Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2766

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/439125 / JE RK 25-1544
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot voortzetting uithuisplaatsing minderjarige in pleegzorg voor drie maanden

De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleegzorgvoorziening. De minderjarige verblijft sinds augustus 2024 bij de pleegmoeder en de eerdere machtiging liep van 19 september 2025 tot 19 maart 2026.

Tijdens de zitting, die zonder vertegenwoordiger van de Raad werd voortgezet, werden de vader, moeder, pleegmoeder en een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling gehoord. De moeder verzet zich tegen verlenging vanwege zorgen over de verstoorde relatie met de pleegouders en de zelfstandigheid van de minderjarige. De pleegmoeder en vader steunen het verzoek.

De kinderrechter constateert dat de minderjarige zich op school positief ontwikkelt en rust en veiligheid ervaart bij de pleegmoeder, maar dat er nog steeds geen contact is met de moeder en er zorgen zijn over de zelfstandigheid en loyaliteitsconflicten. Gezien de lopende netwerkscreening en het belang van stabiliteit wordt het verzoek toegewezen en de machtiging verlengd voor drie maanden, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in pleegzorg voor drie maanden en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439125 / JE RK 25-1544
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. E.M.A Leijser uit Tilburg,
[de pleegmoeder],
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende te [woonplaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. B.J.P. van Gils te Tilburg,
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 19 september 2025;
  • het bericht van de GI met bijlagen van 17 februari 2026.
1.2.
Op 10 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- de pleegmoeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
Hoewel de Raad correct is opgeroepen, is er geen vertegenwoordiger van de Raad bij de zitting verschenen. Gelet op het feit dat de Raad het resterende deel van het verzoek niet heeft ingetrokken en dus handhaaft, de behandeling van de zaak een kwartier later is aangevangen vanwege uitloop van de zitting en het feit dat een vertegenwoordiger die eventueel nog kan aansluiten zeer waarschijnlijk niet voorbereid zal zijn, besluit de kinderrechter de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de Raad. De overige aanwezigen hebben hiertegen geen bezwaar.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 september 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 september 2025 tot 19 september 2026.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 september 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg (bij de pleegmoeder) met ingang van 19 september 2025 tot 19 maart 2026. [minderjarige] verbleef al vanaf augustus 2024, met toestemming van de moeder, bij de pleegmoeder.

3.Het (resterende) verzoek

Thans ligt het volgende verzoek nog ter beoordeling voor:
3.1.
De Raad verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de resterende duur van drie maanden
3.2.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
De GI maakt zich zorgen over de situatie. De WSGV heeft aangegeven geen pleegzorgscreening te zullen starten voornamelijk vanwege de verstoorde verhouding tussen de pleegouders en de moeder. De GI heeft daarom Sterk Huis gevraagd een netwerkscreening uit te voeren. De uitkomst hiervan wordt binnen drie maanden verwacht. [minderjarige] wil graag bij de pleegouders blijven. Contactherstel met de moeder is op dit moment vrijwel niet mogelijk, omdat de pleegouders [minderjarige] hiervoor beschermen, of zelfs afschermen. Op school ontwikkelt [minderjarige] zich positief. Zij haalt goede cijfers, maar er bestaan zorgen over [minderjarige] haar zelfstandigheid. Ook hierin wordt [minderjarige] overmatig beschermd. De GI vermoedt dat zij wordt kleingehouden. Rondom de seksuele ontwikkeling van [minderjarige] bestaan eveneens zorgen. [minderjarige] wordt hierin zodanig beschermd dat zij zich niet op een leeftijdsadequate manier kan ontwikkelen. Daarnaast vindt de GI het zorgelijk dat de regie en de verantwoordelijkheid voor het gezinsonderzoek en de hulpverlening bij [minderjarige] worden gelegd. Deze verantwoordelijkheid past niet bij haar leeftijd. Het gezinsonderzoek is van belang om te weten wat [minderjarige] en de pleegouders nodig hebben.

