Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2759

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/426781/ FA RK 24-4355
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hendriks
  • Haesen
  • Van Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:253c BWArt. 810 RvArtikel 2 Besluit GezagsregistersArtikel 31 Verdrag van Istanbul
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling gezamenlijk gezag, hoofdverblijf en zorgregeling minderjarige na conflictscheiding

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot vaststelling van gezamenlijk gezag, hoofdverblijf en zorgregeling voor een minderjarige na een conflictscheiding tussen de ouders. Uit onderzoek bleek dat het gezinssysteem onder stress stond door diverse factoren, waaronder een heftige conflictscheiding en spanningen tussen de ouders. De minderjarige woont al bijna twee jaar bij haar vader, waar zij een stabiele en veilige opvoedsituatie heeft.

De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden gezamenlijk gezag toe te wijzen en het hoofdverblijf bij de vader te laten. De moeder heeft angst voor de vader, wat de communicatie bemoeilijkt, maar beide ouders voldoen grotendeels aan het criterium van goed genoeg ouderschap. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat de ouders gezamenlijk gezag uitoefenen en dat de vader het hoofdverblijf heeft.

De zorgregeling wordt gefaseerd uitgebreid, te beginnen met omgang eens per twee weken van vrijdag na school tot zaterdagavond, met een opbouw naar een regeling van elk tweede weekend en de helft van de schoolvakanties. De overdracht vindt plaats onder begeleiding van een neutrale persoon of jeugdzorg. De rechtbank benadrukt het belang van gespecialiseerde hulpverlening en goede communicatie onder regie van de gecertificeerde instelling om de veiligheid en het welzijn van de minderjarige te waarborgen.

Uitkomst: De rechtbank stelt gezamenlijk gezag vast, bepaalt het hoofdverblijf bij de vader en regelt een gefaseerde omgangsregeling met de moeder.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/426781/ FA RK 24-4355
Datum uitspraak: 10 maart 2026
nadere beschikking over gezag, hoofdverblijf en zorgregeling
[de man],
hierna te noemen de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.X. Scholten te Vlissingen.
Ouders van de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
- STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELANDgevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI).
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het (verdere) procesverloop

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 21 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- het aanvullend rapport van de Raad van 29 januari 2026;
- de brief van mr. Scholten van 29 januari 2026;
- het F9-formulier van mr. Scholten van 30 januari 2026, met bijlagen;
1.2.
Op 2 februari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de verzoeken van partijen tijdens de zitting met gesloten deuren nader mondeling behandeld. Eveneens zijn op deze zitting de verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing (bekend onder kenmerk C/02/443861/ JE RK 26-44) behandeld. In deze zaak is bij separate beschikking van 2 februari 2026 beslist.
1.3.
Verschenen en gehoord zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw (via een videoverbinding), bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster namens de GI;
- een vertegenwoordiger namens de Raad.
1.4.
Na de zitting is met instemming van partijen en toestemming van de rechtbank nog ontvangen:
  • het bericht van 6 februari 2026 van de GI, met bijlage;
  • de brief van mr. Scholten van 6 februari 2026.

2.De (nadere) beoordeling

2.1.
De rechtbank verwijst naar de eerder gegeven tussenbeschikkingen van respectievelijk 14 maart 2025, 13 juni 2025 en 21 november 2025, de daarin genoemde stukken en hetgeen daarin is overwogen en beslist. In de laatstgenoemde beschikking van 21 november 2025 heeft de rechtbank de Raad verzocht aanvullend onderzoek te doen naar de in r.o. 2.8 van die beschikking geformuleerde vragen.
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 11 februari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 11 februari 2026. Daarbij is eveneens een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [minderjarige] bij haar vader met ingang van 11 februari 2025 en tot 14 mei 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij haar vader is sedertdien verlengd. Bij beschikking van 2 februari 2026 bekend onder kenmerk C/02/443861/ JE RK 26-44 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de man voor het laatst verlengd met ingang van 11 februari 2026 en tot 11 juli 2026, onder aanhouding van het restant.
2.3.
In onderhavige zaak zijn nog ter beoordeling
de verzoeken van de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat partijen voortaan gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uitoefenen;
II. te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de man heeft;
III. het voorwaardelijke verzoek om in het geval de verzoeken omtrent het gezamenlijk gezag, het hoofdverblijf en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing worden afgewezen, een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen inhoudende dat er omgang tussen de man en [minderjarige] zal zijn zo lang [minderjarige] niet naar school gaat om de week met het wisselmoment op zondag 17:00 uur en als [minderjarige] naar school gaat ieder weekend van vrijdag uit school tot maandag voor school;
en het, thans gewijzigde, zelfstandig verzoek van de vrouw om, indien het hoofdverblijf bij de man wordt bepaald, een contactregeling vast te stellen, waarbij er contact tussen de vrouw en [minderjarige] is:
  • één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot maandagochtend;
  • de helft van de schoolvakanties.
