Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2762

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/444147 / FA RK 26-302
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253r BWArt. 1:253q BWArt. 11 lid 1 Brussel II-VerordeningArt. 1 lid 1 sub a Brussel II-VerordeningArt. 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming Stichting Nidos tot voogd over alleenstaande minderjarige vreemdeling

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van Stichting Nidos om als voogd te worden benoemd over een alleenstaande minderjarige vreemdeling uit Somalië, die sinds december 2025 in Nederland verblijft als asielzoeker. De minderjarige heeft verklaard te zijn gevlucht vanwege de omstandigheden in haar land van herkomst en verblijft momenteel in een asielzoekerscentrum.

De rechtbank stelde ambtshalve vast dat zij internationaal bevoegd is op grond van de Brussel II-Verordening, aangezien de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kon worden vastgesteld vanwege haar korte verblijf in Nederland en het ontbreken van integratie. Het toepasselijke recht is Nederlands recht, conform het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.

De rechtbank oordeelde dat de ouders van de minderjarige niet in staat zijn het gezag uit te oefenen, waardoor sprake is van een gezagsvacuüm. Gezien de bereidverklaring van Stichting Nidos en de akkoordverklaring van de minderjarige, werd Stichting Nidos benoemd tot voogd. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: Stichting Nidos wordt benoemd tot voogd over de minderjarige en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444147 / FA RK 26-302
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Beschikking betreffende voorziening voogdij
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING NIDOS,
gevestigd te Utrecht, hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige],
die volgens eigen opgave is geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 2010,
thans verblijvende op het [adres] , [plaats] ,
hierna te noemen de minderjarige.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 19 januari 2026;
- de bereidverklaring van de GI tot aanvaarding van de voogdij over de minderjarige van 19 januari 2026;
- de akkoordverklaring van de minderjarige van 5 januari 2026.

2.De feiten

2.1.
De minderjarige heeft het volgende verklaard. Zij is op 21 december 2025 in Nederland aangekomen. Zij heeft zich bij de vreemdelingendienst gemeld als asielzoeker om in dat verband voor langere tijd in Nederland te verblijven. Zij is gevlucht vanwege de algemene omstandigheden in het land van herkomst. Zij heeft de Somalische nationaliteit. De naam van haar moeder is [persoon 1] en de naam van haar vader is [persoon 2] . Over het lot van beide ouders is niets bekend.
2.2.
Op dit moment verblijft de minderjarige in een asielzoekerscentrum op bovengenoemd adres.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt om als voogdes over de minderjarige te worden benoemd en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

Internationale bevoegdheid
4.1.
Vanwege het feit dat de minderjarige niet in Nederland is geboren en zij niet de Nederlandse nationaliteit bezit, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.
4.2.
Uit het inleidende verzoek van de GI volgt dat het verzoek te kwalificeren is als een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid. Hiermee valt het verzoek binnen het materieel toepassingsgebied van artikel 1 lid 1 sub a van Pro de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking) (hierna: de Brussel II-
terVerordening). Aangezien het verzoek na 1 augustus 2022 is ingediend is de Brussel II-
terVerordening temporeel van toepassing. De rechtbank stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld en overweegt in dit kader als volgt.
4.3.
Het begrip gewone verblijfplaats is meermalen door het Hof van Justitie van de Europese Unie geïnterpreteerd. Zoals het Hof van Justitie herhaaldelijk heeft geoordeeld, betreft het een autonoom Unierechtelijke begrip, zodat dit moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen en het doel van de Brussel II-
bisVerordening (en inmiddels de Brussel II-
terVerordening), met name het doel dat de bevoegdheidsregels zijn opgezet in het belang van het kind, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid (zie arresten 2 april 2009,
A, C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 34 en 35; 22 december 2010,
Mercredi, C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 44-46; 8 juni 2017,
OL v. PQ, C-111/47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 40).
4.4.
Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie, alsmede de Hoge Raad, dient het begrip gewone verblijfplaats bovendien een eenvormige betekenis te hebben. Volgens diezelfde rechtspraak stemt de gewone verblijfplaats van het kind overeen met de plaats die een zekere integratie in een sociale en familieomgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet door de nationale instantie worden bepaald met inachtneming van de feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elk zaak (zie onder meer de arresten 2 april 2009,
A, C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 42 en 44; 22 december 2010,
Mercredi, C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 47; 8 juni 2017,
OL v. PQ, C-111/47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 42).
4.5.
Het begrip moet aldus worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf waaronder het naar school gaan, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat (zie arrest 2 april 2009,
A, C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225).
4.6.
Op basis van de feiten en omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld. Ten tijde van de aanhangig making van deze procedure verbleef zij pas enkele weken in Nederland en is niet vast komen te staan dat er sprake is van een zekere integratie in Nederland.
4.7.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld, acht de rechtbank zich bevoegd op grond van artikel 11 lid 1 Brussel Pro II-
terVerordening, nu zij zich in Nederland bevindt.
Toepasselijk recht
4.8.
Op grond van artikel 15 lid 1 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek, als zijnde de lex fori
,dat wil zeggen het Nederlands recht is van toepassing op een procedure voor de Nederlandse rechter.
Inhoudelijke beoordeling van het verzoek
4.9.
Op het verzoek is van toepassing het bepaalde in artikel 1:253r juncto artikel 1:253q van het Burgerlijk Wetboek.
4.10.
Op grond van de overgelegde stukken is voldoende komen vast te staan dat de ouders van de minderjarige, waarvan niet bekend is waar zij verblijven, in de onmogelijkheid verkeren het gezag over haar uit te oefenen. Dit betekent dat het gezag is geschorst. Er is nu dan ook sprake van een gezagsvacuüm.
4.11.
Gelet op de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen, de bereidverklaring van de GI en de akkoordverklaring van de minderjarige, zal de rechtbank de GI benoemen tot voogdes over de minderjarige.
4.12.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de GI is verzocht. Dat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
benoemt over [de minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 2010, tot voogdes de gecertificeerde instelling Stichting Nidos, gevestigd te Utrecht;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.