Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor betrokkene, geboren in 1946, vanwege haar dementie en de daaruit voortvloeiende risico's.
Tijdens de zitting met gesloten deuren op 10 maart 2026 werden betrokkene, haar zoon, schoondochter en geriatrisch consulenten gehoord. Betrokkene erkende haar dementie maar stelde dat ze nog zelfstandig kon wonen met ondersteuning. De casemanagers en familie schetsten een beeld van verward gedrag, onveilige situaties thuis, onvoldoende zelfzorg en risico's zoals brandgevaar en financiële problemen.
De advocaat van betrokkene betwistte het ernstig nadeel en stelde dat minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren. De rechtbank oordeelde echter dat op basis van medische verklaringen en de overgelegde stukken vaststaat dat betrokkene lijdt aan dementie met ernstig nadeel, waaronder lichamelijk letsel, financiële schade en gevaar voor veiligheid.
De rechtbank concludeerde dat opname en verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om het ernstig nadeel te voorkomen, dat betrokkene 24-uurs zorg nodig heeft die thuis niet geboden kan worden, en dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn. Daarom werd de machtiging voor zes maanden verleend, geldig tot 10 september 2026.