De standpunten
2.4.
In diens aanvullend rapport van 29 januari 2026 stelt de Raad dat uit de analyse van de informatie uit de MASIC blijkt dat er sprake is geweest van een gezinssysteem dat onderhevig was aan stress ten gevolge van diverse factoren, welke mede hebben geleid tot conflicten in het gezin. De relatie tussen de man en de vrouw was aanleiding voor de vele onderlinge spanningen waarbij het toekomstperspectief onvoorspelbaar was. De relatiebreuk in combinatie met onverwerkte geleden eigen verliezen en de verliezen ten gevolge van een scheiding maken ook dat er sprake is (geweest) van een heftige conflictscheiding, waarbij dreigingen vanuit het ex-partnerschap de ouderschapstransitie hebben overruled. Hoewel er vanuit [minderjarige] weinig tot geen bijzonderheden in haar functioneren en ontwikkeling naar voren zijn gekomen gedurende het onderzoek, is uit de literatuur bekend dat ook jonge kinderen angst, spanningen en stress voelen door en als gevolg van het gedrag van ouders, waarvoor tot op heden door ouders en de GI geen hulpverlening is ingezet. Het is van belang dat er zicht op komt of dit bij [minderjarige] mogelijk speelt en zo ja, wat hier dan voor moet worden ingezet. Wanneer het de ouders niet lukt om, onder begeleiding van de GI, in de nabije toekomst, neutraal en effectief te leren communiceren als ouders, waarbij het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] centraal staat, is de kans groot dat [minderjarige] het lastig gaat vinden om beide ouders lief te vinden. Ook is het niet ondenkbaar dat de vrouw de angst die zij voor de man voelt onbewust, bijvoorbeeld middels stemgebruik, lichaamstaal en woorden overbrengt op [minderjarige] waardoor zij zich onveilig kan gaan voelen bij haar vader waardoor hun relatie onder druk komt te staan. De Raad vindt het dan ook sterk van de vrouw dat zij gaat toewerken naar een laatste EMDR-traject om te werken aan haar (jeugd)trauma’s en angst voor de man.
Naast zorgen over de slechte verstandhouding en het ontbreken van enige vorm van communicatie tussen ouders ten behoeve van [minderjarige] heeft de Raad gedurende het onderzoek in toenemende mate zorgen gekregen over de mate waarin de vrouw in staat is om in uiteenlopende omstandigheden de behoeften van [minderjarige] voorop te stellen. Bij beide ouders is een traject van Goed Genoeg Ouderschap ingezet. Zowel de man als de vrouw voldoen in grote mate aan de criteria van het Goed Genoeg Ouderschap. Voor de Raad is het evenwel de vraag of op basis van de resultaten uit het onderzoek GGO de ‘overall’ conclusie getrokken kan worden dat moeder voldoet aan ‘goed genoeg ouderschap’. De condities waaronder dit onderzoek is afgenomen bij de vrouw, kortdurend en uitsluitend tijdens begeleide omgang, waarbij [persoon] , het halfbroertje van [minderjarige] , niet altijd aanwezig was én haar toenmalige partner geen een keer aanwezig was, roept namelijk de vraag op hoe de vrouw als opvoeder is als zij gedurende een langere periode alleen voor beide kinderen moet zorgen en in hun dagdagelijkse behoeften moet voorzien. De Raad blijft zorg houden over in hoeverre de vrouw tegemoet kan komen aan hetgeen [minderjarige] nodig heeft, te weten veiligheid, structuur en stabiliteit.
De Raad concludeert dat er zorgen zijn over het veilig opgroeien van [minderjarige] die door de gesignaleerde krachten niet worden weggenomen. De Raad is bezorgd dat als er niks verandert, de contacten tussen ouders spanningsvol verlopen en ertoe kunnen leiden dat het contact tussen de vrouw en [minderjarige] stopt of spanningsvol blijft verlopen. [minderjarige] heeft een veilige, liefdevolle en gestructureerde omgeving nodig, waarbij er sensitief en responsief wordt gereageerd op haar behoeften, waardoor zij gestimuleerd wordt in haar ontwikkeling.
De Raad vindt het daarnaast van belang dat er sprake is van een situatie waarin [minderjarige] blijvend stabiliteit ervaart over de plek waar zij opgroeit. Tevens vindt de Raad het belangrijk dat het contact tussen [minderjarige] en haar moeder structureel, voorspelbaar en veilig verloopt en niet (zoals afgelopen zomer is gebeurd nadat het contact na een jaar net was hersteld) wordt afgezegd, zodat [minderjarige] in staat wordt gesteld ook met moeder (en [persoon] ) een liefdevolle verbondenheid (verder) te ontwikkelen.
