Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2743

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/1736
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 Wet IB 2001Art. 6.17 Wet IB 2001Art. 38 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op aanslag inkomstenbelasting 2021 en afwijzing aftrek specifieke zorgkosten

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021, waarin de inspecteur het belastbaar inkomen heeft vastgesteld op €54.882 zonder aftrek van specifieke zorgkosten. Belanghebbende had in de aangifte €12.751 aan specifieke zorgkosten opgegeven, maar kon deze kosten niet voldoende onderbouwen.

De rechtbank heeft beoordeeld of de aanslag naar de juiste hoogte is opgelegd en of belanghebbende recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten. De inspecteur heeft de kosten gemotiveerd betwist en belanghebbende heeft onvoldoende bewijs geleverd voor de kosten aan medicijnen, hulpmiddelen en een deel van de zorgkosten. Alleen een bedrag van €300 aan genees- en heelkundige hulp, €68 aan vervoerskosten en €300 aan kleding en beddengoed kwamen in aanmerking.

Omdat het totaal van €668 onder de drempel van €1.415 blijft, is het aftrekbare bedrag nihil. Ook de belastingrente is terecht in rekening gebracht. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, de aanslag blijft ongewijzigd en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2021 wordt ongegrond verklaard en de aftrek van specifieke zorgkosten wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1736

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. M. van Hoorne),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 7 februari 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.882.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 725 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen. Belanghebbende en haar gemachtigde waren niet aanwezig. De griffier heeft voorafgaand aan de zitting telefonisch contact gehad met de gemachtigde van belanghebbende. De gemachtigde heeft toen aangegeven niet bij de zitting aanwezig te zullen zijn waaruit de rechtbank opmaakt dat er met de verzending van de uitnodiging voor de zitting, geen onregelmatigheden hebben plaatsgevonden.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2021 naar de juiste hoogte is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2021 naar de juiste hoogte opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 30 augustus 2022 een aangifte IB/PVV 2021 ingediend. Hierin heeft belanghebbende € 12.751 aan specifieke zorgkosten opgenomen. De drempel voor specifieke zorgkosten voor belanghebbende is € 1.415.
4.1.
De zorgkosten zijn als volgt opgedeeld:
Medicijnen
€ 299
Uitgaven voor hulpmiddelen
€ 546
Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit
€ 5.213
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
€ 750
Genees- en heelkundige hulp
€ 730
Reiskosten ziekenbezoek
€ 5.213
4.2.
Met dagtekening 21 oktober 2022 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB/PVV 2021 opgelegd die gebaseerd is op de aangifte van belanghebbende.
4.3.
Bij brief met dagtekening 2 oktober 2023 heeft de inspecteur om informatie over de persoonsgebonden aftrekpost verzocht.
4.4.
Na contact tussen partijen heeft de inspecteur een voornemen tot afwijking van de aangifte IB/PVV 2021 met dagtekening 25 juli 2023 naar belanghebbende verzonden. De specifieke zorgkosten zijn verlaagd naar nihil.
4.5.
Met dagtekening 20 april 2023 heeft de inspecteur een definitieve aanslag IB/PVV 2021 opgelegd met een verzamelinkomen van € 54.882. Hierin zijn geen specifieke zorgkosten opgenomen.
4.6.
In de bezwaarfase heeft belanghebbende aangegeven gehoord te willen worden. De inspecteur heeft tweemaal drie data voorgesteld om het hoorgesprek in te plannen. Belanghebbende heeft hier niet op gereageerd.

