Op 17 februari 2026 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant een zorgmachtiging verleend aan betrokkene op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor de duur van zes maanden. Deze machtiging omvatte verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder medicatietoediening, medische controles, opname in een accommodatie en het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid om het eigen leven in te richten.
Na schriftelijke vaststelling van deze beschikking op 3 maart 2026, meldde de accommodatie op 6 maart 2026 dat de schriftelijke beschikking een kennelijke schrijffout bevatte: de verplichte zorgvorm 'het beperken van de bewegingsvrijheid' was abusievelijk niet opgenomen, terwijl dit mondeling wel was uitgesproken. De accommodatie verzocht om verbetering van deze fout.
De rechtbank oordeelde dat deze fout eenvoudig te herstellen was zonder dat partijen in hun belangen werden geschaad. Op 9 maart 2026 werd de beschikking daarom hersteld door de ontbrekende zorgvorm toe te voegen. De griffier werd opgedragen een afschrift van de verbeterde beschikking aan partijen te verstrekken. Tegen deze herstelbeschikking staat cassatie open.