Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2761

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/445269 / FA RK 26-921
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Dun
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wegens dementie en ernstig nadeel

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor betrokkene, geboren in 1946, vanwege haar dementie en de daaruit voortvloeiende risico's.

Tijdens de zitting met gesloten deuren op 10 maart 2026 werden betrokkene, haar zoon, schoondochter en geriatrisch consulenten gehoord. Betrokkene erkende haar dementie maar stelde dat ze nog zelfstandig kon wonen met ondersteuning. De casemanagers en familie schetsten een beeld van verward gedrag, onveilige situaties thuis, onvoldoende zelfzorg en risico's zoals brandgevaar en financiële problemen.

De advocaat van betrokkene betwistte het ernstig nadeel en stelde dat minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren. De rechtbank oordeelde echter dat op basis van medische verklaringen en de overgelegde stukken vaststaat dat betrokkene lijdt aan dementie met ernstig nadeel, waaronder lichamelijk letsel, financiële schade en gevaar voor veiligheid.

De rechtbank concludeerde dat opname en verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om het ernstig nadeel te voorkomen, dat betrokkene 24-uurs zorg nodig heeft die thuis niet geboden kan worden, en dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn. Daarom werd de machtiging voor zes maanden verleend, geldig tot 10 september 2026.

Uitkomst: De rechtbank verleent een machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden wegens ernstig nadeel door dementie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445269 / FA RK 26-921
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1946 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats] ,
advocaat mr. M.M.M. Heesmans uit Roosendaal.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 19 februari 2026;
  • de op 10 maart 2026 door de geriatrisch consulenten en casemanagers van betrokkene op verzoek van de rechtbank per e-mail nader aan de rechtbank gezonden stukken;
  • de op die stukken door de advocaat van betrokkene bij e-mail van 10 maart 2026 gegeven reactie.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
  • de zoon en schoondochter van betrokkene;
  • mevrouw [persoon 1] , geriatrisch consulent en casemanager;
  • mevrouw [persoon 2] , geriatrisch consulent en casemanager.
1.3.
De rechtbank heeft overigens niet zoals gebruikelijk aanstonds na de mondelinge behandeling van het verzoek, maar in afwachting van op verzoek van de rechtbank en met instemming van de advocaat van betrokkene nog door de geriatrisch consulenten aan de rechtbank en de advocaat van betrokkene toe te zenden stukken pas later op de dag uitspraak gedaan en deze telefonisch medegedeeld aan een van de casemanagers en de advocaat. Deze uitspraak is per mail op 11 maart 2026 bevestigd aan een van de casemanagers.

2.Het verzoek

2.1.
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.

