Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2737

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
02-258879-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 Wetboek van StrafrechtArt. 33a Wetboek van StrafrechtArt. 36f Wetboek van StrafrechtArt. 57 Wetboek van StrafrechtArt. 311 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor drie diefstallen in woningen, waaronder braak met acht maanden gevangenisstraf

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van drie diefstallen in woningen in september en oktober 2025. Twee van deze diefstallen werden bekennend verklaard, terwijl verdachte het derde feit ontkende. De rechtbank achtte echter op basis van camerabeelden, aangifte en eerdere bekennende verklaringen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook het derde feit heeft gepleegd.

De feiten betreffen diefstallen uit woningen waarbij waardevolle goederen zoals horloges, sieraden en elektronische apparaten werden weggenomen. Eén diefstal vond plaats door middel van braak, een andere door het gebruik van een valse sleutel werd niet bewezen. Verdachte werd vrijgesproken van medeplegen omdat geen bewijs was voor samenwerking met anderen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van acht maanden op, met aftrek van de duur van het voorarrest. De straf werd bepaald op basis van de ernst van de feiten, het recidiverisico en de proceshouding van verdachte, die de ernst van zijn handelen bagatelliseerde. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €2.524 aan materiële schade aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het bewezenverklaarde feit.

Verder werden gereedschappen die bij verdachte waren aangetroffen verbeurd verklaard en werd de bewaring gelast van een in beslag genomen zonnebril. De voorlopige hechtenis werd opgeheven met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan de opgelegde straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf en betaling van €2.524 schadevergoeding met wettelijke rente.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-258879-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 9 april 2026
[verdachte],
geboren [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [locatie] ,
raadsvrouw mr. K.C.A.M. Oomen, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1:op 1 oktober 2025 in [plaats] verschillende goederen heeft gestolen uit een woning;
feit 2: op 1 oktober 2025 in [plaats] verschillende goederen heeft gestolen uit een woning, die hij door middel van braak binnen is gekomen;
feit 3: op 26 september 2025 in [plaats] verschillende goederen heeft gestolen uit een woning, die hij door middel van een valse sleutel binnen is gekomen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert geen bewijsverweer met betrekking tot de feiten 1 en 2. De verdediging bepleit vrijspraak van feit 3. De eerder door verdachte afgelegde bekennende verklaring ziet niet op dit feit en het dossier bevat geen enkel bewijs dat hij op
26 september 2025 in de woning aan [adres 1] in [plaats] is geweest.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten 1 en 2
Verdachte heeft over de feiten 1 en 2 een bekennende verklaring afgelegd. Voor de bewezenverklaring van die feiten wordt daarom volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen in bijlage II.
Feit 3
Uit de aangifte van [benadeelde 1] volgt dat er op 26 september 2025 in haar woning aan [adres 1] in [plaats] een diefstal heeft plaatsgevonden, vermoedelijk tussen 10.30 uur en 15.00 uur. Op camerabeelden van de videodeurbellen van de buren van aangeefster is verdachte, samen met een andere man, op die dag omstreeks 10.32 uur en 10.47 uur te zien aan de voorzijde van de woning van aangeefster.
Bij de politie en de rechter-commissaris heeft verdachte dit feit ontkend, evenals de feiten 1 en 2. Op latere momenten heeft hij echter bekend dat hij de feiten heeft gepleegd. Dat deze bekennende verklaring uitsluitend op de feiten 1 en 2 ziet en niet op feit 3, zoals verdachte ter zitting heeft gesteld, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Al vanaf zijn aanhouding op 1 oktober 2025 is verdachte er – mede gelet op de inhoud van de verhoren – van op de hoogte dat hij verdacht wordt van het plegen van drie feiten. Op 15 oktober 2025 heeft hij deze feiten bij de raadkamer van de rechtbank bekend, in het bijzijn van een tolk en zijn raadsvrouw, door te verklaren: “Ik geef toe dat ik de feiten gepleegd heb.” Op
10 december 2025 is de dagvaarding in persoon aan verdachte betekend, inclusief vertaalde versie in de Poolse taal. Daarop staan alle drie de feiten. Vervolgens heeft verdachte bij de pro forma behandeling op 7 januari 2026, na voordracht door de officier van justitie en wederom in het bijzijn van een tolk en zijn raadsvrouw, desgevraagd zijn geheel bekennende verklaring gehandhaafd.
