Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2765

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/437600 / FA RK 25-3595
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder a sub v Brussel II-terArt. 10:56 BWArt. 10:31 lid 1 BWArt. 10:31 lid 4 BWArt. 10:32 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking echtscheiding en zorgregeling met kinderalimentatie tussen in Suriname gehuwde partijen

Partijen zijn in 2013 in Suriname gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen, geboren in Suriname. De vrouw woont sinds juli 2022 met de kinderen in Nederland, de man verblijft nog in Suriname. De vrouw verzoekt de echtscheiding uit te spreken, kinderalimentatie vast te stellen en een zorgregeling te treffen waarbij de kinderen om het jaar de zomervakantie bij de vader in Suriname doorbrengen.

De man voert geen verweer en heeft een referteverklaring ingediend. De rechtbank onderzoekt ambtshalve haar bevoegdheid en het toepasselijke recht, gelet op het internationale karakter van de zaak. De Nederlandse rechter is bevoegd en past Nederlands recht toe. Het huwelijk wordt erkend op grond van de Surinaamse huwelijksakte met apostille, zonder dat er redenen zijn om de erkenning te weigeren.

De rechtbank stelt vast dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en spreekt de echtscheiding uit. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over beide kinderen. De zorgregeling wordt vastgesteld conform het verzoek van de vrouw, waarbij de kinderen om het jaar de zomervakantie bij de vader doorbrengen. De man wordt verplicht €250 per kind per maand aan kinderalimentatie te betalen vanaf de datum van indiening van het verzoek. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, behalve de echtscheiding die pas ingaat na inschrijving in de registers.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, stelt een zorgregeling vast en bepaalt kinderalimentatie van €250 per kind per maand, uitvoerbaar bij voorraad behalve de echtscheiding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/437600 / FA RK 25-3595
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Beschikking echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.C. Buntsma uit Middelburg,
en
[de man],
hierna te noemen de man,
wonend in [woonplaats 2] , Suriname, aan [adres] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift tot echtscheiding van de vrouw, ontvangen op 9 juli 2025;
  • de referteverklaring van de man, ontvangen op 13 oktober 2025;
  • het tussen partijen opgestelde en door beide partijen ondertekende ouderschapsplan, ontvangen op 13 oktober 2025.
1.2.
Een zitting heeft niet plaatsgevonden.
1.3.
De rechtbank heeft de kinderen van partijen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hun mening niet gegeven.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2013 in [woonplaats 2] , Suriname.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] , Suriname;
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] , Suriname.
2.3.
De vrouw woont sinds 30 juli 2022 met de kinderen van partijen in Nederland. De man woont nog in Suriname.
2.4.
De man, de vrouw en de kinderen hebben de Surinaamse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:
1. in het huwelijk van partijen de echtscheiding uit te spreken:
2. te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van de kinderen met een bedrag van € 250,-- per kind per maand, met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift;
3. te bepalen dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om het jaar de zomervakantie bij hun vader in Suriname doorbrengen.
3.2.
De man heeft een referteverklaring ingediend. Hierdoor laat hij de rechtbank weten dat hij geen verweer voert tegen de verzoeken van de vrouw.

