Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen verzocht de kinderrechter om een voorwaardelijke machtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp aan een minderjarige, voor de duur van drie maanden. De ouders van de minderjarige zijn belast met het ouderlijk gezag en de minderjarige verblijft in een gesloten accommodatie.
Tijdens de procedure, die begon met een verzoekschrift ontvangen op 22 januari 2026, werd het verzoek op 17 februari 2026 besproken. Vervolgens werd de zaak aangehouden tot een zitting op 11 maart 2026. In de tussentijd heeft het college de kinderrechter geïnformeerd dat de ouders hun toestemming voor de machtiging hadden ingetrokken. Later trok ook het college zelf het verzoek in, omdat zowel de ouders als de minderjarige hun toestemming hadden ingetrokken.
Gezien de intrekking van het verzoek kon de kinderrechter het verzoek niet verder inhoudelijk onderzoeken en beoordelen. Daarom wees de kinderrechter het verzoek af. De beslissing werd op 9 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter Borm, in aanwezigheid van de griffier Casant.