Uitspraak
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
1.Het (verdere) procesverloop
- het bericht van 6 februari 2026 van de GI, met bijlage;
- de brief van mr. Scholten van 6 februari 2026.
2.De (nadere) beoordeling
- één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot maandagochtend;
- de helft van de schoolvakanties.
- eens per twee weken van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school. De vrouw haalt [minderjarige] op van school en zij brengt [minderjarige] op maandagochtend naar school;
- de helft van de schoolvakanties (te verdelen bij het opstellen van een ouderschapsplan).
De rechtbank heeft op basis van de verrichte onderzoeken geen zorgen over de fysieke veiligheid van [minderjarige] bij beide ouders. De moeder heeft ook expliciet aangegeven dat zij zich geen zorgen maakt over de fysieke veiligheid van [minderjarige] bij haar vader. Uit het traject van Goed Genoeg Ouderschap blijkt voorts dat de opvoedsituaties van beide ouders als voldoende veilig zijn beoordeeld en ook uit het aanvullend rapport van de Raad van 29 januari 2026 blijkt voldoende dat er geen zorgen zijn over de veiligheid van [minderjarige] bij één van de ouders. De rechtbank gaat er van uit dat beide ouders het beste met [minderjarige] voor hebben en in staat zouden moeten zijn om goed genoeg ouderschap bieden voor [minderjarige] . De rechtbank heeft wel zorgen over de angst van de moeder voor vader en over de emotionele veiligheid van [minderjarige] , vanwege de spanningen die er tussen de ouders onderling nog steeds zijn en de angst die de moeder heeft. Ook wenst de rechtbank meer zicht de opvoedvaardigheden en rol van oma vaderszijde, nu zij een structurele en aanzienlijke rol heeft in de verzorging van [minderjarige] . Hier moet onder regie van de GI verder aan gewerkt worden. De rechtbank verwijst naar hetgeen hierover in de beschikking inzake (bekend onder kenmerk C/02/443861/ JE RK 26-44) is overwogen.
3.De beslissing
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.