Motivering

Heeft belanghebbende recht op de aftrek specifieke zorgkosten?
5. Om recht te hebben op persoonsgebonden aftrek, waaronder de aftrek voor specifieke zorgkosten, moet er aan cumulatieve voorwaarden voldaan worden. [1] Belanghebbende moet aannemelijk maken dat de kosten in dat jaar zijn gemaakt, de kosten drukken op belanghebbende en de kosten voldoen aan de in de wet opgenomen voorwaarden voor aftrek. Nu de inspecteur de gesteld gemaakte kosten gemotiveerd betwist heeft, rust op belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken de gestelde kosten te hebben gemaakt.
Medicijnen
5.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte € 299 aan kosten voor medicijnen opgegeven. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd die zien op medicijnen. De inspecteur betwist dat de kosten zijn gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij de gestelde kosten heeft gemaakt. De inspecteur heeft daarom terecht geweigerd de gesteld gemaakte kosten in aftrek toe te laten.
Uitgaven voor hulpmiddelen
5.2.
Belanghebbende heeft in de aangifte € 546 aan kosten voor hulpmiddelen opgegeven. De inspecteur betwist dat deze kosten zijn gemaakt. Belanghebbende heeft geen verifieerbare stukken overgelegd die zien op de uitgaven voor hulpmiddelen. Verder heeft belanghebbende aangegeven dat deze hulpmiddelen ook wel eens door vrienden en kennissen werden gehaald. In dat geval drukken de kosten sowieso niet op belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende de uitgaven voor hulpmiddelen niet aannemelijk gemaakt. De inspecteur heeft daarom terecht geweigerd de gesteld gemaakte kosten in aftrek te brengen.
Genees- en heelkundige hulp
5.3.
Belanghebbende heeft in de aangifte € 730 aan kosten voor genees- en heelkundige hulp opgegeven. Belanghebbende heeft onder meer twee declaratieoverzichten voor tandheelkundige zorg overgelegd. Uit deze twee overzichten volgt dat belanghebbende zelf (een deel van) de tandheelkundige zorg heeft moeten betalen. Deze kosten drukken op belanghebbende. Dit gaat om een bedrag van € 300 wat voor aftrek in aanmerking komt, voor zover de drempel gehaald zou worden. Voor de overige kosten voor tandheelkundige zorg en fysiotherapie is niet duidelijk of de kosten drukken op belanghebbende zelf. Deze kosten kunnen daarom niet in aftrek worden genomen. De kosten voor de osteopaat komen naar het oordeel van de rechtbank eveneens niet voor aftrek in aanmerking omdat de osteopaat niet is opgenomen in het BIG-register.
Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit
5.4.
Belanghebbende heeft in de aangifte € 5.213 aan uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit en € 5.213 aan reiskosten ziekenbezoek opgegeven. In het beroepschrift stelt belanghebbende dat € 1.422,80 van de reiskosten in aftrek kan worden genomen. Belanghebbende gaat daarbij uit van een kilometerprijs van € 2,20. De inspecteur voert aan dat de kilometerprijs € 0,19 moet zijn omdat belanghebbende de kilometerprijs van € 2,20 niet aannemelijk heeft gemaakt.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de kilometerprijs van € 2,20 de kosten zijn die werkelijk door belanghebbende zijn gemaakt. De rechtbank gaat daarom uit van een kilometerprijs van € 0,19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende aan de hand van de facturen en overzichten aannemelijk gemaakt dat de tandheelkundige zorg, fysiotherapie en medisch specialistische zorg door belanghebbende is genoten. De kosten voor de hiervoor gereden kilometers komen daardoor voor aftrek in aanmerking. Belanghebbende heeft aangegeven hoeveel kilometers er zouden zijn gereden maar heeft ook desgevraagd door de inspecteur geen inzicht gegeven hoe belanghebbende tot het gesteld aantal gereden kilometers is gekomen. De inspecteur heeft het aantal gereden kilometers berekend via de ANWB routeplanner en komt uit op een totaal van 357 kilometers, wat de rechtbank gelet op de gebruikte adressen logisch voorkomt. De rechtbank volgt de berekening van de inspecteur. De totale uitgaven voor vervoer komen daardoor uit op een bedrag van € 68.
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
5.6.
Belanghebbende heeft in de aangifte € 750 aan extra uitgaven voor kleding en beddengoed opgegeven. De uitgaven voor kleding en beddengoed kunnen forfaitair voor een bedrag van € 300 in aanmerking worden genomen. Een bedrag van € 750 is aftrekbaar indien de uitgaven boven de € 600 uitkomen waarbij belanghebbende dit aannemelijk dient te maken. [2] Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen verifieerbare stukken overgelegd waaruit blijkt dat belanghebbende meer dan € 600 heeft uitgegeven aan deze uitgaven en zijn daarom de hogere gestelde kosten niet aftrekbaar. Belanghebbende heeft recht op een aftrek van € 300, voor zover dit boven de drempel uitkomt.
Tussenconclusie
5.7.
Naar het oordeel van de rechtbank komen voor aftrek in aanmerking de uitgaven voor genees- en heelkundige hulp van € 300, de uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit van € 68 en de extra uitgaven voor kleding en beddengoed van € 300. Dit is in totaal € 668.
5.8.
Voor de aftrek voor specifieke zorgkosten geldt een drempelbedrag. Voor belanghebbende is het drempelbedrag € 1.415. Omdat de kosten die voor aftrek in aanmerking komen niet boven het drempelbedrag uitkomen is het aftrekbare bedrag nihil. De aanslag IB/PVV 2021 is naar het juiste bedrag opgelegd.
Belastingrente
6. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2021 niet verminderd zal worden. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 6.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) en artikel 6.17 van de Wet IB.
2.Artikel 38, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.