4.De beoordeling

4.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter. Partijen zijn in Suriname getrouwd, zij hebben beiden de Surinaamse nationaliteit en de man woont in Suriname. De rechtbank moet daarom bij de verschillende verzoeken ambtshalve onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen en zo ja, welk recht van toepassing is.
Echtscheiding
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
4.2.
De Nederlandse rechter is bevoegd om te beslissen op het verzoek tot echtscheiding, omdat de gewone verblijfplaats van de vrouw zich in Nederland bevindt en zij tenminste een jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoek hier verblijft (artikel 3 onder Pro a sub v Brussel II-ter).
4.3.
Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Rechtsgeldigheid en erkenning huwelijk
4.4.
In het kader van een echtscheiding waarbij het huwelijk in het buitenland is voltrokken, dient de rechtbank ambtshalve de vraag te beantwoorden of dit huwelijk op grond van artikel 10:31 BW Pro wordt erkend in Nederland. De beantwoording van deze vraag is van belang, omdat een buitenlands huwelijk dat naar Nederlands recht niet wordt erkend, door de Nederlandse rechter niet kan worden ontbonden.
4.5.
Uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 lid 1 BW Pro). Uit artikel 10:31 lid 4 BW Pro volgt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, als een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.
4.6.
De vrouw heeft als bewijs van het huwelijk een afschrift van de in Suriname door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte huwelijksakte overgelegd, dat op 14 mei 2025 is afgegeven door de bewaarder van de registers van de burgerlijke stand te [woonplaats 2] en voorzien is van een apostille. Omdat het huwelijk in Suriname is vastgelegd in een door een bevoegde instantie opgemaakt akte, wordt het huwelijk van partijen op grond van artikel 10:31 lid 4 BW Pro vermoed rechtsgeldig te zijn. De rechtbank zijn geen feiten of omstandigheden bekend geworden die het rechtsvermoeden van artikel 10:31 lid 4 BW Pro weerleggen. Van omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat dit huwelijk niet voor erkenning in Nederland vatbaar is, omdat die erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van Nederland (artikel 10:32 BW Pro) is niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het huwelijk in Nederland kan worden erkend.
Inhoudelijk
4.7.
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. De vrouw vindt namelijk dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat partijen niet samen verder kunnen als echtgenoten. De man heeft laten weten dat hij geen verweer voert.
Nevenvoorzieningen
4.8.
Daarnaast verzoekt de vrouw nevenvoorzieningen te treffen die over de kinderen gaan. Uit het ouderschapsplan volgt dat partijen over deze onderwerpen al in onderling overleg een regeling hebben getroffen. De vrouw heeft echter niet verzocht om de afspraken uit het ouderschapsplan in deze beschikking op te nemen of om het ouderschapsplan aan deze beschikking te hechten. De rechtbank zal daarom beslissen op de verzoeken van de vrouw om een zorgregeling en een door de man te betalen kinderalimentatie vast te stellen.
Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het verzoek van de vrouw om een zorgregeling vast te stellen wil zij het volgende opmerken.
Gezamenlijk gezag
4.9.
De vrouw en de man hebben in de loop van de procedure een door hen beiden ondertekend ouderschapsplan bij de rechtbank ingediend. In het ouderschapsplan staat dat de vrouw alleen het gezag heeft over [minderjarige 1] , omdat zij voor het huwelijk is geboren.
4.10.
Volgens Surinaams recht wordt een kind dat niet tijdens het huwelijk is geboren, wettig door erkenning door de vader en het daaropvolgend huwelijk van de ouders. Wettiging zorgt ervoor dat de vader direct bij het huwelijk het ouderlijk gezag heeft samen met de moeder.
4.11.
De man en de vrouw zijn enkele jaren na de geboorte van [minderjarige 1] op [datum] 2013 in [woonplaats 2] (Suriname) met elkaar getrouwd. Uit de huwelijksakte blijkt dat de man [minderjarige 1] al voor het huwelijk had erkend en dat [minderjarige 1] bij het huwelijk van de man en de vrouw is gewettigd. Door het huwelijk zijn de ouders gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over haar. De rechtbank constateert vervolgens dat op grond van artikel 16, derde lid, van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het naar Surinaams recht ontstane gezamenlijk gezag van partijen is blijven bestaan na verplaatsing van de gewone verblijfplaats van de kinderen van Suriname naar Nederland. De rechtbank komt dan ook, anders dan partijen, tot de conclusie dat partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun beide kinderen uitoefenen. De rechtbank zal in het hiernavolgende voor beide kinderen daarom spreken over een zorgregeling (bij gezamenlijk gezag).
Zorgregeling
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
4.12.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek om een zorgregeling vast te stellen. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen (art. 7 Brussel Pro II-ter en art. 15 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996).
4.13.
De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen. De man heeft laten weten dat hij geen verweer voert. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Uit het verzoekschrift volgt niet dat het belang van de kinderen zich verzet tegen deze beslissing.
Kinderalimentatie
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
4.14.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (artikel 3 Alimentatieverordening). Op het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen is Nederlands recht van toepassing, nu de onderhoudsgerechtigden – de kinderen - hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben (artikel 3 Haags Pro Protocol).
4.15.
De vrouw verzoekt vast te stellen dat de man een bedrag van € 250,-- per kind per maand aan kinderalimentatie aan haar betaalt vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, dat is 9 juli 2025. De man heeft laten weten dat hij geen verweer voert. De rechtbank wijst het verzoek toe. Uit het verzoekschrift volgt niet dat dit onredelijk is.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.16.
De rechtbank zal de beschikking, behalve voor de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2013 in [woonplaats 2] ;
5.2.
stelt vast dat de [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] , Suriname, en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] , Suriname, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken om het jaar de zomervakantie bij de man in Suriname doorbrengen;
5.3.
bepaalt dat de man vanaf 9 juli 2025 een bedrag van € 250,-- per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de vrouw, voor wat toekomstige termijnen betreft steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve over de echtscheiding.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Knops-Pijper, griffier op 10 maart 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.