ECLI:NL:RBZWB:2026:273

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
25-021866
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op klaagschrift ex artikel 552a Sv inzake beslag op cryptovaluta en telefoons

Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan op een klaagschrift van een klager, die zich richtte tegen het beslag dat was gelegd op zijn telefoons en cryptovaluta. De procedure begon met een zitting op 7 januari 2026, waar de officier van justitie, de klager en zijn waarnemend raadsvrouw, mr. F.T.J. Stoof, aanwezig waren. De klager verzocht om opheffing van het beslag op twee laptops, twee telefoons en cryptovaluta, met het argument dat hij persoonlijk belang had bij de teruggave en dat het beslag al geruime tijd voortduurde. De rechtbank oordeelde dat het beslag op de telefoons moest voortduren, omdat er nog onderzoek moest plaatsvinden in het kader van een witwasverdenking. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond, omdat het strafvorderlijk belang bij het beslag op de telefoons bleef bestaan. Wat betreft de cryptovaluta, oordeelde de rechtbank dat er een verdenking van witwassen was en dat het niet onwaarschijnlijk was dat de rechter later de verbeurdverklaring zou bevelen. De rechtbank verwierp ook het verzoek om een deel van de nettowaarde van de cryptovaluta terug te geven voor levensonderhoud, omdat klager niet had aangetoond dat hij niet in staat was om op andere manieren inkomsten te genereren. De rechtbank verklaarde het klaagschrift tegen het beslag op zowel de telefoons als de nettowaarde van de cryptovaluta ongegrond. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer, met mr. R.J.H. de Brouwer als voorzitter, en is op dezelfde dag openbaar uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02-344511-24
rk.nummer: 25-021866
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a Sv van:
[klager]
geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats]
woonplaats kiezende op het kantoor van mr. D.T. Stoof, Spinveld 12, 4815 HS Breda

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 29 augustus 2025 ter griffie van deze rechtbank;
  • de kennisgevingen van inbeslagneming op grond van artikel 94 en artikel 94a Sv, waaruit blijkt dat op meerdere data in augustus en september 2025 onder klager gegevensdragers en de nettowaarde na vervreemding van cryptovaluta in beslag zijn genomen;
  • de reactie van de officier van justitie en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 7 januari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. P.W.P. Emmen, klager en mr. F.T.J. Stoof als waarnemend raadsvrouw van klager gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Het gaat hierbij om twee laptops, twee telefoons en cryptovaluta. Daartoe is aangevoerd dat klager persoonlijk belang heeft bij teruggave van het beslag. Het onderzoek duurt al geruime tijd en er is volgens klager geen belang bij het voortduren van het beslag. Verder wordt klager benadeeld doordat de cryptovaluta zijn omgezet naar een stablecoin en klager daardoor koersstijgingen misloopt. Als het niet mogelijk is de teruggave van de cryptovaluta te gelasten dan wordt verzocht de cryptovaluta in originele vorm te bewaren. Klager heeft bij het klaagschrift een schriftelijke verklaring gevoegd over de beginperiode van de opbouw van de cryptowallet. In raadkamer heeft hij hieraan toegevoegd dat de oorspronkelijke inleg afkomstig was uit inkomsten van een kledingzaak. Hij is bereid hierover een nadere toelichting te geven in zijn verhoor dat is gepland op 10 februari 2026. Hij heeft meerdere stukken ter ondersteuning van zijn verklaring. Daarnaast is in raadkamer de rechtmatigheid van het omzetten van de cryptovaluta in een stablecoin betwist. Tot slot is verzocht een deel van de cryptovaluta terug te geven, omdat klager momenteel geen inkomsten heeft en daardoor niet in zijn levensonderhoud kan voorzien.
Desgevraagd heeft klager in raadkamer bevestigd dat beide laptops die in het klaagschrift zijn genoemd aan klager zijn teruggegeven. De raadsvrouw heeft meegedeeld dat het klaagschrift voor deze laptops niet langer gehandhaafd wordt.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beslag op de telefoons moet voortduren. Aan beide telefoons moet nog onderzoek worden verricht in het kader van de witwasverdenking die tegen klager bestaat. De officier van justitie heeft verder bevestigd dat de cryptovaluta zijn vervreemd en omgezet in een stablecoin om het risico op een waardevermindering te verkleinen. Naar de mening van de officier van justitie moet het beslag op de nettowaarde na die vervreemding voortduren. Het is namelijk niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter later de nettowaarde zal verbeurd zal verklaren dan wel ontnemen. De officier van justitie heeft echter wel toegezegd de zaaksofficier van justitie te vragen of het mogelijk is de teruggave van een beperkt deel van het bedrag te gelasten voor het levensonderhoud van klager.