Gelet op deze gang van zaken houdt de rechtbank verdachte aan zijn eerder afgelegde bekennende verklaring. Op grond van die bekennende verklaring, de aangifte en de omschrijving van de hiervoor genoemde camerabeelden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook feit 3 heeft gepleegd, op de wijze zoals onder 4.4 wordt omschreven.
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de woning van aangeefster door middel van ‘flipperen’ binnen is gekomen en spreekt verdachte daarom vrij van de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid, zijnde het gebruik van een valse sleutel. Ook spreekt de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde medeplegen, omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte de diefstal samen met een of meer anderen heeft gepleegd.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 1 oktober 2025 te [plaats] uit een woning aan [adres 1] onder andere een horloge (merk Hugo Boss) en een jas en een zonnebril en een ring met punt en een ring met drie wit gouden staafjes die aan [benadeelde 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
op 1 oktober 2025 te [plaats] uit een woning aan [adres 2] twee gouden ringen en kleingeld en een doosje met een klokje die aan [benadeelde 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
3
op 26 september 2025 te [plaats] uit een woning aan [adres 1] onder andere een ring met donkerblauwe saffier en twee Garmin gps golf en een iPhone 11 Pro en twee horloges (Tag Heuer Carrera) en een zonnebril (Ray-Ban) en een geldbedrag van 1050 euro die aan [benadeelde 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van de periode die hij in voorarrest heeft gezeten.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om verdachte een gevangenisstraf van maximaal vijf maanden op te leggen, met aftrek van de periode die hij in voorarrest heeft gezeten.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte is medio september 2025 vanuit Polen naar Nederland gekomen. Slechts een aantal dagen later heeft hij zich schuldig gemaakt aan drie diefstallen in woningen, eenmaal door middel van braak. Eén woning is door verdachte zelfs twee keer ‘bezocht’, waarbij hij bij het tweede bezoek op heterdaad is betrapt door een bewoner die op dat moment thuiskwam. Verdachte heeft bij deze diefstallen verschillende waardevolle goederen meegenomen, waaronder sieraden met een emotionele waarde, zoals een trouwring en een erfstuk. Dit strafbare handelen getuigt niet alleen van een gebrek aan respect voor eigendommen van anderen, maar maakt ook inbreuk op de privacy van de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid in hun eigen woning, bij uitstek een plek waar zij zich veilig moeten kunnen voelen. De gedachte dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht, moet voor de slachtoffers onaangenaam en beangstigend zijn. Bovendien zorgen dit soort diefstallen voor onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving als geheel. Verdachte heeft bij deze gevolgen van zijn strafbare handelen kennelijk niet stilgestaan of zich hier simpelweg niet om bekommerd en uitsluitend zijn eigen financiële gewin voorop gesteld. Dit rekent de rechtbank hem zeer aan.
Ook houdt de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening met zijn proceshouding. Na eerder tot tweemaal toe de feiten te hebben bekend, heeft hij ter zitting toch weer één van de diefstallen ontkend, zonder geloofwaardige verklaring voor deze draai. Verdachte lijkt bovendien de ernst van de door hem begane feiten te bagatelliseren. Ter zitting erkende hij dat dergelijke feiten niet zouden moeten gebeuren, maar betoogde hij desondanks dat een gevangenisstraf van maximaal vijf maanden redelijk is, onder meer omdat hij niemand heeft bedreigd of iets heeft aangedaan en niemand bang was in de woningen. Deze houding geeft er geen blijk van dat verdachte de volledige verantwoordelijkheid voor zijn strafbare handelen neemt en evenmin dat hij inziet hoe kwalijk dit handelen daadwerkelijk is.
