn leven, zoals dat op dit moment is, het cijfer tien. Hij is tevreden over hoe het gaat. Wel wil hij in de buurt van de vader naar school gaan, omdat hij zijn huidige school niet zo leuk vindt.
Het standpunt van de vader
4.5.
Door de vader is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De vader stemt in met de ondertoezichtstelling. De vader staat namelijk open voor alle hulpverlening en is bereid om aan zichzelf te werken. De vader stemt niet in met de machtiging tot uithuisplaatsing. Het gaat niet goed met [minderjarige] bij de moeder. [minderjarige] dient terug te keren naar de vader. De vader gaat kapot door de huidige situatie en vindt het veel te ver gaan. [minderjarige] is nu zijn vader en zijn beste vriend kwijt. Ook ziet [minderjarige] de familie vz nu niet. De hulpverlening mag elke dag bij de vader langskomen. De vader heeft altijd aangegeven dat [minderjarige] naar de moeder mag gaan, hoewel dat mogelijk door [minderjarige] onbewust anders is gevoeld. De vader begrijpt niet dat hij [minderjarige] momenteel enkel onder begeleiding kan zien en wil graag dat [minderjarige] van donderdag tot maandag bij hem is. Het doet de vader pijn om [minderjarige] onder begeleiding te moeten zien, waarbij de vader niet weet wanneer het contact wordt uitgebreid. Verder is de vader het er niet mee eens dat de vader [minderjarige] zou belasten met volwassenzaken.
Het standpunt van de moeder
4.6.
Door en namens de moeder is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder stemt in met de verzoeken van de Raad. De moeder heeft [minderjarige] eerder een lange tijd niet gezien en er zijn veel zorgen over [minderjarige] . Deze zorgen kunnen niet worden weggenomen binnen een vrijwillig kader. Het gaat momenteel goed met [minderjarige] bij de moeder en op school. Wel mist [minderjarige] de vader. [minderjarige] heeft momenteel rust nodig, waarbij het van belang is dat [minderjarige] en de vader elkaar zien. Verder kan de moeder de hulpverlening en ondersteuning gebruiken en is zij bereid om deze te aanvaarden. Ook kan [minderjarige] de komende periode bij de moeder wonen, zodat de voorzichtige positieve lijn kan worden doorgezet. Op dit moment woont de moeder bij de grootouders mz, waar zij een eigen appartement heeft. De moeder heeft daarnaast urgentie gekregen, waardoor de eerstvolgende beschikbare woning aan de moeder zal worden toegewezen.
Het standpunt van JBB
4.7.
Door JBB is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. JBB sluit zich aan bij het standpunt van de Raad. JBB geeft aan dat het contactherstel met de moeder in het begin lastig was voor [minderjarige] , vooral vanuit zijn kind-eigenproblematiek. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] verliep daarna prettig. In het contact met de vader was [minderjarige] erg gericht op wat de vader daarin wilde. Het lukt de vader niet om aan te sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft om onbelast contact te hebben met de moeder. Ook is het voor de vader moeilijk om zich te houden aan afspraken. Zo heeft de vader zich niet gehouden aan de beschikking van de rechtbank om terug te verhuizen naar Breda, waarbij [minderjarige] moest liegen tegen JBB over waar hij verbleef. Daarnaast wordt tijdens de begeleide omgang gezien dat de vader zijn eigen belang en emotie centraal stelt, waardoor [minderjarige] belast wordt en zich verantwoordelijk voelt voor het welzijn van de vader. Er is hulpverlening nodig om met de ouders in gesprek te gaan. De ouders dienen beiden te werken aan hoe zij met [minderjarige] en zijn kind-eigenproblematiek om moeten gaan. Momenteel doet [minderjarige] het goed bij de moeder en op school. Het is van belang dat er met de hulpverlening zo snel mogelijk gekeken wordt of en hoe het contact tussen [minderjarige] en de vader kan worden opgebouwd. JBB heeft grote zorgen over het contact en acht er veel voor nodig om ervoor te zorgen dat [minderjarige] onbelast contact kan hebben met de vader. Verder zal JBB contact opnemen met de WSS voor een warme overdracht. JBB sluit zich aan bij de doelen die de Raad heeft genoemd in het rapport.

5.De beoordeling

Bevoegdheid
5.1.
Op grond van artikel 265 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige. Artikel 1:12 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de minderjarige de woonplaats volgt van degene die gezag over hem/haar uitoefent. Ingeval beide ouders tezamen het gezag over de minderjarige uitoefenen, maar zij niet dezelfde woonplaats hebben, dan volgt de minderjarige de woonplaats van de ouder bij wie hij of zij feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.
5.2.
Ten tijde van het indienen van het verzoek van de Raad stond de vader ingeschreven op een adres in [woonplaats] . Hoewel [minderjarige] op het moment van indiening van het verzoek zelf ingeschreven stond op een adres in [plaats] , volgt [minderjarige] de woonplaats van de gezaghebbende ouder waar [minderjarige] feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven. In dit geval is dat de vader. Doordat de vader ten tijde van het indienen van het verzoek woonachtig was in het arrondissement van deze rechtbank, acht de kinderrechter van deze rechtbank zich bevoegd om over het verzoek te oordelen.
