De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleegzorgvoorziening. De minderjarige verblijft sinds augustus 2024 bij de pleegmoeder en de eerdere machtiging liep van 19 september 2025 tot 19 maart 2026.
Tijdens de zitting, die zonder vertegenwoordiger van de Raad werd voortgezet, werden de vader, moeder, pleegmoeder en een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling gehoord. De moeder verzet zich tegen verlenging vanwege zorgen over de verstoorde relatie met de pleegouders en de zelfstandigheid van de minderjarige. De pleegmoeder en vader steunen het verzoek.
De kinderrechter constateert dat de minderjarige zich op school positief ontwikkelt en rust en veiligheid ervaart bij de pleegmoeder, maar dat er nog steeds geen contact is met de moeder en er zorgen zijn over de zelfstandigheid en loyaliteitsconflicten. Gezien de lopende netwerkscreening en het belang van stabiliteit wordt het verzoek toegewezen en de machtiging verlengd voor drie maanden, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad.