Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2754

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
26/1272 JW VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbJeugdwet Artikel 1.1Jeugdwet Artikel 2.3Verordening Jeugdhulp gemeente [plaats 1] 2025 Artikel 3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening voor vaste plaats jeugdhulp bij huidige zorgaanbieder

Verzoeker, een jeugdige met complexe gedragsproblemen, verbleef sinds 2024 in diverse crisisopvangplekken en kreeg een tijdelijke indicatie voor verblijf bij een zorgaanbieder in afwachting van een passende langdurige plek. Verzoeker en zijn ouders wensten een vaste plaats bij deze zorgaanbieder, omdat zij van mening waren dat de huidige begeleiding beter aansloot bij zijn behoeften en ontwikkeling.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout heeft na onderzoek, inclusief advies van een gedragswetenschapper en multidisciplinair overleg, geconcludeerd dat een gezinshuis de meest passende woonvoorziening is. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college zorgvuldig heeft gehandeld en zich terecht baseerde op deskundige rapportages en beschikbare informatie.

Hoewel verzoeker bezwaar maakte tegen plaatsing in een gezinshuis, met name vanwege de afstand tot school, werk en sociale contacten, is dit geen reden om de tijdelijke indicatie voor verblijf bij de huidige zorgaanbieder te verlengen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat niet is gebleken dat de huidige situatie onhoudbaar is en het college een redelijke afweging heeft gemaakt.

De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor verlenging van verblijf bij de huidige zorgaanbieder wordt afgewezen omdat een gezinshuis de meest passende woonvoorziening is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1272 JW VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. F. Kaloudis)
(wettelijk vertegenwoordigers/ouders: [ouder 1] en [ouder 2] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, (het college), verweerder,
(gemachtigde: mr. L. Hagebols).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een indicatie op grond van de Jeugdwet (JW). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1
Het college heeft met het besluit van 26 februari 2026 (bestreden besluit) jeugdhulp toegekend voor 43A38 – Verblijf zwaar: 7 Etmaal bij hulpverlener Zorgaanbieder onbekend in de periode 29 oktober 2025 tot en met 28 april 2026. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde van verzoeker, verzoekers vader [ouder 1] ,
[naam 1] (van PlusZorg, de Wlz-begeleider van verzoekers moeder), de gemachtigde van het college, procesbegeleider jeugd [naam 2] en gedragswetenschapper [naam 3] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1
Verzoeker ( [verzoeker] ), geboren op [datum] 2009, woonde samen met zijn ouders, broertje en zusje in [plaats 1] . Sinds begin 2024 hebben zich meerdere incidenten en escalaties met verbale en fysieke agressie tussen verzoeker en zijn vader/ouders voorgedaan. Daarvan is melding gemaakt bij Veilig Thuis en verzoeker heeft een aantal keer in de crisisopvang verbleven. Zo heeft hij in maart/april 2024 verbleven op een crisisplaats bij Amarant en vanaf 29 juni 2025 op crisisgroep [groep] van Sterk Huis. Vanaf eind juli 2025 verblijft verzoeker op een groep van [hulpverlening] . Voor dit verblijf heeft het college over de periode van 29 juli 2025 tot en met 29 oktober 2025 een indicatie afgegeven, in afwachting van een passende langdurige vervolgplek bij Sterk Huis of een andere zorgaanbieder. Verzoekers ouders hebben in het multidisciplinair overleg van 27 november 2025 en het plan van aanpak van
4 december 2025 aan het college verzocht om verzoeker langdurig te laten verblijven bij [hulpverlening] .
3.2
Met het besluit van 18 december 2025 heeft het college aan verzoeker over de periode van 1 december 2025 tot en met 31 augustus 2026 45A48 – Begeleiding Zwaar bij [B.V.] toegekend voor 216 uur. Het gaat om systeembehandeling en traumabehandeling voor vergroting van verzoekers weerbaarheid, emotieregulatie en verbetering van de communicatie met zijn ouders.
Eerder heeft het college onder meer één op één begeleiding gepaard gaande met systeembehandeling door JIJ-Jeugdhulp aan verzoeker toegekend, ambulante spoedhulp en multisysteemtherapie.
3.3
Op 19 februari 2026 heeft verzoeker het college in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig besluiten op het verzoek om verlenging van het verblijf bij [hulpverlening] .
3.4
Met het bestreden besluit van 26 februari 2026 heeft het college aan verzoeker over de periode van 29 oktober 2025 tot en met 28 april 2026 jeugdhulp toegekend:
43A38 – Verblijf zwaar ‘7 Etmaal bij hulpverlener Zorgaanbieder onbekend’.
Op zitting heeft het college bevestigd dat hiermee beoogd is een (tijdelijke) maatwerkvoorziening voor verblijf bij [hulpverlening] toe te kennen.
3.5
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en hangende dat bezwaar aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoek
4.1
Verzoeker is het niet eens met verlenging van de crisisplaatsing bij [hulpverlening] . Hij wenst een indicatie voor een vaste plaats bij [hulpverlening] . Verzoeker verblijft inmiddels
8 maanden in de crisisopvang terwijl dit maar 3 maanden had moeten zijn. In de tussentijd krijgt verzoeker niet de begeleiding die hij nodig heeft. Hij krijgt niet individuele begeleiding voor traumaverwerking of emotieregulatietherapie. Het is van groot belang dat verzoeker wordt geplaatst in een instelling waar hij de juiste hulp en begeleiding ontvangt en hij kan werken aan herstel, zowel voor zichzelf als het gezin. De huidige situatie is inmiddels onhoudbaar.
4.2
De opvang bij [hulpverlening] is volgens verzoeker passend. Vanuit [hulpverlening] kan hij doorstromen naar de voorbereiding op begeleid wonen en uiteindelijk naar begeleid wonen in [plaats 2] . Verzoeker volgt een BBL-opleiding in [plaats 2] en werkt daarnaast in [plaats 1] .
Het college heeft in verschillende MDO’s aangegeven dat hij verzoeker in een gezinshuis wil plaatsen. Verzoeker en zijn ouders zijn het daarmee niet eens en hebben dat kenbaar gemaakt. [hulpverlening] heeft aangeboden de benodigde hulpverlening te willen en kunnen bieden zodra er een indicatie van het college is.
4.5
Verzoeker heeft in de maanden dat hij bij [hulpverlening] verblijft een vorm van verzelfstandiging opgedaan waarbij plaatsing in een vast woonverblijf bij [hulpverlening] een logische stap zou zijn, gelet op de ontwikkeling die verzoeker daar zou kunnen doormaken. Om de behandeling bij [B.V.] voor het herstelcontact succesvol te kunnen laten zijn, is het noodzakelijk dat individuele psychologische behandeling voor traumaverwerking en emotieregulatietherapie bij [hulpverlening] plaatsvindt.
4.6
Het is onwenselijk om verzoeker na 8 maanden bij [hulpverlening] weer te laten verhuizen naar een andere locatie, gelet op zijn persoonlijkheid en de ontwikkeling die hij doorgemaakt heeft. Het plaatsen in een gezinshuis is niet wenselijk. [hulpverlening] geeft ook aan dat verzoeker ‘te goed is’ voor plaatsing in een gezinshuis en dat hij juist vooruit moet. De plaatsing in het gezinshuis zou in [plaats 3] zijn. Dat zou betekenen dat verzoeker niet meer naar zijn opleiding en werk kan. Het is verzoeker niet haalbaar die afstand met het openbaar vervoer af te leggen.
Juridisch kader
5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voor de beoordeling van het beroep verder belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de voorzieningenrechter
6.1
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
Verzoeker heeft op dit moment een indicatie voor verblijf bij [hulpverlening] . Niet is gebleken dat de situatie daar onhoudbaar is, zoals door verzoeker gesteld. Dat blijkt niet uit het Voortgangsverslag van gedragswetenschapper [naam 4] van [hulpverlening] van 16 januari 2026 noch uit de verdere informatie in het dossier.
Alhoewel de voorzieningenrechter daarom twijfels heeft bij de spoedeisendheid van het verzoek om een voorlopige voorziening, geeft zij – mede gelet op het feit dat de huidige verblijfsindicatie binnenkort afloopt – verzoeker het voordeel van de twijfel en zal het verzoek om voorlopige voorziening inhoudelijk beoordelen.
6.2
Verzoeker heeft verzocht om een vaste plaats bij [hulpverlening] zodat de crisisplaatsing beëindigd kan worden. Op zitting is echter gebleken dat de plaats bij [hulpverlening] niet een crisisplaats betreft maar een reguliere plaats. Verzoeker wenst voortzetting van het verblijf bij [hulpverlening] zodat kan worden gestart met behandeling/ begeleiding en kamertraining zodat toe kan worden gewerkt naar begeleid wonen.
6.3
Het college heeft toegelicht dat hij onderzoek heeft verricht naar de meest passende woonvoorziening voor verzoeker en in afwachting van de resultaten daarvan een tijdelijke indicatie bij [hulpverlening] heeft verstrekt. Het college heeft voor het onderzoek de expertise van een gedragswetenschapper ingewonnen. Daarnaast zijn er verschillende MDO’s geweest en is onder meer informatie van [hulpverlening] , Sterk Huis, JIJ Jeugdhulp en [B.V.] betrokken.
De gedragswetenschapper heeft op 13 maart 2026 aanvullend gerapporteerd. In dat rapport heeft zij geconcludeerd dat een gezinshuis de meest passende voorziening is. Een zelfstandigheidstraject/kamertraining stelt volgens de gedragswetenschapper op dit moment hogere eisen aan verzoekers emotionele zelfregulatie dan hij in stressvolle situaties kan dragen en dat brengt een verhoogd risico op overbelasting en terugval mee.
Het college voert aan dat in de afgelopen maanden een duidelijke visie is geformuleerd op de best passende plek voor verzoeker. Dat is een gezinshuis. Daarom is een langer verblijf van verzoeker bij [hulpverlening] niet aan de orde.
Het college stelt dat uit onderzoek verder is gebleken dat er momenteel alleen in een gezinshuis in [plaats 4] plaats is. Het college heeft geprobeerd een gezinshuis dichter bij [plaats 2] of [plaats 1] te vinden maar dat is niet gelukt. Er is recentelijk contact geweest met Sterk Huis. Die heeft aangegeven geen plaats te hebben en (nogmaals) dat verzoeker nog niet klaar is voor zelfstandigheidstraining. Uit het verslag van het MDO van 11 september 2025 blijkt dat Sterk Huis eerder ook al eens heeft aangegeven dat zelfstandigheidstraining niet geboden kan worden.
6.4
Namens verzoeker is in eerste instantie gesteld dat hij niet wil worden geplaatst in een gezinshuis. Op zitting is dit standpunt genuanceerd in die zin dat er geen bezwaar bestaat tegen een gezinshuis, maar wel tegen een gezinshuis in [plaats 4] vanwege de afstand van school, werk, sociale contacten en ouders. Verzoeker handhaaft daarom zijn verzoek om voortzetting van zijn verblijf bij [hulpverlening] .
6.5
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het onderzoek van het college voldoende zorgvuldig is geweest. Het college heeft een gedragswetenschapper geraadpleegd en de beschikbare (medische) informatie betrokken, waaronder ook informatie van [hulpverlening] zelf. Het college heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter mogen baseren op die informatie en kunnen stellen dat een gezinshuis de meest passende voorziening is.
Verzoeker of zijn ouders hebben geen informatie overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat is gebleken dat verzoeker en zijn ouders informatie van bijvoorbeeld [B.V.] en Prisma maar deels hebben overgelegd en andere informatie in het geheel niet. Het college heeft zich daarom alleen kunnen en mogen baseren op de wel beschikbare informatie, gesprekken en eigen bevindingen. Zoals overwogen, heeft het college op basis daarvan kunnen concluderen dat een gezinshuis de meest passende oplossing voor verzoeker is en er daarom geen aanleiding is om de tijdelijke indicatie voor verblijf bij [hulpverlening] toe te kennen over een langere periode dan in het bestreden besluit is gedaan.
Tijdens de mondelinge behandeling is ook gesproken over het gezinshuis in [plaats 4] en de situatie na 28 april 2026. In deze uitspraak zal de rechtbank daar verder niet op ingaan. Over de locatie van dat gezinshuis kan de voorzieningenrechter geen oordeel vellen. Dat betreft een feitelijke handeling, die is onderworpen aan civielrechtelijke rechtsbescherming. Ook valt dit buiten de reikwijdte van het bestreden besluit dat in deze procedure voorligt: een tijdelijke indicatie voor verblijf bij [hulpverlening] .
Omdat het college heeft kunnen concluderen dat een gezinshuis de meest passende oplossing is voor verzoeker, heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter een tijdelijke verblijfsindicatie bij [hulpverlening] kunnen verstrekken. De voorzieningenrechter heeft dan ook de verwachting dat het bestreden besluit in bezwaar standhoudt en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Als gevolg hiervan heeft verzoeker geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier op 13 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: relevante wetgeving