3.De standpunten

3.1.
Betrokkene heeft bij de mondelinge behandeling van het verzoek desgevraagd bevestigd dat ze dementie heeft. Maar dat is volgens haar nog geen reden om ergens anders te moeten gaan wonen. Ze is daar volgens haar nog helemaal niet aan toe, terwijl ze volgens haar met wat ondersteuning, ze doet samen met iemand boodschappen op vrijdag, ook nog alles zelf kan en doet. Betrokkene herkent zich dan ook niet in het beeld dat de zorg schetst.
3.2.
De casemanagers lichten toe dat het naar huh oordeel niet meer verantwoord is om betrokkene thuis te laten wonen. Betrokkene is verward, dwaalt en neemt onverantwoorde beslissingen. Zo laat ze bijvoorbeeld haar kacheltje aan staan als ze boodschappen gaat doen. Ook heeft het kacheltje al eens zo dicht bij een stoel gedaan, dat er een risico op brand ontstond. De casemanagers zeggen dat betrokkene met regelmaat niet thuis is wanneer er iemand komt voor de insuline zorg, waardoor ze veel last heeft van hypo’s en hypers. Ook gaat ze een paar keer per week naar dagbesteding, maar belt ze die ook wel af. Betrokkene gaat met slechte weersomstandigheden naar buiten, maar is daar dan niet op gekleed. De zelfzorg van betrokkene is volgens de casemanagers onvoldoende. Hulp van de thuiszorg bij zelfzorg laat betrokkene niet toe en daarnaast staat de badkamer vol met spullen, waardoor het voor de thuiszorg lastig is haar goed te verzorgen. De casemanagers zeggen dat de woning nu wat geordender lijkt, maar dat dat tot voor kort niet het geval was. De casemanagers zeggen dat er momenteel vier keer per dag thuiszorg komt.
3.3.
De schoondochter zegt dat ze het een moeilijke situatie vindt. Betrokkene is graag zelfstandig, maar het moet wel veilig en gezond blijven voor haar. De schoondochter zegt vaak gebeld te worden als betrokkene ineens op de weg loopt. Zij of haar man brengen haar dan weer naar huis. Betrokkene is een keer flauwgevallen en in de auto weggevallen, maar gelukkig waren er toen mensen in de buurt. De schoondochter zegt dat ze de auto bij betrokkene hebben weggehaald omdat ze er anders in blijft rijden terwijl het niet meer veilig is. Daarnaast zijn er financiële problemen geweest. Betrokkene kreeg veel aanmaningen en er stonden deurwaarders op de stoep. De schoondochter geeft tenslotte nog aan dat zij zich ernstig zorgen maakt over wat er gebeurt als de ex-partner van betrokkene, die momenteel nog gedetineerd is vanwege het mishandelen van betrokkene, vrijkomt.
3.4.
De zoon van betrokkene onderschrijft het standpunt van zijn vrouw. Hij vindt goede zorg in verband met de gezondheid van betrokkene belangrijk, daar gaat het om.
3.5.
De advocaat zegt dat betrokkene erkent dat er beginnende dementie is, maar dat er op dit moment nog geen sprake is van een vergevorderd dementieel beeld. De advocaat vindt dat het ernstig nadeel niet objectief kan worden vastgesteld. Uit de overgelegde stukken volgt volgens de advocaat ook niet dat er incidenten zijn geweest en ook niet wanneer dit precies zou zijn geweest. Volgens de advocaat zijn er ook minder ingrijpende mogelijkheden om eventueel ernstig nadeel te voorkomen, zoals het wegnemen van de auto. Betrokkene is in staat om zelfstandig te blijven wonen. De advocaat pleit daarom voor afwijzing van het verzoek.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en de daarop gegeven toelichting vaststaat dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, in de overgelegde medische verklaring gediagnosticeerd als dementie, type Alzeheimer en een hersentrauma (NAH). De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de medische verklaring.
4.3.
De rechtbank is voorts van oordeel dat het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige financiële schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.
4.4.
De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat naar haar oordeel op grond van de zowel aanstonds bij het verzoek, als op verzoek van de rechtbank naar aanleiding van de mondelinge behandeling overgelegde stukken, die stukken en de toelichting daarop op zichzelf en in hun onderling verband bezien, genoegzaam is komen vast te staan dat betrokkene, zonder adequate zorg en begeleiding c.q. sturing niet, althans onvoldoende in staat is om adequaat en zonder risico op zichzelf te blijven wonen en voor zichzelf te zorgen. Het standpunt van betrokkene dat zij dat nog wel zou kunnen maakt dat niet anders, nu zoals blijkt uit de bij het verzoek overgelegde stukken, betrokkene immers niet in staat is om een goede inschatting van de ernst van haar ziekte en de in dat kader benodigde zorg te maken.
4.5.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen, omdat volgens haar haar problemen niet zo ernstig zijn dat zij niet meer zelfstandig zou kunnen wonen.
4.6.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Betrokkene heeft immers 24-uurs zorgen begeleiding nodig. Het is niet mogelijk om dit in de thuissituatie te realiseren, onder andere omdat betrokkene zorg afhoudt.
4.7.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wzd.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1946 in [geboorteplaats] ;
5.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 10 september 2026;
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr Van Dun, rechter, in aanwezigheid van Van Ginneken, griffier en op schrift gesteld op 18 maart 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.