AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing zorgmachtiging voor verplichte geestelijke gezondheidszorg voor twaalf maanden
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 maart 2026 een zorgmachtiging verleend aan betrokkene, geboren in 1998, op verzoek van de officier van justitie. De machtiging betreft verplichte zorg conform artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor de duur van twaalf maanden.
Betrokkene lijdt aan diverse DSM-5 stoornissen, waaronder neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, persoonlijkheidsstoornissen en andere problematiek die ernstig nadeel veroorzaken, zoals levensgevaar, lichamelijk letsel, psychische schade en maatschappelijke teloorgang. Er is sprake van een risico op een katatoon toestandsbeeld en eerdere automutilatie.
De rechtbank stelt vast dat vrijwillige zorg niet mogelijk is, mede doordat betrokkene twijfelt over medicatie en bij katatoon toestandsbeelden niet in staat is zorg te accepteren. De gevraagde vormen van verplichte zorg, waaronder medicatietoediening, medische controles en beperkingen in de vrijheid, zijn noodzakelijk, evenredig en naar verwachting effectief.
De zorgmachtiging wordt toegekend voor twaalf maanden, met het oog op stabilisatie en herstel van de geestelijke gezondheid en ter bevordering van de veiligheid van betrokkene en haar omgeving. Betrokkene heeft afgezien van het recht te worden gehoord en stemt in met het verzoek.
Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor twaalf maanden met verplichte zorgvormen aan betrokkene.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445193 / FA RK 26-876
Datum uitspraak: 9 maart 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor:
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. E.J.L. Mulderink uit Breda.
1.Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 18 februari 2026;
de referteverklaring van 26 februari 2026.
2.Wat vaststaat
2.1.
De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend tot en met 21 maart 2026.
3.Het verzoek
3.1.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden met de volgende vormen van verplichte zorg:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.
4.De beoordeling
4.1.
Uit de referteverklaring van betrokkene leidt de rechtbank af dat betrokkene het verzoekschrift heeft besproken met zijn advocaat, dat betrokkene erkent dat aan de voorwaarden voor toewijzing van het verzoek met de daarin opgenomen vormen van verplichte zorg wordt voldaan, dat betrokkene afziet van het recht te worden gehoord en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
4.2.
Gelet op de inhoud van de stukken en de referteverklaring acht de rechtbank zich voldoende geïnformeerd om op het verzoek te beslissen. De rechtbank heeft gelet op de referteverklaring vastgesteld dat betrokkene akkoord gaat met het verzoek.
4.3.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van twaalf maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.4.
Uit de overgelegde stukken is gebleken dat betrokkene lijdt aan DSM-5 stoornissen, neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (o.a. verstandelijke beperkingen en autismespectrumstoornissen), persoonlijkheidsstoornissen en andere problemen die een reden voor zorg kunnen zijn.
4.5.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er gevaar bestaat voor een katatoon toestandsbeeld waarbij betrokkene niet meer beweegt, eet en drinkt en zichzelf en haar leefomgeving gaat verwaarlozen. In het verleden is er sprake geweest van automutilatie.
4.6.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.
4.7.
Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Er is sprake van enig ziektebesef en ziekte-inzicht, echter op het moment dat er een katatoon toestandsbeeld ontstaat is betrokkene niet meer in staat om zorg te accepteren. Daarnaast twijfelt betrokkene over de noodzaak van medicatie. Daarom is verplichte zorg nodig.
4.8.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur van oordeel dat de verzochte vormen van verplichte zorg nodig zijn. Gelet op de referteverklaring van betrokkene zal de rechtbank een machtiging verlenen conform het verzoek, zoals vermeld onder rechtsoverweging 2.1.
4.9.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en haar omgeving.
4.10.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van twaalf maanden.
5.De beslissing
De rechtbank:
5.1.
verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in rechtsoverweging 2.1 staan kunnen worden toegepast, te weten:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.
5.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 9 maart 2027.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.