De Raad is van mening dat de opvoedsituatie bij de man (en grootouders vaderszijde), tegemoetkomt aan de behoeften van [minderjarige] en dat haar toekomst geborgd is in dit gezin. Er zijn hierover geen zorgen naar voren gekomen in het raadsonderzoek. Zodoende vindt de Raad het in het belang van [minderjarige] dat zij bij de man blijft wonen. De Raad adviseert dan ook het verzoek van de man tot het vaststellen van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem, toe te wijzen. Hierbij vindt de Raad het van belang dat de man voorlopig ondersteund blijft worden in de wijze waarop hij [minderjarige] kan stimuleren in haar ontwikkeling, maar ook in het (onderhouden van het) contact met de vrouw. De wijze waarop de man hier momenteel, met behulp van IPT, aan meewerkt, vindt de Raad positief. De Raad vindt gezamenlijk gezag over [minderjarige] voor ouders passend en adviseert de rechtbank om het verzoek van vader toe te wijzen. Dit vindt de Raad noodzakelijk omdat de man nu geen beslissingen ten behoeve van [minderjarige] kan en mag nemen terwijl zij al bijna twee jaar volledig bij hem woont en ook blijft wonen. Hoewel het ouders op dit moment (nog) niet lukt om gezamenlijk beslissingen te nemen over [minderjarige] , meent de Raad dat binnen de ondertoezichtstelling hieraan gewerkt kan worden middels de inzet van gespecialiseerde hulpverlening zoals individuele systeemtherapie of parallel solo ouderschap, zodat ouders tot (mogelijk een schriftelijk) neutrale en effectieve wijze van communiceren komen in het belang van [minderjarige] . Daarnaast dient er een uitgebreid ouderschapsplan opgesteld te worden aan de hand van de huidige situatie teneinde ruis en onduidelijkheden in de toekomst te voorkomen. Daarnaast kan de vrouw er inmiddels achter staan dat de man ook gezag over [minderjarige] krijgt, nu zij naar eigen zeggen aanvaard heeft dat [minderjarige] bij haar vader blijft opgroeien. De Raad gunt [minderjarige] een fijn en onbelast contact met haar beide ouders, waarin zij zich blijvend emotioneel en fysiek veilig voelt zodat zij zich op haar eigen ontwikkeling kan focussen. Gezien het feit dat [minderjarige] al veel ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt in haar jonge leventje en er langdurig sprake is geweest van contactverlies met moeder vindt de Raad het belangrijk dat de GI een screening van de gehechtheidsrelatie van [minderjarige] met haar beide ouders laat afnemen en indien daar aanleiding toe is het aanvragen van aanvullend onderzoek door een specialist. Ondanks haar jonge leeftijd heeft [minderjarige] al (te) veel meegekregen van de scheiding van haar ouders. De Raad denkt dat het helpend voor haar kan zijn wanneer de GI haar aanmeldt voor een training zoals ‘[training]’. Ten slotte meent de Raad dat het inzetten van ambulante hulpverlening in de thuissituatie van de vrouw noodzakelijk is om de (uitbreiding van) omgang met [minderjarige] gedurende langere periode te monitoren. De Raad vindt dat deze verschillende vormen van hulp zo spoedig mogelijk opgestart dienen te worden. Omdat het belangrijk is dat [minderjarige] en haar ontwikkeling centraal blijven staan en de betrokken hulpverlening samenwerkt, is het in de visie van de Raad raadzaam om – indien mogelijk - alle (nieuwe) benodigde hulpverlening onder te brengen bij dezelfde zorgaanbieder. Op die manier kunnen korte lijnen gewaarborgd worden en wordt versnippering van de zorg voorkomen. De Raad adviseert een zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] vast te stellen die wordt opgebouwd tot uiterlijk 1 juli 2026 en op basis waarvan er contact tussen hen plaatsvindt:
  • eens per twee weken van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school. De vrouw haalt [minderjarige] op van school en zij brengt [minderjarige] op maandagochtend naar school;
  • de helft van de schoolvakanties (te verdelen bij het opstellen van een ouderschapsplan).
Tijdens de zitting voert de Raad aanvullend nog aan dat er positieve stappen gezet zijn door beide ouders, maar dat er nog een weg te gaan is. De GI is de afgelopen periode vooral afwachtend geweest, maar het is belangrijk dat er nu op een voortvarende manier hulpverlening wordt ingezet. Beide ouders hebben daar hun verantwoordelijkheid in maar het is belangrijk dat de GI vanuit de ondertoezichtstelling regie voert hierop. De GI moet aandacht hebben voor het laten afnemen bij [minderjarige] van een traumascreening/ screening van de gehechtheidsrelatie en voor de inzet van ambulante hulpverlening bij de vrouw thuis.
2.5.
