Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2722

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/02/443895 / JE RK 26-52
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265i BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging verblijfplaats minderjarige in pleeggezin

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de kinderrechter om toestemming voor wijziging van de verblijfplaats van een minderjarige die sinds november 2024 in een pleeggezin verblijft. De GI baseerde het verzoek op zorgen over hygiëne, veiligheid, belastbaarheid van de pleegvader en de samenwerking met hulpverleners. Ondanks intensieve begeleiding was er volgens de GI onvoldoende verbetering en werd een ander pleeggezin gezocht.

De pleegouders, evenals de ouders van de minderjarige, verzetten zich tegen het verzoek. Zij stelden dat de minderjarige zich goed ontwikkelt, zich veilig voelt en dat de pleegouders leerbaar zijn en verbeteringen hebben doorgevoerd. Ook werd gewezen op het risico van een nieuwe hechtingsbreuk bij overplaatsing.

De kinderrechter oordeelde dat de minderjarige sinds meer dan een jaar door de pleegouders wordt verzorgd en dat er onvoldoende grond is voor een wijziging van de verblijfplaats. De ontwikkeling van de minderjarige stagneert niet en de relatie tussen pleegouders en ouders is verbeterd. Gezien het ontbreken van een duidelijk perspectief en een alternatief pleeggezin, is het belang van de minderjarige gediend met het blijven bij het huidige pleeggezin.