De persoon van de verdachte
De rechtbank stelt vast dat verdachte in Nederland geen strafblad heeft.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 14 oktober 2025. Hieruit blijkt dat de reclassering het recidiverisico bij verdachte inschat als hoog, maar dat er geen mogelijkheden worden gezien om dit risico met voorwaarden of toezicht te beperken. De reclassering adviseert daarom om verdachte bij een veroordeling een onvoorwaardelijke straf op te leggen.
Ter zitting heeft verdachte toegelicht dat hij in Nederland geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en ook werk of een inkomen ontbreekt.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van de feiten en het reclasseringsadvies ziet de rechtbank aanleiding om een gevangenisstraf op te leggen, zonder voorwaardelijk strafdeel. Bij de bepaling van de duur hiervan heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straftoemeting en naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden is.
De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, wordt in mindering gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

7.Het beslag

7.1.
De verbeurdverklaring
De bij verdachte in beslag genomen hamer en vier schroevendraaiers worden verbeurd verklaard. Deze handgereedschappen zijn op 1 oktober 2025 bij verdachte aangetroffen, nadat hij op heterdaad was betrapt bij de diefstal in de woning aan [adres 1] in [plaats] . Eerder op die dag had verdachte zich ook schuldig gemaakt aan diefstal met braak in de woning aan [adres 2] in [plaats] . Gelet op deze context merkt de rechtbank de handgereedschappen aan als voorwerpen waarmee de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 zijn begaan, dan wel daartoe bestemd waren.
7.2.
De teruggave
Ten aanzien van de bij verdachte in beslag genomen zwarte zonnebril (goednummer: PL2000-2025262912-2913462) wordt de bewaring gelast ten behoeve van de rechthebbende, omdat geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 2.852,- voor feit 3, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Volgens de benadeelde partij is zij door de diefstal in haar woning op 26 september 2025 de volgende goederen kwijtgeraakt: een gouden entourage ring (€ 1.500,-), een ketting met initialen en diamant (€ 304,-), Swarovski oorbellen (€ 150,-), een gouden ring met steentjes (€ 120,-), een Garmin GPS-golf (€ 449,-) en een Chanel zonnebril met parels (€ 329,-).
Primair betwist de verdediging dat er een causaal verband bestaat tussen een deel van de gestelde schade en feit 3, omdat niet alle in de vordering genoemde goederen terugkomen in de tenlastelegging. Subsidiair stelt de verdediging dat de goederen waarvan de waarde niet is onderbouwd niet voor een schadevergoeding in aanmerking komen en dat de schadebedragen van de overige goederen moeten worden gematigd, vanwege de afschrijving van de waarde van die spullen ten tijde van feit 3.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 3. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De verdediging stelt terecht dat niet alle in de vordering van de benadeelde partij genoemde goederen zijn opgenomen in de tenlastelegging van feit 3. Die tenlastelegging bevat echter de woorden ‘onder andere’ en daarmee geen limitatieve opsomming van de weggenomen goederen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat er ook een causaal verband aanwezig kan zijn tussen feit 3 en de niet uitdrukkelijk in die tenlastelegging opgenomen goederen, zodat de benadeelde partij ook voor die goederen een vergoeding kan vorderen.
De gevorderde schadevergoeding wegens het verlies van de gouden entourage ring ter waarde van € 1.500,- en de ketting met initialen en diamant ter waarde van € 304,- acht de rechtbank geheel toewijsbaar. De waarde van deze sieraden blijkt voor de ring uit het door de benadeelde partij overgelegde e-mailbericht van [goudsmederij] van
18 oktober 2025 en voor de ketting uit het aankoopbewijs van 14 mei 2020. Een afschrijving van de waarde acht de rechtbank bij deze sieraden niet aan de orde.
Ook de gevorderde schadevergoeding wegens het verlies van de Swarovski oorbellen ter waarde van € 150,- en de gouden ring met steentjes ter waarde van € 120,- acht de rechtbank geheel toewijsbaar. Ter onderbouwing van de waarde van deze sieraden heeft de benadeelde partij weliswaar geen stukken overgelegd, maar de verdediging heeft deze gestelde waarde onvoldoende gemotiveerd betwist.
De gevorderde schadevergoeding wegens het verlies van de Garmin GPS-golf acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 200,-. Ter onderbouwing van de waarde van dit toestel heeft de benadeelde partij geen stukken overgelegd. De officier van justitie heeft ter zitting opgemerkt dat de goedkoopste uitvoering volgens de website van Garmin ten minste € 200,- waard is en de benadeelde partij heeft deze opmerking tot de hare gemaakt, terwijl de verdediging dit niet heeft weersproken.
Tot slot acht de rechtbank de gevorderde schadevergoeding wegens het verlies van de Chanel zonnebril met parels toewijsbaar tot een bedrag van € 250,-. Uit het door de benadeelde partij overgelegde aankoopbewijs blijkt dat deze zonnebril op 27 juni 2024 voor € 329,- is gekocht, waardoor de waarde op 26 september 2025 door de rechtbank wordt geschat op € 250,-.
In totaal wijst de rechtbank de vordering dus toe tot een bedrag van € 2.524,-. Deze materiële schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit 3.
De rechtbank wijst de vordering van materiële schade voor het overige af.
De rechtbank vermeerdert het totaal toe te wijzen schadebedrag met de wettelijke rente vanaf 26 september 2025, de datum waarop het bewezenverklaarde feit 3 plaatsvond, tot aan de dag der voldoening.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning verzorgt en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:diefstal in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
feit 2:diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
feit 3: diefstal in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van acht maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
Ten aanzien van feit 3:
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 2.524,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
26 september 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 1] , € 2.524,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
26 september 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- verklaart verbeurd de volgende voorwerpen: 5 STK Gereedschap (PL2000-2025262912-G2913012)
- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: 1 STK Zonnebril (PL2000-2025262912-G2913462, zwart);
Voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan de opgelegde onvoorwaardelijke straf.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.K.J. van der Wal, voorzitter, en mr. D. van Kralingen en mr. L.W. Louwerse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 april 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 1 oktober 2025 te [plaats] uit een woning (gelegen aan [adres 1]
[adres 1] ), (onder andere) een horloge (merk Hugo Boss) en/of een jas
en/of een zonnenbril en/of een ring (met punt) en/of een ring (met drie wit gouden
staafjes)
in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een
ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 311 lid 1 ahf Pro/sub 5 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 1 oktober 2025 te [plaats] uit een woning (aan [adres 2]
[adres 2] )
twee (gouden) ringen en/of klein geld en/of een doosje (met een klokje) , in elk
geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan
een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van
het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft
gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
( art 311 lid 1 ahf Pro/sub 5 Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 26 september 2025 te [plaats] uit een woning (gelegen aan [adres 1]
[adres 1] )
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(onder andere) een ring (met donkerblauwe saffier) en/of twee Garmin gps golf
en/of een Iphone 11 Pro en/of 2 horloges (Tag Heuer Carrera) en/of een zonnebril
(Ray Ban) en/of een geldbedrag van 1050 Euro, althans enig geldbedrag, in elk geval
enig goed, die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander
dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met
het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen
goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door
een met een flipper, althans een plat voorwerp tussen een deur en het kozijn van de
woning te wrikken, waardoor die deur werd geopend;
( art 311 lid 1 ahf Pro/sub 4 Wetboek van Strafrecht )