In de brief van 29 januari 2026 voert mr. Scholten namens de vrouw aan dat er uit het traject van Goed Genoeg Ouderschap naar voren is gekomen dat er bij beide ouders geen zorgen zijn over de opvoedvaardigheden ten aanzien van [minderjarige] . [minderjarige] verblijft op basis van een machtiging uithuisplaatsing bij haar vader. De vrouw heeft intussen aan verschillende hulpverleningstrajecten meegewerkt om te laten zien dat ook zij de zorg kan dragen voor [minderjarige] . [jeugdzorg] is positief over de opvoedvaardigheden van de vrouw en de vrouw heeft zelf hulp ingeschakeld, waardoor het voor haar wrang voelt dat door het enkele tijdsverloop het advies is om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar vader te bepalen. De vrouw kan dat tijdsverloop niet terugdraaien. De vrouw hoopte dat onder een machtiging uithuisplaatsing terugplaatsing van [minderjarige] bij haar ook een reële optie is, maar voor haar voelt het alsof dit door de GI niet als een reële optie wordt gezien waar naartoe kan worden gewerkt. De vrouw legt zich ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige] neer bij een beslissing van de rechtbank.
De vrouw acht het niet mogelijk om rechtstreeks met de man te communiceren. De vrouw hoopt dat de GI specialistische hulpverlening /begeleiding kan inzetten om te onderzoeken hoe ouders het ouderschap in de toekomst via Parallel Solo Ouderschap kunnen vormgeven.
Zij heeft het gevoel dat er nog geen concreet perspectief of plan is vanuit de GI om het gezag door de ouders samen vorm te kunnen gaan geven. De vrouw legt zich ook ten aanzien van het gezag over [minderjarige] neer bij een beslissing van de rechtbank.
Indien de rechtbank beslist dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de man, dan wenst de vrouw vaststelling van de volgende zorgregeling:
- één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot maandagochtend;
- de helft van de schoolvakanties.
De vrouw stelt in het belang van [minderjarige] wel voor om de genoemde regeling op te bouwen,
aangezien [minderjarige] nu nog niet bij haar heeft overnacht. De vrouw denkt aan periode van vier
maanden om hiernaar toe werken. Ingeval van de uiteindelijke regeling zal zij [minderjarige] op vrijdag na schooltijd op school ophalen en maandagochtend naar school brengen. Voor de periode dat dit nog niet mogelijk is of andere situaties waarbij school niet als wissellocatie kan gelden, stelt de vrouw een neutrale plek voor waar zij [minderjarige] ophaalt. De vrouw heeft aanvankelijk aangegeven dat [jeugdzorg] en oma vaderszijde hier mogelijk een rol in zou kunnen spelen, maar tijdens de zitting heeft zij ingestemd met het voorstel van de man om, zo nodig naast [jeugdzorg] de schoonzus van de man, als neutrale persoon te betrekken bij de overdrachtsmomenten in het kader van de zorgregeling. De vrouw stelt voor deneutrale locatie voor de overdracht met hulp van de GI af te stemmen. Tijdens de zitting wordt door en namens de vrouw nog het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de zorgregeling is het van belang dat rekening wordt gehouden met het werkrooster van de vrouw. Tijdens de zitting is gebleken dat de door de vrouw verzochte zorgregeling niet past in dit werkrooster, aangezien zij soms ook twee weekenden achter elkaar werkt. De vrouw heeft daarom, zoals met partijen tijdens de zitting is besproken, na de zitting alsnog haar werkrooster voor 2026 overgelegd.
De vrouw heeft behoefte aan door de GI geschetste kaders die ten aanzien van de communicatie tussen partijen. De afgelopen maanden is er nauwelijks contact geweest met de GI en het is dringend nodig dat er stappen worden gezet om tot communicatie te komen tussen de ouders over [minderjarige] . Dit is tot op heden nog niet gebeurd. De vrouw kan zich niet vinden in de stelling van de Raad dat zij gezagsbeslissingen rondom de inschrijving op de basisschool en het kinderdagverblijf heeft tegengehouden.
2.6.
De man kan zich vinden in het advies van de Raad. Ook hij vindt het van belang dat stapsgewijs wordt toegewerkt naar de voorgestelde zorgregeling van één weekend in de veertien dagen. De man maakt zich wel zorgen over hoe de overdracht van [minderjarige] plaats moet vinden nu de vrouw geen rechtstreeks contact met de man wenst. De vraag is wie bij deze overdrachtsmomenten aanwezig zal zijn en welke locatie tijdens schoolvakanties zal worden uitgekozen. Hiervoor moet een goed plan komen en de man wenst dan ook dat een ouderschapsplan wordt opgesteld waarin alle afspraken rondom [minderjarige] vastliggen. Tijdens een korte schorsing van de zitting heeft de man zijn schoonzus bereid gevonden om bij de overdrachtsmomenten van [minderjarige] aanwezig te zijn.
2.7.
