De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 9 maart 2026 het verzoek van de officier van justitie tot verlenging van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, geboren in 1976 in Turkije. Betrokkene lijdt aan schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen die leiden tot ernstig nadeel, waaronder verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en agressief gedrag.
Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden betrokkene, zijn advocaat en casemanagers gehoord. Betrokkene wenst uitsluitend vrijwillige zorg te ontvangen en erkent het belang van medicatie, maar de casemanagers benadrukten dat de afbouw van medicatie zorgvuldig moet verlopen om psychotische klachten en overlast te voorkomen. De advocaat verzocht subsidiair om beperking van verplichte zorgvormen vanwege de onvoorspelbaarheid van opname.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene geen ziektebesef heeft en dat vrijwillige zorg niet mogelijk is. De zorgmachtiging wordt daarom voor twaalf maanden toegekend, met verplichte medicatie, medische controles en beperkingen in de vrijheid om het eigen leven in te richten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen. Opname en bewegingsvrijheid worden niet als noodzakelijk geacht. De toegewezen zorgvormen zijn evenredig en gericht op stabilisatie en veiligheid.
De beschikking is op 9 maart 2026 mondeling gegeven door rechter Janssen en schriftelijk vastgelegd op 19 maart 2026. Tegen deze beschikking staat cassatie open.