Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie met producties,
- de aanvullende producties van Kopare ,
- de mondelinge behandeling van 26 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van Kopare ,
- de pleitnota van Kapulanthis .
2.De feiten
3.Het geschil in conventie
4.Het geschil in voorwaardelijke reconventie
5.De beoordeling in conventie
“als wij er dan uitkomen morgen maken we een kovk tussen kapulanthis en kopare . Dat is de bedoeling?”en daarop door Kopare bevestigend is gereageerd
.Tot een getekende koopovereenkomst is het, ook voor de zes percelen, niet gekomen. Om vervolgens toch in dit kort geding te kunnen concluderen dat desondanks een koop tot stand is gekomen is vereist dat op grond van de stellingen van partijen en de door hen gegeven onderbouwing van deze stellingen waarschijnlijk is dat de bodemrechter van een bindende koopovereenkomst tussen partijen zal uitgaan. Daarvan is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.
“Miz kan er nog steeds tussen ons een koopovereenkomst gesloten worden.”daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat er op 11 juni 2025 al overeenstemming tussen partijen bestond over de koop van de 51 percelen en de zes percelen. Ook geeft Kapulanthis op 16 juli 2025 aan:
“ik koop eerst die 51 kavels en later pas de rest i.v.m. wat onduidelijkheid over Dus graag de eindnota van notaris aanpassen”.
“Inzetten sowieso, maar ga niks meer, tekenen of akkoord geven tot dat dit afgewerkt is”. Dat Kapulanthis eerst de notariële levering van de 51 percelen wil afwikkelen wordt daarna in augustus 2025 en september 2025 een aantal keer herhaald.