De GI verklaart tijdens de zitting dat het klopt dat de GI de afgelopen periode een afwachtende houding heeft aangenomen. De GI wilde eerst de uitkomsten van het aanvullend onderzoek door de Raad afwachten. De GI zal aan de slag gaan met het maken van een plan hoe de ouders samen het ouderschap ten aanzien van [minderjarige] in gaan vullen. [jeugdzorg] heeft aangegeven nog een aantal keren de overdrachtsmomenten van [minderjarige] op de zaterdag te kunnen begeleiden, maar dit zal niet nog voor een hele lange periode zijn. Het is dus van belang dat de ouders een manier gaan vinden waarop zij dit samen in kunnen vullen. Daarnaast zal de GI zicht houden op hoe het met [minderjarige] gaat. Het uitbreiden van de zorgregeling brengt ook risico’s met zich mee ten aanzien van de onveiligheid die de vrouw ervaart. [minderjarige] wordt ook ouder en zal zich ook gaan uitspreken over dingen bij de vrouw thuis. Het is belangrijk dat hier zorgvuldig mee om wordt gegaan.
De inhoudelijke beoordeling
Huiselijk geweld
2.8.
Op 1 maart 2016 is voor Nederland in werking getreden het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul). Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden, en waarin aandacht wordt besteed aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld. Kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld, zijn ook slachtoffer van huiselijk geweld.
Verdragspartijen moeten wetgevende of andere maatregelen nemen om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag (artikel 31 van Pro het Verdrag van Istanbul). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft duidelijke richtlijnen gegeven voor situaties van huiselijk geweld en drie noodzakelijke stappen voorgeschreven: onmiddellijke actie, adequate inschatting van de risico’s (ook voor de kinderen) en het op basis van die inschatting nemen van adequate en proportionele maatregelen. [1] Ook uit artikel 19 van Pro het Internationale Verdrag Inzake de Rechten van het Kind en het daarbij behorende General Comment volgt dat als er signalen zijn van partnergeweld deze nader moeten worden onderzocht, omdat dit direct een belangrijke aanwijzing oplevert dat ook de kinderen slachtoffer kunnen zijn of worden van geweld.
2.9.
In de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag en omgang wordt niet expliciet genoemd dat huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar vanzelfsprekend is dat de Nederlandse rechter dat wel (expliciet) moet doen; de veiligheid van de ouders en het kind zal centraal moeten staan bij de vraag welke gezagsbeslissing en/of zorg- of omgangsregeling in het belang van het kind is. Voor de rechtbank betekent dit dat er bij de beslissingen in deze zaak rekening mee zal moeten worden gehouden dat de rechten en de veiligheid van de ouders en [minderjarige] gewaarborgd zijn.
2.10.
De verhalen van de ouders over hetgeen zich tijdens hun relatie tussen hen heeft afgespeeld staan lijnrecht tegenover elkaar. De rechtbank heeft in deze zaak onderzoek laten verrichten om helder te krijgen of er sprake is (geweest) van intieme terreur tussen de ouders. Bij tussenbeschikking van 11 februari 2025 in de zaak met kenmerk C/02/431097 / JE RK 25-138 waarbij [minderjarige] onder toezicht is gesteld van de GI en waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de man is verleend, heeft de (kinder)rechter overwogen dat hoewel het vaststellen van feiten uit het verleden moeilijk is, er wel op kortst mogelijke termijn moest worden onderzocht wat zich tussen de ouders heeft afgespeeld, nu dat van belang is voor de te nemen beslissing over het verblijf van [minderjarige] bij de moeder dan wel de vader en de (on)mogelijkheden van contact tussen de ouders. De (kinder)rechter heeft bij voornoemde beschikking de GI onder meer verzocht onderzoek te doen naar de vraag of en zo ja, door wie de MASIC kon worden uitgevoerd, en waar mogelijk dit instrument al af (te laten) nemen bij de ouders. Eveneens is de GI verzocht om zicht te krijgen op de opvoedsituatie van beide ouders en te werken aan herstel van het contact tussen de moeder en de minderjarige [minderjarige] , die elkaar op dat moment al maanden niet meer hadden gezien.
2.11.
Inmiddels is het contact tussen [minderjarige] en haar moeder opgebouwd en is bij beide ouders binnen het kader Goed Genoeg Ouderschap door IPT van [jeugdzorg] een beoordeling uitgevoerd. Hieruit is naar voren gekomen dat beide ouders in staat zijn om goed genoeg ouderschap te bieden aan [minderjarige] .
2.12.
De GI heeft tijdens de zitting van 30 september 2025, de resultaten van de MASIC (die bij bericht van 6 februari 2026 nogmaals digitaal zijn ingediend) overgelegd. Uit de resultaten van de MASIC blijkt, zoals ook door de Raad is benoemd, dat sprake is geweest van een gezinssysteem welke onderhevig was aan stress ten gevolge van diverse factoren, welke mede hebben geleid tot conflicten in het gezin. De relatie tussen de man en de vrouw was ook aanleiding voor de vele onderlinge spanningen waarbij het toekomstperspectief onvoorspelbaar was. Er is sprake (geweest) van een heftige conflictscheiding, waarbij dreigingen vanuit het ex-partnerschap de ouderschapstransitie hebben overruled. Uit de resultaten van het MASIC-onderzoek blijkt bovendien dat geen van beide ouders als slachtoffer of dader van huiselijk geweld aangemerkt wordt. Beide ouders hebben, gedurende hun relatie, angst voor elkaars gedrag ontwikkeld. De angst van de vrouw richt zich op de herhaling van het gedrag van de man (stalken en volgen) en de angst van man is dat de vrouw zich naar [minderjarige] op dezelfde manier zal opstellen als naar hem (manipuleren). Wel is er nog steeds sprake van moeizame communicatie tussen de ouders. Hierbij speelt de angst van de vrouw voor de man, die in het MASIC-onderzoek is bevestigd, een rol.