Jeugdwet
Artikel 1.1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- Jeugdhulp:
1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;
2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en
3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt,
met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht;
jeugdhulp met verblijf:jeugdhulp die verblijf van een jeugdige of ouder in een accommodatie gedurende ten minste een etmaal met zich brengt;
- opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen:
1°. psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;
2°. beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie in verband met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, en
3°. een tekort aan zelfredzaamheid in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;
Artikel 2.3
1. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:
a. gezond en veilig op te groeien;
b. te groeien naar zelfstandigheid, en
c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,
rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
4. Het college houdt bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening met:
a. behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en
b. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.
5. Voor zover redelijkerwijs mogelijk, wordt de jeugdige en zijn ouders keuzevrijheid geboden met betrekking tot de activiteiten van jeugdhulp.
6. Het college draagt er zorg voor dat de jeugdige in het geval van een uithuisplaatsing, indien redelijkerwijs mogelijk, bij een pleegouder of in een gezinshuis wordt geplaatst, tenzij dit aantoonbaar niet in het belang is van de jeugdige.
Verordening Jeugdhulp gemeente [plaats 1] 2025
Artikel 3. Vormen van Jeugdhulp
3. De volgende vormen van niet vrij-toegankelijke individuele voorzieningen zijn beschikbaar:
• Begeleiding individueel;
• Begeleiding bij het dagelijkse leven groep;
• Dagbesteding;
• Vervoer;
• Ambulante behandeling bij ontwikkelingsproblematiek en/of problematiek in relatie tot een licht verstandelijke beperking;
• Ambulante behandeling van psychische en psychiatrische problematiek;
• Vaktherapie;
• Behandeling van Ernstige Dyslexie (ED);
• Pleegzorg;
• Gezinshuiszorg;
• Verblijfszorg;
• Crisishulp;
• Jeugdzorg Plus;
• Landelijk Transitiearrangement (LTA);
• Sociaal Medische Indicatie (SMI).