2.De beoordeling

2.1
Omvang van de beoordeling
De raadsvrouw heeft benoemd dat het klaagschrift niet langer wordt gehandhaafd voor zover er is geklaagd over het beslag op de reeds teruggegeven laptops. De rechtbank begrijpt hieruit dat het klaagschrift voor dit deel als ingetrokken moet worden beschouwd. Zij zal daarom niet langer ingaan op de beoordeling van dit onderdeel van het klaagschrift.
2.2
Formele vereisten en vooropstelling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
2.3
Klassiek beslag op grond van artikel 94 Sv
De rechtbank stelt vast dat er op de telefoons en op de nettowaarde na vervreemding van de cryptovaluta klassiek beslag is gelegd. De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad [1] , moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De aanwezigheid van een strafvorderlijk belang sluit niet uit dat de rechtbank onder omstandigheden bij de beoordeling van het klaagschrift ook onderzoekt of voortzetting van het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit [2] .
2.3.1
De telefoons
Uit het proces-verbaal van bevindingen in het raadkamerdossier en uit het standpunt van de officier van justitie blijkt dat het onderzoek aan de telefoons van verdachte nog niet is afgerond. De telefoons zijn nog nodig om de waarheid te achterhalen. Daarmee is er nog een strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag op de telefoons. Zoals in raadkamer besproken kan klager zelf een bijdrage leveren aan het bespoedigen van dit onderzoek door zijn inloggegevens te verstrekken en mee te werken aan het openen van apps die door biometrische beveiliging zijn vergrendeld. De toezegging van klager dat hij hieraan mee zal gaan werken is echter onvoldoende om het strafvorderlijke belang op dit moment weg te nemen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift tegen het beslag op grond van aritkel 94 Sv op de telefoons ongegrond verklaren.
2.3.2
De nettowaarde na vervreemding van de cryptovaluta
Waar klager in het klaagschrift spreekt over de teruggave van de cryptovaluta begrijpt de rechtbank dat hij daarmee verzoekt om de teruggave van de nettowaarde die nu na vervreemding over is gebleven. Op basis van het raadkamerdossier kan de rechtbank vaststellen dat er sprake is van een witwasverdenking. Hoewel klager bij zijn klaagschrift een verklaring heeft ingediend, blijkt uit het proces-verbaal van de politie dat die verklaring nog geen volledig beeld geeft over de herkomst van de inleg en de opbouw van de cryptowallet. Klager heeft toegezegd tijdens het gepande politieverhoor van 10 februari 2026 een uitgebreidere verklaring af te zullen leggen en stukken ter onderbouwing over te zullen leggen. De witwasverdenking die uit het raadkamerdossier volgt is nog niet weerlegd. Onder die omstandigheden is het bij de huidige stand van zaken niet hoogst onwaarschijnlijk dat een rechter later oordelend de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen nettowaarde na vervreemding zal bevelen.
Vervolgens is verzocht een deel van het bedrag terug te geven zodat klager in zijn levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank begrijpt dit verzoek als een klacht over de proportionaliteit van het voortduren van dat deel van het beslag. Klager heeft aangevoerd dat hij geen mogelijkheid heeft om inkomsten te genereren, omdat hij geen toegang heeft tot zijn telefoons. Hoewel klager door het beslag inderdaad geen toegang heeft tot zijn telefoons en het eerder opgebouwde vermogen, is niet gebleken dat hij niet in staat zou zijn ander werk te verrichten om een inkomen te genereren. De rechtbank ziet hierin dan ook geen reden om de teruggave van een deel van de nettowaarde te gelasten.
Gelet op voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift tegen het beslag op grond van artikel 94 Sv op de nettowaarde ongegrond verklaren.
2.4
Conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv
De rechtbank stelt vast dat er op de nettowaarde na vervreemding van de cryptovaluta ook conservatoir beslag is gelegd. De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad [3] moet de rechter, bij een artikel 94a, eerste, tweede of derde lid, Sv beslag onderzoeken:
(i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde of vijfde categorie kan worden opgelegd;
en
(ii) of zich het geval voordoet dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift ook onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. [4]
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Zoals onder 2.3.2 is besproken, is er sprake van een witwasverdenking die vooralsnog niet is ontkracht. Uit de aanvragen voor de machtigingen conservatoir beslag en het standpunt van de officier van justitie volgt dat het Openbaar Ministerie voornemens is een ontnemingsvordering in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete zal opleggen in de witwaszaak of een betalingsverplichting van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot tenminste de hoogte van de waarde van de inbeslaggenomen nettowaarde zal opleggen. Deze nettowaarde dus kan strekken tot zekerheid van de nakoming van die verplichtingen.
Voor zover klager ook ten aanzien van het conservatoire beslag klaagt over de proportionaliteit van het voortduren van het beslag, verwijst de rechtbank naar haar overweging onder 2.3.2. Ook voor het conservatoire beslag ziet de rechtbank geen aanleiding te gelasten een deel van de nettowaarde aan klager terug te geven.
Gelet op voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift tegen het beslag op grond van artikel 94a Sv op de nettowaarde ongegrond verklaren.
2.5
Overige verzoeken en klachten
Klager heeft verder geklaagd dat het handelen van het Openbaar Ministerie niet rechtmatig zou zijn. Naar de mening van klager bestaat er geen bevoegdheid voor het Openbaar Ministerie om de cryptovaluta om te mogen zetten in een stablecoin. Daarnaast is door klager verzocht de cryptovaluta te bewaren in de oorspronkelijke vorm.
Binnen de klaagschriftprocedure heeft de rechtbank slechts een beperkte bevoegdheid om de beslagprocedure te beoordelen. Klachten over de rechtmatigheid van de omzetting door het Openbaar Ministerie kunnen niet door de rechtbank worden beoordeeld. De rechtbank kan in een klaagschriftprocedure uitsluitend gelasten dat beslag moet worden teruggegeven. Zij kan het Openbaar Ministerie geen last of opdracht geven om beslag in een bepaalde vorm te bewaren. Beide verzoeken van klager vallen buiten de reikwijdte van artikel 552a Sv. Hierover kan de rechtbank dan ook geen oordeel geven.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart het klaagschrift gericht tegen het beslag op grond van artikel 94 Sv ongegrond;
- verklaart het klaagschrift gericht tegen het beslag op grond van artikel 94a Sv ongegrond.
Deze beslissing is op 21 januari 2026 genomen door mr. R.J.H. de Brouwer voorzitter,
mr. L.W. Louwerse en mr. J.P.E. Mullers rechters, in tegenwoordigheid van
mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 21 januari 2026.
Mr. Louwerse en mr. Mullers zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).