2.13.
De rechtbank heeft bij beschikking van 21 november 2025 in onderhavige procedure de Raad de opdracht gegeven om, mede gezien de nieuwe ontwikkelingen en de resultaten van de MASIC, nader onderzoek te doen naar en nader te adviseren over het gezamenlijk gezag, het hoofdverblijf en de zorgregeling. De rechtbank heeft de Raad daarbij verzocht bijzondere aandacht te besteden aan de opvoedsituatie bij de vrouw, waaronder haar nieuwe gezinssituatie inclusief haar nieuwe partner, de opvoedsituatie bij de man en de rol hierin van de grootmoeder vaderszijde, en de wijze waarop de ouders met elkaar kunnen leren communiceren, onder meer in het kader van een mogelijk parallel solo-ouderschap. Dit verzoek tot onderzoek heeft geleid tot het aanvullend rapport van de Raad van 29 januari 2026.
2.14.
Bij de rechtbank is op grond van de ingediende stukken, hetgeen tijdens de zittingen naar voren is gebracht en voornoemde onderzoeken het beeld ontstaan van een overbelast gezin en van ouders die zich staande hebben proberen te houden te midden van veel stress, verdriet en onrust. De rechtbank volgt op grond van de verrichte onderzoeken de conclusie van de GI en de Raad dat sprake is geweest van een gezinssysteem dat onderhevig was aan stress ten gevolge van diverse factoren. Dat tijdens de relatie sprake is geweest van intieme terreur of dwingende controle kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van de haar ter beschikking staande informatie op dit moment niet worden vastgesteld.
2.15.
De rechtbank ziet in de periode na het uiteengaan van partijen ook geen (verdere) patronen van intieme terreur of dwingende controle. Dat hiervan de afgelopen periode sprake zou zijn geweest is overigens door de vrouw ook niet gesteld. Vast staat dat er in ieder geval sinds april 2024 geen contact meer is geweest tussen de man en de vrouw en dat er sindsdien ook geen incidenten meer zijn geweest tussen partijen. De man is bij vonnis van de politierechter van 15 augustus 2025 vrijgesproken van de hem ten laste gelegde strafbare feiten jegens de vrouw. De vraag is vervolgens wat deze conclusies betekenen voor de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige] nu, bij beide ouders.
De rechtbank heeft op basis van de verrichte onderzoeken geen zorgen over de fysieke veiligheid van [minderjarige] bij beide ouders. De moeder heeft ook expliciet aangegeven dat zij zich geen zorgen maakt over de fysieke veiligheid van [minderjarige] bij haar vader. Uit het traject van Goed Genoeg Ouderschap blijkt voorts dat de opvoedsituaties van beide ouders als voldoende veilig zijn beoordeeld en ook uit het aanvullend rapport van de Raad van 29 januari 2026 blijkt voldoende dat er geen zorgen zijn over de veiligheid van [minderjarige] bij één van de ouders. De rechtbank gaat er van uit dat beide ouders het beste met [minderjarige] voor hebben en in staat zouden moeten zijn om goed genoeg ouderschap bieden voor [minderjarige] . De rechtbank heeft wel zorgen over de angst van de moeder voor vader en over de emotionele veiligheid van [minderjarige] , vanwege de spanningen die er tussen de ouders onderling nog steeds zijn en de angst die de moeder heeft. Ook wenst de rechtbank meer zicht de opvoedvaardigheden en rol van oma vaderszijde, nu zij een structurele en aanzienlijke rol heeft in de verzorging van [minderjarige] . Hier moet onder regie van de GI verder aan gewerkt worden. De rechtbank verwijst naar hetgeen hierover in de beschikking inzake (bekend onder kenmerk C/02/443861/ JE RK 26-44) is overwogen.
Beslissingen in het licht van het voorgaande
Gezag
2.16.
In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn/haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.17.