Inhoudelijke beoordeling
Ondertoezichtstelling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd en er zijn veel zorgen over [minderjarige] . [minderjarige] heeft een lager intelligentieniveau en heeft veel zorg en nabijheid nodig van een volwassene. Daarnaast is er bij [minderjarige] sprake van problematiek in zijn emotieregulatie. [minderjarige] wordt blootgesteld aan en betrokken bij de strijd tussen de ouders. Hij is in een ernstig loyaliteitsconflict gekomen, doordat de vader negatief praat over de moeder en [minderjarige] onder druk zet. In een korte tijd heeft [minderjarige] veel verschillende woonplaatsen gehad, waarbij [minderjarige] recentelijk bij de moeder is geplaatst middels een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing. Eerder was er echter enkele maanden geen contact tussen [minderjarige] en de moeder, omdat [minderjarige] dit niet wilde. Daarnaast is er momenteel nog veel onduidelijkheid over hoe het contact tussen [minderjarige] en de vader eruit moet komen te zien, nu [minderjarige] bij de moeder woont. Verder zijn er zorgen dat [minderjarige] een langere tijd niet naar school is gegaan.
5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Beide ouders hebben zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] en zouden daar graag hulpverlening voor willen hebben. De ouders zijn het echter onvoldoende eens met elkaar over wat er nodig is in het belang van [minderjarige] , waardoor het niet lukt om samen afspraken te maken rondom [minderjarige] . Verder houdt de vader zich onvoldoende aan de gemaakte afspraken. De regie van een gecertificeerde instelling is nog noodzakelijk om zicht te kunnen houden op de hiervoor genoemde zorgen en om ervoor te kunnen zorgen dat er passende hulpverlening wordt ingezet voor zowel de ouders als [minderjarige] .
5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter vindt de doelen in het rapport van de Raad van 29 februari 2026 passend en geeft aan de GI de opdracht om aan de volgende doelen te gaan werken:
- Er komt duidelijkheid over waar [minderjarige] verder gaat opgroeien en hoe het contact met zijn beide ouders eruit gaat zien;
- [minderjarige] gaat structureel naar een school die aansluit bij zijn mogelijkheden;
- [minderjarige] heeft onbelast en structureel contact met beide ouders;
- [minderjarige] ervaart de emotionele toestemming van beide ouders om contact te hebben met de andere ouder;
- [minderjarige] heeft ouders die een manier gevonden hebben om met elkaar te communiceren en afspraken te maken in het belang van [minderjarige] .
5.7.
De komende periode is het van belang dat er gekeken wordt of en hoe het contact tussen de vader en [minderjarige] kan worden uitgebreid. Daarnaast is het van belang dat [minderjarige] bij iemand zijn gevoel kan delen en open kan spreken over zijn wensen, bijvoorbeeld een buddy of vertrouwenspersoon, en dat [minderjarige] geholpen wordt bij het reguleren van zijn emoties. Ook is het van belang dat [minderjarige] regelmatig naar school zal (blijven) gaan. Verder dienen beide ouders te leren om te gaan met de problematiek van [minderjarige] en dienen zij te leren beter aan te sluiten bij [minderjarige] . Gebleken is dat [hulpverlening] zal starten met opvoedondersteuning voor beide ouders. Daarnaast is het van belang dat er psycho-educatie wordt ingezet voor beide ouders. Ook dient er binnen de ondertoezichtstelling gekeken te worden welke manier van ouderschap het meest passend is en dient de huidige betrokken hulpverlening van de ouders voortgezet te worden.
5.8.
De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht van de WSS voor de duur van een jaar, gelet op de tijd die naar verwachting nodig is om de gestelde doelen te behalen. Hoewel de voorlopige ondertoezichtstelling is uitgevoerd door JBB, acht de kinderrechter het van belang dat de WSS de ondertoezichtstelling zal gaan uitvoeren in verband met de kind-eigenproblematiek van [minderjarige] . De WSS sluit qua expertise en benadering namelijk aan bij het intelligentieniveau van [minderjarige] . Ter zitting heeft JBB aangegeven zorg te zullen dragen voor een warme overdracht aan de WSS.
Machtiging tot uithuisplaatsing
5.9.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst (artikel 1:265b, eerste lid, BW). De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.10.
[minderjarige] heeft de afgelopen periode veel verschillende woonplekken gehad. Er waren dusdanige zorgen over de situatie bij de vader, dat er een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing is verleend en [minderjarige] bij de moeder is geplaatst. Sinds [minderjarige] bij de moeder is geplaatst, lijkt er meer rust te zijn ontstaan en gaat het goed met [minderjarige] . Ook gaat [minderjarige] inmiddels weer naar school. De moeder lijkt aan te sluiten bij hetgeen [minderjarige] nodig heeft. Ook biedt de moeder ruimte aan [minderjarige] om op een positieve wijze contact te hebben met de vader. [minderjarige] geeft zijn leven momenteel het cijfer tien, hoewel hij de vader wel mist. De kinderrechter acht het niet in het belang van [minderjarige] om hem momenteel nogmaals te laten verplaatsen van woonplek, met name omdat het op dit moment goed gaat met [minderjarige] . De kinderrechter acht van belang dat deze voorzichtige positieve ontwikkelingen worden voortgezet en zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder verlenen voor de verzochte duur. Daarbij is het noodzakelijk dat er de komende tijd goed gekeken wordt of en hoe het contact tussen de vader en [minderjarige] kan worden uitgebreid.
5.11.
De kinderrechter zal daarom de machtiging verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen bij de moeder voor de duur van vijf maanden, te weten met ingang van 10 maart 2026 tot 10 augustus 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.12.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.13.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 9 maart 2026 tot 9 maart 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, met ingang van 10 maart 2026 tot 10 augustus 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 20 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.