Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2715

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/02/445063 / JE RK 26-256
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 maart 2026 besloten de ondertoezichtstelling (OTS) van een minderjarige te verlengen tot 18 maart 2027. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging omdat de ontwikkeling van de minderjarige nog steeds ernstig wordt bedreigd en passende hulpverlening nog maar recent is gestart. De minderjarige vertoont ingewikkeld gedrag en staat op een wachtlijst voor behandeling bij Basic Trust.

De ouders, die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, wonen gescheiden en stemmen in met het verzoek tot verlenging. De kinderrechter constateert dat de onduidelijkheid over het contact met de vader en het gedrag van de minderjarige de situatie bemoeilijken. De hulpverlening is nog pril en het pleeggezin heeft aangegeven het verblijf te willen inkorten vanwege het gedrag van de minderjarige.

Gezien de ernst van de bedreiging en het feit dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende resultaat heeft, acht de kinderrechter verlenging noodzakelijk. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de verlenging direct ingaat, ook bij hoger beroep. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige met een jaar wegens ernstige bedreiging van haar ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445063 / JE RK 26-256
Datum uitspraak: 9 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.C. Buntsma uit Middelburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. J.J.J. Jansen uit Kapelle.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer
C/02/439862 / JE RK 25-1674. Op dit zaaknummer is per separate beschikking beslist.
1.4.
Aan de begeleidster van de moeder is bijzondere toestemming verleend om bij de zitting aanwezig te zijn.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 maart 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 18 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI stelt dat [minderjarige] nog steeds bedreigd wordt in haar ontwikkeling. Het is op dit moment nog onvoldoende duidelijk waar het uitdagende en zelfbepalende gedrag van [minderjarige] vandaan komt en wat er nodig is om dit te veranderen. Er is nog geen passende individuele behandeling gestart om dit zicht of deze verandering te verkrijgen. [minderjarige] staat op de wachtlijst bij [jeugdzorg] . Er is weliswaar IAG van [hulpverlening 1] ingezet als hulp bij de opvoedvraag in de thuissituatie bij de moeder, maar deze hulpverlening heeft nog niet voldoende resultaten geboekt. Mede hierdoor en doordat [minderjarige] pas net is gestart met een overnachting in het weekendpleeggezin en er inmiddels vanwege het gedrag van [minderjarige] door het pleeggezin wordt aangegeven het verblijf van [minderjarige] daar in te willen korten, is de draagkracht en draaglast van de moeder nog niet in balans.
Daarnaast is er nog steeds onduidelijkheid over hoe de contacten met de vader eruit kunnen zien aangezien er nog geen inzicht is in het behandeltraject van de vader bij [hulpverlening 2] en de emotionele veiligheid van [minderjarige] bij de vader. De GI is van mening dat het noodzakelijk is voor de ontwikkeling van [minderjarige] dat er op bovenstaande meer zicht komt en dat passende hulpverlening ingezet wordt. Daarom is de GI van mening dat de OTS verlengd dient te worden voor de duur van een jaar.
4.2.
Namens en door de moeder is aangegeven dat de moeder instemt met het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling te verlengen.
4.3.
Namens en door de vader is aangegeven dat de vader instemt met het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling te verlengen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] laat ingewikkeld gedrag zien. Het is onvoldoende duidelijk waar dit gedrag vandaan komt en wat er nodig is om dit gedrag te veranderen. [minderjarige] is inmiddels aangemeld bij Basic Trust en staat hiervoor op de wachtlijst. Bij Basic Trust zal zij eerst behandeling ondergaan om te werken aan emotieregulatie, het accepteren van grenzen en autoriteit, het vergroten van zelfcontrole en frustratietolerantie en het versterken van positief contact en samenwerking. Omdat er mogelijk sprake is van voorliggend trauma kan er nog geen diagnose gesteld worden bij [minderjarige] en zal er eerst aan traumaverwerking gewerkt moeten worden.
5.5.
Daarnaast wordt de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig bedreigd door de onduidelijkheid over het contact van [minderjarige] met de vader. Het is onduidelijk hoe de contacten met de vader eruit kunnen zien aangezien er nog geen zicht is op het behandeltraject van de vader bij [hulpverlening 2] en op de emotionele veiligheid van [minderjarige] in het contact met de vader. Ook kunnen de ouders nog niet met elkaar communiceren en kan hiermee nog niet (voldoende) aan de slag worden gegaan, omdat het gedrag van [minderjarige] en het mogelijke contactherstel met de vader prioriteit heeft.
5.6.
Gelet op het bovenstaande kan de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De hulpverlening is bovendien nog maar net opgestart. IAG loopt en bij Basic Trust is er sprake van een wachtlijst. Ook is er nog maar kort sprake van een structurele inzet van een pleeggezin, waarbij het pleeggezin al aangegeven heeft minder inzetbaar te willen zijn. De GI zal daarom mogelijk ook op zoek moeten gaan naar een pleeggezin dat het gedrag van [minderjarige] voor een langere en structurelere periode aan kan.
5.7.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal het onweersproken verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar toewijzen..
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 18 maart 2026 en tot 18 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Merbel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en schriftelijk vastgelegd 16 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.