In diens aanvullend rapport van 29 januari 2026 stelt de Raad dat uit de analyse van de informatie uit de MASIC blijkt dat er sprake is geweest van een gezinssysteem dat onderhevig was aan stress ten gevolge van diverse factoren, welke mede hebben geleid tot conflicten in het gezin. De relatie tussen de man en de vrouw was aanleiding voor de vele onderlinge spanningen waarbij het toekomstperspectief onvoorspelbaar was. De relatiebreuk in combinatie met onverwerkte geleden eigen verliezen en de verliezen ten gevolge van een scheiding maken ook dat er sprake is (geweest) van een heftige conflictscheiding, waarbij dreigingen vanuit het ex-partnerschap de ouderschapstransitie hebben overruled. Hoewel er vanuit [minderjarige] weinig tot geen bijzonderheden in haar functioneren en ontwikkeling naar voren zijn gekomen gedurende het onderzoek, is uit de literatuur bekend dat ook jonge kinderen angst, spanningen en stress voelen door en als gevolg van het gedrag van ouders, waarvoor tot op heden door ouders en de GI geen hulpverlening is ingezet. Het is van belang dat er zicht op komt of dit bij [minderjarige] mogelijk speelt en zo ja, wat hier dan voor moet worden ingezet. Wanneer het de ouders niet lukt om, onder begeleiding van de GI, in de nabije toekomst, neutraal en effectief te leren communiceren als ouders, waarbij het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] centraal staat, is de kans groot dat [minderjarige] het lastig gaat vinden om beide ouders lief te vinden. Ook is het niet ondenkbaar dat de vrouw de angst die zij voor de man voelt onbewust, bijvoorbeeld middels stemgebruik, lichaamstaal en woorden overbrengt op [minderjarige] waardoor zij zich onveilig kan gaan voelen bij haar vader waardoor hun relatie onder druk komt te staan. De Raad vindt het dan ook sterk van de vrouw dat zij gaat toewerken naar een laatste EMDR-traject om te werken aan haar (jeugd)trauma’s en angst voor de man.
Naast zorgen over de slechte verstandhouding en het ontbreken van enige vorm van communicatie tussen ouders ten behoeve van [minderjarige] heeft de Raad gedurende het onderzoek in toenemende mate zorgen gekregen over de mate waarin de vrouw in staat is om in uiteenlopende omstandigheden de behoeften van [minderjarige] voorop te stellen. Bij beide ouders is een traject van Goed Genoeg Ouderschap ingezet. Zowel de man als de vrouw voldoen in grote mate aan de criteria van het Goed Genoeg Ouderschap. Voor de Raad is het evenwel de vraag of op basis van de resultaten uit het onderzoek GGO de ‘overall’ conclusie getrokken kan worden dat moeder voldoet aan ‘goed genoeg ouderschap’. De condities waaronder dit onderzoek is afgenomen bij de vrouw, kortdurend en uitsluitend tijdens begeleide omgang, waarbij [persoon] , het halfbroertje van [minderjarige] , niet altijd aanwezig was én haar toenmalige partner geen een keer aanwezig was, roept namelijk de vraag op hoe de vrouw als opvoeder is als zij gedurende een langere periode alleen voor beide kinderen moet zorgen en in hun dagdagelijkse behoeften moet voorzien. De Raad blijft zorg houden over in hoeverre de vrouw tegemoet kan komen aan hetgeen [minderjarige] nodig heeft, te weten veiligheid, structuur en stabiliteit.
De Raad concludeert dat er zorgen zijn over het veilig opgroeien van [minderjarige] die door de gesignaleerde krachten niet worden weggenomen. De Raad is bezorgd dat als er niks verandert, de contacten tussen ouders spanningsvol verlopen en ertoe kunnen leiden dat het contact tussen de vrouw en [minderjarige] stopt of spanningsvol blijft verlopen. [minderjarige] heeft een veilige, liefdevolle en gestructureerde omgeving nodig, waarbij er sensitief en responsief wordt gereageerd op haar behoeften, waardoor zij gestimuleerd wordt in haar ontwikkeling.
