Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2721

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/02/445196 / JE RK 26-283
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds april 2024 onder toezicht staat en in een netwerkpleeggezin verblijft. De minderjarige maakt goede vorderingen, volgt behandeling en heeft een taakstraf afgerond, maar blijft kwetsbaar door eerdere blootstelling aan huiselijk geweld en verwaarlozing.

De moeder woont in België en is tegen de verlenging, terwijl de vader instemt met het verblijf bij de pleegouders. De Raad voor de Kinderbescherming ondersteunt het verzoek. De kinderrechter stelt vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft omdat de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk blijven vanwege de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige, de onduidelijkheid over de rol van de moeder en de behoefte aan een stabiele en veilige opvoedomgeving. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt direct, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 12 april 2027.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445196 / JE RK 26-283
Datum uitspraak: 23 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] , België,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
[de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats 3] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 februari 2026;
  • het e-mailbericht van de pleegouders, ontvangen op 25 februari 2026;
  • het e-mailbericht van de GI, ontvangen op 27 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • een vertegenwoordigster van de GI;
  • een vertegenwoordiger van de Raad.
De pleegouders, de moeder en de vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegouders, de moeder en de vader wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 12 april 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is voor het laatst verlengd tot 12 april 2026.
2.3.
Bij beschikking van 12 april 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend, te weten in een netwerkpleeggezin van de grootouders (mz). De uithuisplaatsing is voor het laatst verleng tot 12 april 2026.
2.3.
[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde machtiging in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders moederszijde (mz).

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar het verzoekschrift van 17 februari 2026. De GI geeft aan dat het goed gaat met [minderjarige] . Hij heeft het goed bij zijn opa en oma. Zijn zus, die inmiddels meerderjarig is, woont daar ook nog. [minderjarige] is in behandeling bij de [hulpverlening] en maakt goede stappen. Hij heeft weliswaar een impulsieve actie begaan waarvoor hij een taakstraf heeft gekregen, maar de opgelegde taakstaf heeft hij aanvaard en goed afgerond. Daarnaast is het contact tussen de vader en [minderjarige] op dit moment goed. De vader snapt dat [minderjarige] niet bij hem kan wonen en ziet in dat [minderjarige] bij de pleegouders goed zit. Tussen de moeder en [minderjarige] is er op dit moment geen contact. De moeder heeft bovendien aangegeven niet akkoord te gaan met de verlenging en wilt dat [minderjarige] in België komt wonen.
4.2.
De Raad staat achter de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] .

5.De beoordeling

Bevoegdheid
5.1.
De kinderrechter stelt vast dat de zaak internationale aspecten kent, nu de moeder woonachtig is in België. Dat betekent dat de kinderrechter eerst moet beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
5.2.
Ingevolge de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Wettelijk kader
5.3.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.6.
De kinderrechter ziet dat [minderjarige] goede stappen maakt. [minderjarige] doet het goed op school, hij zit in zijn examenjaar en kijkt naar vervolgopleidingen. Hij volgt zijn behandeling bij de [hulpverlening] en zijn taakstraf is afgerond. Bovendien is het contact met de vader op dit moment goed. Tegelijkertijd blijven er zorgen over [minderjarige] en wordt zijn ontwikkeling nog steeds ernstig bedreigd. Het afgelopen jaar heeft [minderjarige] een taakstraf gekregen, dat baart de kinderrechter zorgen. Daarnaast is [minderjarige] in de thuissituatie blootgesteld geweest aan huiselijk geweld, (emotionele) verwaarlozing, escalaties, spanningen en onzekerheid. [minderjarige] is bij de [hulpverlening] bezig om deze ingrijpende ervaringen uit het verleden te verwerken. Deze behandeling is nog niet afgerond. De Raad heeft daarnaast een onderzoek gestart met betrekking tot een gezagsbeëindigende maatregel voor de moeder. Dit zorgt voor onduidelijkheid in de rol die de moeder in de toekomst in [minderjarige] zijn leven gaat spelen. De moeder blijft benoemen dat ze wil dat [minderjarige] in België komt wonen. Het lukt de jeugdbeschermer bovendien niet om in goed contact te komen met de moeder. Dit maakt dat de ondertoezichtstelling niet kan worden beëindigd. Het is daarnaast belangrijk dat de GI betrokken blijft om de uitkomst van het Raadsonderzoek af te wachten en om de ontwikkeling van [minderjarige] te monitoren in een periode van onzekerheid. Voorts acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] dat de GI toezicht houdt op de ingezette hulpverlening en het contact tussen de vader en [minderjarige] .
5.7.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.8.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] Gezien de negatieve ervaringen die [minderjarige] in het verleden heeft opgedaan heeft [minderjarige] een verhoogde behoefte aan stabiliteit, rust en emotionele en fysieke veiligheid. [minderjarige] moet opgroeien in een stabiele en veilige omgeving waar hij de ruimte krijgt om de gebeurtenissen uit het verleden te verwerken en tot ontwikkeling te komen. De pleegouders bieden hem een opvoedomgeving die hieraan voldoet. Bovendien geeft [minderjarige] zelf aan rust te vinden bij de pleegouders en hier graag te willen blijven. De vader stemt in met het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders. De moeder stemt niet in met het verzoek, wat maakt dat een vrijwillige plaatsing bij de pleegouders niet aan de orde is.
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 12 april 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 12 april 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026, in aanwezigheid van Den Boer, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.