De rechtbank oordeelt als volgt. De vrouw heeft zich ten aanzien van het gezag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is om de man te belasten met het gezag over haar, in die zin dat hij voortaan gezamenlijk met de vrouw het gezag over haar uitoefent. Op dit moment zijn de ouders nog niet in staat om in gezamenlijkheid en onderling overleg beslissingen ten aanzien van [minderjarige] te nemen nu er nog geen constructieve vorm van communicatie tussen hen tot stand is gekomen, maar de rechtbank is van oordeel dat hier onder regie van de GI aan kan worden gewerkt en dat het gezamenlijk gezag tussen de ouders in dit geval recht doet aan de situatie. [minderjarige] woont, aanvankelijk met instemming van de vrouw, al bijna twee jaar bij haar vader en uit de verrichte onderzoeken is gebleken dat het daar goed met haar gaat. De man biedt haar een voldoende stabiele opvoedsituatie. In dat kader past het de man eveneens met het gezag over [minderjarige] te belasten nu hij ook belast is met het nemen van de (dag)dagelijkse beslissingen over haar. De vrouw heeft tijdens de zitting aangegeven dat door middel van hulpverlening en door tijdsverloop er mogelijk ruimte zal komen om stappen te zetten in het vormgeven van het gezamenlijk ouderschap. De rechtbank verwacht ook van de man dat hij zich onder regie van de GI inspant om te komen tot een constructieve vorm van communicatie met de vrouw. De rechtbank verwacht van de GI dat zij op de zo kortst mogelijke termijn gespecialiseerde hulpverlening inzet waarmee de ouders kunnen werken naar een vorm van communicatie die voor beide ouders passend en veilig is. Gedacht kan worden aan de inzet van gespecialiseerde hulpverlening zoals individuele systeemtherapie of parallel solo ouderschap, zodat de ouders tot (mogelijk een schriftelijk) neutrale en effectieve wijze van communiceren komen in het belang van [minderjarige] . De rechtbank verwacht, gelet op de stappen die de afgelopen periode zijn gezet, dat de ouders hiertoe onder regie van de GI uiteindelijk in staat zouden moeten kunnen zijn. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook toewijzen.
Hoofdverblijf
2.18.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder of de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
2.19.
De rechtbank oordeelt als volgt. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het hoofdverblijf. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is om haar hoofdverblijf bij de man te bepalen. [minderjarige] verblijft inmiddels, aanvankelijk met instemming van de vrouw, al bijna twee jaar bij haar vader. Uit de onderzoeken die de Raad heeft verricht en uit de resultaten van het traject Goed Genoeg Ouderschap blijkt dat het goed gaat met [minderjarige] bij de man en dat de opvoedsituatie bij de man voor [minderjarige] voldoende veilig is. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat zij bij haar vader blijft wonen nu zij daar gewend is en het daar goed met haar gaat. De juridische situatie dient in overeenstemming te worden gebracht met de feitelijke situatie. De rechtbank neemt daarbij ook in overweging dat de vrouw niet, voor het geval het verzoek tot gezamenlijk gezag zou worden toegewezen, heeft verzocht om vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook toewijzen.
Zorgregeling
2.20.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
2.21.
De rechtbank oordeelt als volgt. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de zorgregeling. De vrouw verzoekt, in het geval het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man wordt bepaald, een zorgregeling vast te stellen op basis waarvan [minderjarige] bij de vrouw verblijft één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot maandagochtend en de helft van de schoolvakanties. De vrouw heeft hierbij aangegeven dat het van belang is dat de zorgregeling gefaseerd wordt opgebouwd. De overdracht van [minderjarige] kan wat de vrouw betreft op school plaatsvinden of, in het geval de overdracht in de vakanties of buiten schooltijd plaatsvindt, op een nog nader te bepalen neutrale locatie van [jeugdzorg] dan wel met behulp van een neutraal persoon. De vrouw heeft de voorkeur dat de overdracht van [minderjarige] gedurende de opbouwfase op een locatie van [jeugdzorg] plaatsvindt om zo haar eigen veiligheid te waarborgen.
2.22.