De kinderrechter benadrukte het belang van een verbeterde samenwerking tussen pleegouders en pleegzorgwerker en gaf de GI de ruimte om bij veranderde omstandigheden een nieuw verzoek in te dienen. Het verzoek tot wijziging van de verblijfplaats werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige wordt afgewezen en de minderjarige blijft bij het huidige pleeggezin.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/443895 / JE RK 26-52
Datum uitspraak: 9 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over toestemming wijziging verblijfplaats
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. I.M. d' Hont uit Breda,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
verblijvende in de P.I. in [plaats] ,
advocaat mr. N.A.H. Limbourg uit Breda,
[de pleegouders],
hierna te noemen de pleegouders,
wondende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F.A. van den Heuvel uit Eindhoven.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 januari 2026;
  • de brief met bijlagen van mr. Van den Heuvel, ontvangen op 16 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de GI;
  • de pleegouders met hun advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
  • de advocaat van de moeder.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan een kantoorgenoot van mr. Van den Heuvel, de heer [persoon 1] .
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 25 januari 2026 tot 25 januari 2027. Tevens is bij diezelfde beschikking de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 25 januari 2026 tot 25 januari 2027.
2.3.
[minderjarige] verblijft op basis van de voorgenoemde machtiging sinds 14 november 2024 in het huidige pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. [minderjarige] verblijft sinds 14 november 2024 bij het huidige tijdelijke pleeggezin. Er is vanaf het begin duidelijk gecommuniceerd dat het een tijdelijke plaatsing betreft, vanwege de afstand tussen de pleegouders en de moeder en het pleeggezin van het broertje van [minderjarige] ( [persoon 2] ). Sinds de start van de plaatsing zijn er zorgen over de hygiëne, netheid en veiligheid van de woning en de tuin van de pleegouders. Er is benadrukt dat hier verbetering in dient te komen om aan de eisen voor pleegzorg te voldoen. De GI en [hulpverlening] zien dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt bij de pleegouders, maar dat er ook nog steeds zorgen zijn. De pleegouders benoemden zichzelf eerder als (pleeg)mama en (pleeg)papa, in plaats van ‘ik’ of hun eigen naam. De pleegouders pasten dit niet aan en leken het probleem daarvan niet te begrijpen. Inmiddels doen de pleegouders zichtbaar hun best om deze afspraak na te leven en noemt [minderjarige] de pleegouders bij de voornaam. De pleegzorgwerker heeft meerdere keren aangegeven zorgen te hebben over de leerbaarheid van de pleegouders. Ook zijn er zorgen over de belastbaarheid van de pleegvader, vanwege een burn-out, waardoor de pleegvader niet werkt. Overdag verzorgt de pleegvader [minderjarige] , maar in de avond na het werken moet de pleegmoeder voor [minderjarige] zorgen, omdat de pleegvader dat niet trekt. Hierdoor ligt [minderjarige] later op bed. De pleegouders kunnen daarnaast heftig reageren op de GI en [hulpverlening] . De GI en [hulpverlening] hebben soms het gevoel van een complexe vechtscheiding, wat de samenwerking niet ten goede komt. Ook zijn er zorgen over de hygiëne van [minderjarige] (en van de pleegouders) en over de kleding van [minderjarige] . De maat is niet altijd passend en kleding is soms versleten of niet schoon. Daarnaast zijn de woning en de tuin van de pleegouders vaak niet schoon en opgeruimd. Verder is er geen contact tussen de pleegouders en de ouders/de vader, vanwege een eerdere dreiging. Sinds kort is de pleegvader wel aanwezig bij het bezoek tussen de moeder en [minderjarige] .
De zorgen zijn herhaaldelijk besproken met de pleegouders en op 6 oktober 2025 heeft [hulpverlening] verbeterpunten opgesteld. Na ruim een jaar intensieve begeleiding is er onvoldoende verbetering gezien. [hulpverlening] vindt de hygiëne en veiligheid van de leefomgeving bij het pleeggezin nog steeds ondermaats. De GI en [hulpverlening] zijn vanwege de zorgen van mening van [minderjarige] niet langer bij het huidige pleeggezin kan verblijven. Daarnaast was het de bedoeling dat [minderjarige] tijdelijk in het pleeggezin zou verblijven. [minderjarige] zal zich steeds verder hechten aan de pleegouders, waardoor de GI van mening is dat zij nu overgeplaatst dient te worden. Het is voor de GI duidelijk dat [minderjarige] niet meer terug naar huis kan. De GI is daarom van mening dat het perspectief van [minderjarige] bij een perspectiefbiedend pleegezin ligt. De GI is momenteel hard op zoek naar een ander pleeggezin voor [minderjarige] , echter is er nog geen gevonden. In de tussentijd kan [minderjarige] bij de huidige pleegouders blijven.
4.2.
Door en namens de pleegouders is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De pleegouders verzoeken het verzoek af te wijzen. De rapportage van de pleegzorgwerker is niet correct. Ook staan in het verzoek van de GI punten benoemd, waar de pleegouders al lang aan hebben gewerkt en die verbeterd zijn. De pleegouders erkennen dat er zorgen zijn geweest. De pleegouders zijn echter wel leerbaar. De pleegzorgwerker heeft richting de pleegouders erkend dat de pleegouders stappen hebben gezet en dat de hygiëne beter op orde is. De pleegouders hebben het gevoel dat de pleegzorgwerker niet naast de pleegouders staat, maar tegenover hen. Daarnaast heeft de pleegvader geen burn-out. Wel zit de pleegvader in de Ziektewet en is hij bezig met re-integreren. In de avond, nadat de pleegmoeder heeft gewerkt, wil de pleegmoeder graag tijd met [minderjarige] doorbrengen. Het is niet zo dat de pleegmoeder in de avond voor [minderjarige] zorgt omdat de pleegvader dat niet trekt. Indien [minderjarige] moe is, brengen de pleegouders haar eerder naar bed. Daarnaast vinden er enkel huisbezoeken plaats vanuit de pleegzorg en is er verder geen begeleiding voor de pleegouders. Verder is het perspectief van [minderjarige] momenteel nog niet duidelijk. De