De Raad vindt het daarnaast van belang dat er sprake is van een situatie waarin [minderjarige] blijvend stabiliteit ervaart over de plek waar zij opgroeit. Tevens vindt de Raad het belangrijk dat het contact tussen [minderjarige] en haar moeder structureel, voorspelbaar en veilig verloopt en niet (zoals afgelopen zomer is gebeurd nadat het contact na een jaar net was hersteld) wordt afgezegd, zodat [minderjarige] in staat wordt gesteld ook met moeder (en [persoon] ) een liefdevolle verbondenheid (verder) te ontwikkelen.
De Raad is van mening dat de opvoedsituatie bij de man (en grootouders vaderszijde), tegemoetkomt aan de behoeften van [minderjarige] en dat haar toekomst geborgd is in dit gezin. Er zijn hierover geen zorgen naar voren gekomen in het raadsonderzoek. Zodoende vindt de Raad het in het belang van [minderjarige] dat zij bij de man blijft wonen. De Raad adviseert dan ook het verzoek van de man tot het vaststellen van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem, toe te wijzen. Hierbij vindt de Raad het van belang dat de man voorlopig ondersteund blijft worden in de wijze waarop hij [minderjarige] kan stimuleren in haar ontwikkeling, maar ook in het (onderhouden van het) contact met de vrouw. De wijze waarop de man hier momenteel, met behulp van IPT, aan meewerkt, vindt de Raad positief. De Raad vindt gezamenlijk gezag over [minderjarige] voor ouders passend en adviseert de rechtbank om het verzoek van vader toe te wijzen. Dit vindt de Raad noodzakelijk omdat de man nu geen beslissingen ten behoeve van [minderjarige] kan en mag nemen terwijl zij al bijna twee jaar volledig bij hem woont en ook blijft wonen. Hoewel het ouders op dit moment (nog) niet lukt om gezamenlijk beslissingen te nemen over [minderjarige] , meent de Raad dat binnen de ondertoezichtstelling hieraan gewerkt kan worden middels de inzet van gespecialiseerde hulpverlening zoals individuele systeemtherapie of parallel solo ouderschap, zodat ouders tot (mogelijk een schriftelijk) neutrale en effectieve wijze van communiceren komen in het belang van [minderjarige] . Daarnaast dient er een uitgebreid ouderschapsplan opgesteld te worden aan de hand van de huidige situatie teneinde ruis en onduidelijkheden in de toekomst te voorkomen. Daarnaast kan de vrouw er inmiddels achter staan dat de man ook gezag over [minderjarige] krijgt, nu zij naar eigen zeggen aanvaard heeft dat [minderjarige] bij haar vader blijft opgroeien. De Raad gunt [minderjarige] een fijn en onbelast contact met haar beide ouders, waarin zij zich blijvend emotioneel en fysiek veilig voelt zodat zij zich op haar eigen ontwikkeling kan focussen. Gezien het feit dat [minderjarige] al veel ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt in haar jonge leventje en er langdurig sprake is geweest van contactverlies met moeder vindt de Raad het belangrijk dat de GI een screening van de gehechtheidsrelatie van [minderjarige] met haar beide ouders laat afnemen en indien daar aanleiding toe is het aanvragen van aanvullend onderzoek door een specialist. Ondanks haar jonge leeftijd heeft [minderjarige] al (te) veel meegekregen van de scheiding van haar ouders. De Raad denkt dat het helpend voor haar kan zijn wanneer de GI haar aanmeldt voor een training zoals ‘[training]’. Ten slotte meent de Raad dat het inzetten van ambulante hulpverlening in de thuissituatie van de vrouw noodzakelijk is om de (uitbreiding van) omgang met [minderjarige] gedurende langere periode te monitoren. De Raad vindt dat deze verschillende vormen van hulp zo spoedig mogelijk opgestart dienen te worden. Omdat het belangrijk is dat [minderjarige] en haar ontwikkeling centraal blijven staan en de betrokken hulpverlening samenwerkt, is het in de visie van de Raad raadzaam om – indien mogelijk - alle (nieuwe) benodigde hulpverlening onder te brengen bij dezelfde zorgaanbieder. Op die manier kunnen korte lijnen gewaarborgd worden en wordt versnippering van de zorg voorkomen. De Raad adviseert een zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] vast te stellen die wordt opgebouwd tot uiterlijk 1 juli 2026 en op basis waarvan er contact tussen hen plaatsvindt: