ECLI:NL:RBZWB:2026:2738

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
11887675 \ CV EXPL 25-3069
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Speekenbrink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ontbinding huurovereenkomst en betaling huurachterstand

De verhuurder verhuurt sinds 1 april 2023 een woning aan de huurder tegen een maandelijkse huur van € 2.361,14. De huurder heeft een huurachterstand opgebouwd, waarvoor de verhuurder meerdere malen heeft aangemaand en de huurder heeft aangemeld bij schuldhulpverlening.

Partijen zijn in de procedure overeengekomen dat de huurder een totale schuld van € 15.248,81 (huurachterstand plus proceskosten) uiterlijk 31 maart 2026 zal aflossen en de lopende huurverplichtingen zal blijven nakomen. De huurprijs wordt per 1 april 2026 verhoogd naar € 2.467,39. De verhuurder vraagt om voorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming, welke de huurder niet betwist.

De kantonrechter wijst de gewijzigde vordering toe en bepaalt dat bij niet-naleving van de afspraken de huurovereenkomst ontbonden wordt en de huurder binnen veertien dagen moet ontruimen. Tevens wordt een gebruiksvergoeding van € 2.467,39 per maand toegewezen voor de periode na ontbinding tot ontruiming. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de schuld en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt voorwaardelijk ontbonden en de huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en proceskosten met een ontruimingstermijn van veertien dagen bij niet-naleving.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11887675 \ CV EXPL 25-3069
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[verhuurder],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: R&R Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[huurder],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens.
De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de betaling van een huurachterstand en de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. In overleg met elkaar zijn partijen een voorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst overeengekomen. De kantonrechter zal dienovereenkomstig beslissen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 september 2025
- de conclusie van antwoord van 19 november 2025 met productie 1
- de antwoord akte van [verhuurder] van 3 december 2025
- de antwoord akte van [huurder] van 17 december 2025
- de brief waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de brief namens [verhuurder] van 13 maart 2026 houdende een akte met productie 1 en 2
- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verhuurder] verhuurt met ingang van 1 april 2023 aan [huurder] de woning aan het [adres] (hierna: de woning). De huur bedraagt € 2.361,14 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
[huurder] heeft (een deel van) de huur niet betaald. [verhuurder] heeft [huurder] aangemaand op onder meer 22 juli 2025 en 18 augustus 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
2.3.
[verhuurder] heeft [huurder] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [huurder] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. [verhuurder] heeft [huurder] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.

3.De beoordeling

3.1.
Na bespreking van de zaak verklaren partijen het eens te zijn geworden over het volgende:
a) De huurachterstand berekend tot en met de maand maart 2026 bedraagt € 14.166,-;
b) [huurder] dient de proceskosten te betalen, vastgesteld op
€ 147,81 voor de dagvaarding, € 257,00 voor griffierecht en € 678,00 voor gemachtigdensalaris (2 punten á € 339,00 voor de dagvaarding en voor de mondelinge behandeling), dit betekent dus in totaal € 1.082,81;
c) Partijen spreken af dat de totale schuld wegens huurachterstand en proceskosten wordt vastgesteld op een bedrag van € 15.248,81 welk bedrag [huurder] op uiterlijk 31 maart 2026 zal aflossen door overboeking op [rekeningnummer] ten name van R&R Gerechtsdeurwaarders en incasso onder vermelding van [dossiernummer];
d) [huurder] dient te blijven voldoen aan de lopende huurverplichtingen (inclusief huurverhoging) jegens [verhuurder] , te betalen steeds uiterlijk vóór de eerste dag van de maand. Aan deze afspraak is een termijn gekoppeld voor in ieder geval twaalf maanden na datum vonnis;
e) De huurprijs bedraagt vanaf 1 april 2026 € 2.467,39 per maand.
3.2.
[verhuurder] wijzigt zijn vordering tot hetgeen [huurder] krachtens deze afspraken verschuldigd is en verzoekt de gevorderde ontbinding en ontruiming voorwaardelijk uit te spreken. [huurder] verzet zich niet tegen toewijzing van de gewijzigde vordering.
3.3.
Gehoord de standpunten van partijen, overweegt de kantonrechter dat de onvoldoende betwiste vorderingen, zoals tijdens de mondelinge behandeling gewijzigd, toewijsbaar zijn, met inachtneming van het volgende.
3.4.
Voor zover de overeenkomst wordt ontbonden doordat één van de afspraken niet wordt nagekomen door [huurder] , zal de ontruimingstermijn worden bepaald op veertien dagen. Hierbij wordt overwogen dat [huurder] , indien hij door de betekening van het vonnis kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan, de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn tot ontruiming van het gehuurde over te gaan, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn wordt gezien.
Gebruiksvergoeding
3.5.
Een bedrag van € 2.467,39 per maand zal als gebruiksvergoeding worden toegewezen voor elke maand of gedeelte daarvan dat [huurder] vanaf de datum van ontbinding van de huurovereenkomst in gebreke blijft het gehuurde te ontruimen.
Toezegging tot het doorlopen van de woning
3.6.
[huurder] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat aan zijn kant de bereidheid bestaat om de woning met [verhuurder] te doorlopen opdat eventueel benodigd onderhoud en/of gebreken kunnen worden geconstateerd en verholpen. De kantonrechter gaat ervan uit dat [huurder] zich aan deze toezegging zal houden.
Proceskosten
3.7.
[huurder] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten zoals hiervoor onder 3.1. b) vastgesteld.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.8.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [huurder] om aan [verhuurder] te betalen een bedrag van
€ 15.248,81, bestaande uit achterstallige huurpenningen tot en met de maand maart 2026 en proceskosten,
4.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning te [dossiernummer] en veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurder] zijn, en de sleutels af te geven aan [verhuurder] , indien en zodra in de komende 12 maanden te rekenen vanaf 8 april 2026 aan tenminste één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  • [huurder] voldoet niet tijdig het aflossingsbedrag van € 15.248,81 aan [verhuurder] zoals hiervoor onder 3.1. onder b) is genoemd; en/of
  • [huurder] voldoet niet tijdig enige termijn van de maandelijkse huur;
4.3.
veroordeelt [huurder] om aan [verhuurder] te betalen een bedrag van € 2.467,39 per maand, voor iedere ingegane maand vanaf 1 april 2026 tot het tijdstip van ontbinding van de huurovereenkomst en een bedrag van € 2.467,39 per maand voor iedere ingegane maand na de ontbinding van de huurovereenkomst tot de feitelijke ontruiming van het gehuurde,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Speekenbrink en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.