De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat er frequent en op structurele wijze contact plaatsvindt tussen haar en de vrouw. Bij F9-formulier van 6 februari 2026 heeft mr. Scholten het werkrooster van de vrouw overgelegd. De rechtbank constateert dat de door de vrouw verzochte zorgregeling niet past in het werkrooster van de vrouw, aangezien zij soms ook twee weekenden achter elkaar werkt. De rechtbank kan de (opbouw) van de zorgregeling daarom niet aan de hand van het werkrooster nader concretiseren, maar zal wel bepalen op welke wijze de zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] onder regie van de GI moet worden opgebouwd. De Raad heeft in zijn nadere rapport en advies aangevoerd dat de zorgregeling per direct kan worden uitgebreid met een overnachting. De man heeft geen verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw omtrent de zorgregeling en ook niet tegen het advies van de Raad om de zorgregeling uit te breiden met een overnachting. De rechtbank is daarom van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is om de bestaande zorgregeling per direct uit te breiden met een overnachting, nu is gebleken dat het contact tussen de vrouw en [minderjarige] goed verloopt en er verder ook geen redenen zijn om de omgang niet uit te breiden. De GI heeft tijdens de zitting verklaard dat [jeugdzorg] nog enige tijd betrokken kan zijn bij de overdrachtsmomenten doordeweeks en op zaterdag en de man heeft verklaard dat zijn schoonzus, en niet oma vaderszijde, bereid en ook in staat is om de overdrachtsmomenten van [minderjarige] te begeleiden. De vrouw heeft hiermee ingestemd. De rechtbank zal daarom een zorgregeling vaststellen op basis waarvan er omgang tussen de vrouw en [minderjarige] zal zijn eens in de twee weken van vrijdag na school tot zaterdag om 18:30 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] naar een met de GI af te stemmen locatie brengt en [jeugdzorg] dan wel de schoonzus van de man [minderjarige] daar ophaalt en haar daar na het omgangsmoment weer terugbrengt. Onder regie van de GI moet de komende periode toegewerkt worden naar een zorgregeling zoals door de vrouw is verzocht, inhoudende een zorgregeling van één weekend in de veertien dagen van vrijdag na school tot maandag voor school. De rechtbank verwacht dat de zorgregeling de komende periode in een zodanig tempo en op een zodanige wijze wordt uitgebreid dat met ingang van 1 juli 2026 de zorgregeling zal gelden zoals door de vrouw is verzocht. De rechtbank verwacht van de GI dat zij samen met de ouders een plan gaat opstellen voor de omgang tussen de vrouw en [minderjarige] gedurende de helft van de schoolvakanties, daarbij rekening houdende met het werkrooster van de vrouw.
2.23.
Gelet op voorgaande beslissingen ten aanzien van het gezamenlijk gezag en het hoofdverblijf treedt de door de man aan zijn voorwaardelijk verzoek verbonden voorwaarde niet in. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van dit voorwaardelijke verzoek en wijst het meer of anders verzochte daarom af.
2.24.
De rechtbank overweegt tot slot nog als volgt. Partijen hebben de afgelopen periode laten zien stappen vooruit te hebben gezet en hebben zich de afgelopen periode opengesteld voor IPT en het traject van Goed Genoeg Ouderschap, alsmede voor contactherstel tussen de vrouw en [minderjarige] . De vrouw heeft duidelijk gemaakt dat dit, gezien haar (jeugd)trauma’s en haar angst voor de man heel moeilijk voor haar was. De vrouw heeft, hoe moeilijk dat voor haar ook was, in het belang van [minderjarige] aan de GI en de Raad inzicht heeft gegeven in haar thuissituatie. Ook heeft zij het contact met [minderjarige] weer hersteld. De rechtbank heeft gedurende het proces zoveel mogelijk vinger aan de pols gehouden om (het gevoel van) veiligheid van de betrokkenen gedurende dit proces te borgen. Ook omdat zij het in het belang van [minderjarige] acht dat zowel de man als de vrouw betrokken blijven in haar leven. Daarbij hoort (het gevoel van) veiligheid van alle betrokkenen geborgd te zijn en te blijven en geldt ook dat [minderjarige] er op moet kunnen vertrouwen dat haar beide ouders beschikbaar voor haar zijn en blijven. Dit vraagt wederzijds respect en een bijzondere verantwoordelijkheid van alle betrokkenen. De rechtbank gaat ervan uit dat alle betrokkenen deze verantwoordelijkheid in het belang van [minderjarige] ook na deze procedure blijven nemen en dat de GI daarop toeziet. De rechtbank hoopt dat de man en de vrouw met behulp van de GI uiteindelijk, ieder vanuit hun eigen rol, samen in staat zullen zijn om [minderjarige] de veilige, liefdevolle en gestructureerde omgeving te bieden die zij nodig heeft en ook verdient.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.25.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing.
Gezagsregister
2.26.
De rechtbank zal, in verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters, de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het centrale gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat partijen voortaan samen het gezag hebben over [minderjarige] ;
3.2.
bepaalt dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de man;
3.3.
bepaalt dat de vrouw en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met ingang van heden recht hebben op contact met elkaar eenmaal per twee weken van vrijdag na school tot zaterdag om 18:30 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] op zaterdag naar een met de GI af te stemmen locatie brengt en [jeugdzorg] of de schoonzus van de man [minderjarige] daar ophaalt en na het omgangsmoment weer terugbrengt en waarbij de komende periode wordt gewerkt aan uitbreiding van de zorgregeling in die zin dat met ingang van 1 juli 2026 een zorgregeling geldt op basis waarvan de vrouw en [minderjarige] recht hebben op contact met elkaar eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot maandagochtend voor school, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties, waarover de man en de vrouw samen en in afstemming met de GI verdere afspraken moeten maken en waarbij geldt hetgeen is overwogen in r.o. 2.22 van deze beschikking;
3.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van de beslissing in r.o. 3.1. in het centraal gezagsregister;
3.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, voorzitter, mr. Haesen en mr. Van Merbel, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.EHRM 15 juni 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0615JUD006290315 (Kurt/Oostenrijk)