pleegouders hadden bij [hulpverlening] aangegeven dat zij een langdurig pleeggezin zijn. Het advies vanuit [hulpverlening] was om ook kortdurend aan te geven, omdat daar een kortere wachttijd voor was. Toen [minderjarige] bij de pleegouders werd geplaatst, hebben de pleegouders altijd aangegeven dat [minderjarige] zo lang kan blijven als nodig is. Indien [minderjarige] nu wordt overgeplaatst, kan het zo zijn dat zij vervolgens weer overgeplaatst moet worden als het perspectief van [minderjarige] duidelijk is. [minderjarige] ontwikkelt zich momenteel goed en voelt zich veilig bij de pleegouders. Ook brengen de pleegouders [minderjarige] overal naartoe. Het is niet in haar belang om nu overgeplaatst te worden naar een ander pleeggezin. Gelet op de hechtingsproblematiek van [minderjarige] , zal een overplaatsing mogelijk een nieuw trauma veroorzaken en zal [minderjarige] zich opnieuw moeten hechten. Indien de rechtbank beslist dat [minderjarige] bij de pleegouders mag blijven, dan willen de pleegouders graag verder met een collega van de huidige pleegzorgwerker. Deze collega was vorige week aanwezig en de pleegouders hebben daar een beter gevoel bij.
4.3.
Door en namens de vader is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. Het perspectief van [minderjarige] is nog niet bepaald. De vader wil dat [minderjarige] uiteindelijk bij hem komt wonen. Verder wil hij dat [minderjarige] bij de pleegouders blijft tot haar perspectief is bepaald, aangezien het kan zijn dat [minderjarige] dan naar één van de ouders zal gaan of naar een ander pleeggezin samen met [persoon 2] , waardoor [minderjarige] dan opnieuw zou moeten worden overgeplaatst. [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de pleegouders en de pleegouders hebben de afgelopen periode verbetering laten zien. Ook is de relatie tussen de pleegouders en de vader inmiddels goed. Hoewel er zorgen zijn om de pleegouders, wegen deze zorgen niet op tegen wat het met [minderjarige] doet als zij ergens anders wordt geplaatst. De vader acht het daarom niet in het belang van [minderjarige] als zij nu overgeplaatst wordt naar een ander pleeggezin. [minderjarige] heeft namelijk al genoeg meegemaakt in haar leven. De vader verzoekt daarom het verzoek af te wijzen.
4.4.
Namens de moeder is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder sluit zich aan bij het standpunt van de vader. De zorgen zijn niet groot genoeg om [minderjarige] over te plaatsen naar een ander pleeggezin. [minderjarige] zit momenteel op een goede plek bij de pleegouders. De moeder acht het niet in het belang van [minderjarige] dat [minderjarige] van pleeggezin naar pleeggezin wordt verplaatst. De moeder verzoekt daarom het verzoek af te wijzen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Artikel 1:265i BW vereist de toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander als de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. Op grond van lid 2 van dit artikel wordt de toestemming door de kinderrechter verleend en slechts afgewezen als de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt. Hieruit volgt dat de kinderrechter de toestemming in beginsel verleent, tenzij het belang van de minderjarige een andere beslissing noodzakelijk maakt.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] gedurende ten minste één jaar door de pleegouders wordt opgevoed en verzorgd. Uit de stukken blijkt dat [minderjarige] sinds 14 november 2024 in het huidige pleeggezin verblijft op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat de wijziging van het verblijf van [minderjarige] afgewezen dient te worden. De kinderrechter overweegt dat er onvoldoende grond is voor een plaatsing van [minderjarige] in een ander pleeggezin dan het huidige pleeggezin. Op dit moment zijn er geen dusdanige zorgen over [minderjarige] , die het noodzakelijk maken om [minderjarige] ergens anders te plaatsen. [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de pleegouders en voelt zich veilig bij hen. Het is onvoldoende duidelijk geworden dat en in welke zin haar ontwikkeling in het huidige pleeggezin stagneert. Ook is de relatie tussen de pleegouders en beide ouders inmiddels goed. De kinderrechter ziet dat de pleegouders in de afgelopen periode stappen hebben gezet. Daarnaast willen beide ouders dat [minderjarige] bij de pleegouders blijft zo lang er nog geen duidelijkheid is over het perspectief van [minderjarige] . Er moet worden voorkomen dat [minderjarige] opnieuw een hechtingsbreuk ervaart door haar in een nieuw pleeggezin te plaatsen. Doordat er op dit moment nog geen duidelijkheid is over het perspectief van [minderjarige] , bestaat de mogelijkheid dat [minderjarige] nog een keer overgeplaatst dient te worden. De kinderrechter neemt daarbij mee dat er op dit moment nog geen andere plek is gevonden voor [minderjarige] . Het is dus nog onduidelijk waar [minderjarige] - bij een toewijzing van het verzoek – geplaatst zal worden. Gelet op het voorgaande oordeelt de kinderrechter dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij kan blijven bij de huidige pleegouders en zij zak het verzoek van de GI dan ook afwijzen.
5.4.
De kinderrechter benadrukt daarbij dat het van belang is dat de pleegouders open blijven staan voor samenwerking met de pleegzorgwerker en dat deze samenwerking verbetert. De pleegouders dienen zich daarvoor in te spannen en open te stellen. Daarnaast is het aan de GI om hierop in te zetten. Tijdens de zitting hebben de pleegouders aangegeven verder te willen samenwerken met de collega van de pleegzorgwerker, die tijdens een recent huisbezoek aanwezig was. De kinderrechter verzoekt de GI deze mogelijkheid in overweging te nemen, in de hoop dat de samenwerking tussen de pleegzorgwerker en de pleegouders zal verbeteren.
5.5.
Tot slot merkt de kinderrechter op dat indien de situatie in de toekomst dusdanig verandert en er zorgen ontstaan rondom de ontwikkeling van [minderjarige] bij de pleegouders, het de GI vrijstaat om een nieuw verzoek in te dienen bij de rechtbank.
5.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 20 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.