5.De standpunten van belanghebbende

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De moeder verzoekt de kinderrechter het verzoek af te wijzen. WSGV heeft aangegeven niet te zullen starten met de netwerkscreening bij de pleegouders, gezien de verstoorde onderlinge verhouding. Dit blijkt ook uit de evaluatie van [hulpverlening] en de begeleide brief van de GI. Er staat nu op papier waar de moeder zich al lange tijd zorgen over maakt. Wat de pleegouders te bieden hebben is niet het beste voor [minderjarige] . [minderjarige] wordt klein gehouden. De moeder is geschrokken over de afnemende zelfstandigheid van [minderjarige] . Er wordt volgens de GI wel ingezet op contactherstel met de moeder, maar er is in feite niets veranderd de afgelopen maanden. De moeder mist inzicht bij de pleegouders dat contactherstel met [minderjarige] en de moeder belangrijk is. De moeder vindt daarom een neutrale plek passender voor [minderjarige] . De moeder weet dat een afwijzing van het verzoek betekent dat [minderjarige] terug naar huis moet, terwijl [minderjarige] dat niet wil. De moeder betwijfelt echter of dit de zuivere wens van [minderjarige] is of de mening van de pleegouders.
5.2.
Door de pleegmoeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verzoek. [minderjarige] woont al anderhalf jaar in het gezin van de pleegmoeder. [minderjarige] doet het goed, is zelfstandiger geworden en mag zelf beslissingen nemen. Zij heeft behoefte aan hulpverlening om haar trauma's te bespreken, maar er is nog geen passende hulp gevonden.

6.Het standpunt van informant

6.1.
Door en namens de vader is, samengevat, aangevoerd dat hij zich kan vinden in het verzoek. Het verzoek had volgens de vader direct volledig mogen worden toegewezen. Het contact met [minderjarige] verloopt goed. [minderjarige] wordt steeds zelfstandiger. Het is duidelijk dat er nog een aantal dingen moet gebeuren. De vader vindt het goed dat er hulpverlening komt voor [minderjarige] . Het gaat goed met de vader en zijn persoonlijke hulpverlening. Na de vorige zitting heeft er nog een zitting plaatsgevonden over het gezag van de vader. Dit verzoek is afgewezen. De vader is in afwachting van het hoger beroep.

7.De (nadere) beoordeling

Wettelijk kader
7.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
7.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat er nog altijd wordt voldaan aan de voorwaarden voor een machtiging tot uithuisplaatsing.
7.3.
Het is positief dat het goed gaat met [minderjarige] op school en dat zij weer goed eet. [minderjarige] geeft aan dat zij rust en veiligheid ervaart in de thuissituatie van de pleegmoeder. [minderjarige] heeft regelmatig contact met de vader zonder dat er sprake is van een vaste regeling. [minderjarige] en de vader regelen dit zelf.
Tegelijkertijd heeft de kinderrechter nog forse zorgen over [minderjarige] . Er is al geruime tijd geen contact tussen [minderjarige] en de moeder. [minderjarige] wijst elke vorm van contact met de moeder af. Dit maakt dat [minderjarige] op dit moment nog niet kan worden teruggeplaatst bij de moeder. Verder zijn er zorgen over haar zelfstandigheid en lijkt er sprake van een loyaliteitsconflict. [minderjarige] heeft veel meegemaakt in haar leven en het is duidelijk dat zij behandeling nodig heeft. Dat kan echter pas op het moment dat [minderjarige] voldoende rust, stabiliteit en duidelijkheid heeft over waar zij verblijft. Omdat de pleegzorgscreening door Sterk Huis binnen drie maanden zal zijn afgerond, vindt de kinderrechter het niet in het belang van [minderjarige] dat er nu wordt gekeken naar een wijziging van haar verblijfplaats. Dit maakt dat de kinderrechter het resterende deel van het verzoek zal toewijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
7.4.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7.5.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (mevrouw [de pleegmoeder] ) met ingang van 19 maart 2026 tot 19 juni 2026;
8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 23 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.