Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2767

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/444624 / JE RK 26-195
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Brussel II-terArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 10 maart 2026 een minderjarige onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor zes maanden. Dit volgt op een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, waarbij de rechtbank eerder de bevoegdheid had aanvaard op grond van artikel 12 Brussel Pro II-ter.

De minderjarige heeft in de eerste weken van haar leven ernstig letsel opgelopen door mishandeling door de vader, die hiervoor onherroepelijk is veroordeeld. Dit heeft geleid tot niet-aangeboren hersenletsel en ontwikkelingsachterstanden. De ouders ontkennen de schuld van de vader, wat de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige bedreigt. De moeder is onvoldoende in staat om de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren.

De minderjarige verblijft momenteel in een pleeggezin dat haar veiligheid en ondersteuning biedt. De rechtbank acht gedwongen hulpverlening noodzakelijk en stelt voorwaarden voor de ondertoezichtstelling, waaronder het onderzoeken van het opgroeiperspectief en het contact met de broer. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt beperkt tot zes maanden om snel duidelijkheid te verkrijgen over de toekomstige opvoedingssituatie.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en verdere beslissingen over de machtiging worden aangehouden tot een schriftelijk verslag van de gecertificeerde instelling. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank stelt de minderjarige onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444624 / JE RK 26-195
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland–West-Brabant, Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] (België),
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Gerrits uit Eindhoven
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 januari 2026
  • het stelbericht van mr. Gerrits van 3 maart 2026
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was als toehoorder bij de zitting aanwezig, dhr. [persoon 1] , de vermoedelijke biologische vader van [minderjarige] (hierna: de vader).
2.
De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin in Nederland.
2.3.
Bij beschikking van 3 februari 2026 heeft de rechtbank op verzoek van de Belgische rechter, in het belang van [minderjarige] , de bevoegdheid aanvaard overeenkomstig artikel 12 Brussel Pro 11-ter.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek het navolgende aangevoerd. [minderjarige] is in de eerste weken van haar leven fors letsel toegebracht, waar de vader door de Belgische rechtbank onherroepelijk schuldig aan is bevonden. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren. Als gevolg van deze mishandeling heeft [minderjarige] niet aangeboren hersenletsel. Ook is bij haar sprake van ontwikkelingsachterstanden op motorisch, taal-/spraak en sociaal-emotioneel gebied. De ouders blijven ontkennen dat de vader [minderjarige] het letsel heeft toegebracht, waardoor de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] bij de ouders niet is gewaarborgd. De moeder kan eisend zijn en grenzen opzoeken in het contact. Haar wens is dat [minderjarige] in de toekomst bij haar (en de vader) verder opgroeit, terwijl zij er tegelijkertijd voor kiest haar relatie met de vader te behouden. Gezien het bovenstaande is de moeder op dit moment onvoldoende bereid en in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij geplaatst blijft in het huidige, perspectief biedende pleeggezin, waar zij de veiligheid en ondersteuning geboden krijgt, die zij nodig heeft om zich, binnen haar mogelijkheden, verder te ontwikkelen. Daarbij moet snel duidelijk worden waar het opgroeiperspectief van [minderjarige] ligt en moeten de mogelijkheden van het samen opgroeien met [persoon 2] , haar broertje, worden onderzocht, omdat dat in het belang van beide kinderen is.
4.2.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat de moeder open staat voor hulpverlening en geen bezwaar heeft tegen de ondertoezichtstelling. De moeder is het niet eens met de uithuisplaatsing van [minderjarige] omdat zij zelf voor [minderjarige] wil zorgen. De moeder kan [minderjarige] een veilige en liefdevolle opvoedsituatie bieden. De omgangsmomenten gaan goed, zij sluit goed aan bij de behoefte van [minderjarige] en volgt adviezen van pleegzorg op. Ook staat zij open voor hulpverlening en heeft zij zelfreflectie. De moeder weet zeker dat de vader ten onrechte is veroordeeld, zij begrijpt dan ook niet waarom haar relatie met de vader een probleem is. Sinds de plaatsing in een pleeggezin van [minderjarige] is uitbreiding van de omgang uitgebleven, ook toen de zaak in november is overgedragen aan Nederland. De moeder verwijt dit laatste de GI en de Raad. De moeder vreest dat als een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van twaalf maanden wordt verleend opnieuw niet zal worden gekeken naar uitbreiding van de omgang en thuisplaatsing. Zij verzoekt daarom primair het verzoek uithuisplaatsing af te wijzen en subsidiair om de machtiging in duur te beperken om een vinger aan de pols te houden.
4.3.
De GI is bereid om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uit te voeren. De jeugdbeschermer die ook al bij [persoon 2] betrokken is, zal de zaak direct oppakken als de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken. Over de executie van de straf van de vader is voor zover de jeugdbeschermer bekend nog geen definitief besluit genomen. Recentelijk is besloten dat de vader mag aansluiten bij de bezoeken met [persoon 2] . Als de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken zal worden gekeken of en wanneer het passend is dat de vader ook gaat aansluiten bij de bezoeken met [minderjarige] . Dat is afhankelijk van wat [minderjarige] aankan en van de executie van de straf die aan de vader is opgelegd. Op dit moment verblijven [persoon 2] en [minderjarige] niet in hetzelfde pleeggezin. Als blijkt dat [persoon 2] niet bij de moeder thuis geplaatst wordt zal in gesprek met de pleegouders van [minderjarige] worden gekeken of zij beiden kinderen een plek kunnen bieden. De GI acht een tussentijds toetsmoment niet noodzakelijk, maar staat daar niet afwijzend tegenover.

5.De beoordeling

Internationaal privaatrecht (IPR)
5.1.
De rechtbank heeft de bevoegdheid over de minderjarige [minderjarige] aanvaard.
Gelet hierop is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek van de Raad kennis te nemen en daarop te beslissen. Daarbij wordt Nederlands recht toegepast.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.3.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.5.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige] heeft in haar jonge leventje al heel veel meegemaakt. In de eerste weken van haar leven heeft de vader [minderjarige] fors letsel toegebracht. Hoewel de moeder (met de vader) ten stelligste blijft ontkennen dat de vader hieraan schuldig is, gaat de kinderrechter uit van het onherroepelijke strafvonnis van de Belgische rechter, waarbij de vader is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren. De ontkenning van de ouders vormt nog steeds een (ontwikkelings)bedreiging voor [minderjarige] . De moeder was blijkbaar niet in staat om [minderjarige] toentertijd afdoende te beschermen tegen het geweld van de vader en geeft nu nog steeds aan dat zij geen veiligheidsrisico’s zag en ziet voor [minderjarige] . Vast staat echter dat [minderjarige] ten gevolgen van het letsel niet aangeboren hersenletsel en een ontwikkelingsachterstand heeft. Dat gegeven brengt met zich mee dat zij opvoeders met inzicht in haar mogelijkheden en beperkingen nodig heeft. Die opvoeders heeft zij gevonden in het huidige pleeggezin. Het pleeggezin waar [minderjarige] verblijft omschrijft [minderjarige] als een lief, gezellig meisje met pit die zich binnen haar mogelijkheden traag maar gestaag aan het ontwikkelen is. Ondanks alles doet zij het goed in het pleeggezin.
5.6.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Hoewel de moeder meewerkt aan hulpverlening en de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin, blijft zij aangeven dat zij zelf weer voor [minderjarige] ( haar broertje) wil gaan zorgen. Daarom is het van belang dat er in deze zaak stevige regie wordt gevoerd en gedwongen hulpverlening wordt ingezet. Er moet een duidelijk plan van aanpak zijn en er moet hulpverlening voor [minderjarige] en de moeder worden ingezet. De vader speelt in juridische zin geen rol omdat hij [minderjarige] niet heeft erkend. Tussen de ouders staat echter vast dat hij de verwekker is van [minderjarige] en dus zal ook moeten worden gekeken naar welke (on)mogelijkheden er zijn om hem een rol te geven in het leven van [minderjarige] , waarbij het strafvonnis van de Belgische rechter en de executie van de straf ook dienen te worden meegewogen. Het belang van [minderjarige] dient daarbij te allen tijde de eerste overweging te zijn.
5.7.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. Er wordt aan de wettelijke criteria voldaan. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.8.
Tijdens de ondertoezichtstelling dient in ieder geval te worden gewerkt aan de volgende doelen:
  • [minderjarige] groeit op in een opvoedingsomgeving, waarin zij door opvoeders beschermd wordt tegen geweld en waarin opvoeders fysiek en emotioneel beschikbaar voor haar zijn en kunnen aansluiten bij haar veranderende (ontwikkelings)behoeften.
  • [minderjarige] ontwikkelt zich, binnen haar mogelijkheden, positief.
  • Er is een stabiel en positief contact tussen beide ouders en [minderjarige] .
  • Er is een regelmatig contact tussen [minderjarige] en haar broertje [persoon 2] .
  • [minderjarige] heeft een regelmatig contact met familieleden, zoals de oma’s.
  • De ouders hebben hun leven op orde (hebben een eigen woonplek, een dagbesteding, hun financiën op orde).
  • Er is zicht op de (on)mogelijkheden van moeder/ouder(s) als opvoeder(s) en verzorger(s) van [minderjarige] .
  • Het is duidelijk bij wie [minderjarige] verder gaat opgroeien.
  • De mogelijkheden voor het samen opgroeien van [minderjarige] met haar broertje [persoon 2] worden onderzocht.
5.9.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. Het is gelet op hiervoor overwogene over de ernst van de ontwikkelingsbedreiging van belang dat [minderjarige] vooralsnog in het huidige, perspectief biedend pleeggezin blijft. Daar wordt haar veiligheid en ondersteuning geboden en is zij zich langzaam maar zeker aan het ontwikkelen.
5.10.
Wat betreft de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing hinkt de kinderrechter op twee gedachten. Enerzijds is tijd nodig om de omgang met de moeder uit te breiden om zicht te krijgen op haar opvoedkwaliteiten en te bekijken of en hoe de omgang tussen [minderjarige] en de vader tot stand kan komen. Anderzijds is het gelet op de zeer jonge leeftijd van [minderjarige] en het feit dat zij al sinds enkele weken na haar geboorte uit huis is geplaatst voor alle betrokkenen van groot belang dat er snel duidelijkheid komt over het opgroeiperspectief van [minderjarige] . Dat laatste legt voor de kinderrechter het meeste gewicht in de schaal. Er moeten snel stappen worden gezet om te bepalen waar [minderjarige] verder mag gaan opgroeien en wie haar opvoeders gaan zijn. De aanvaardbare termijn, de termijn dat er onzekerheid is over bij wie zij zal opgroeien, is voor dit zeer jonge meisje kort, juist door alles wat zij heeft meegemaakt. Zij moet zich zo snel mogelijk veilig kunnen gaan hechten aan haar opvoeders. Een volgend trauma door een wisseling van opvoeders waaraan zij inmiddels veilig gehecht is, moet worden voorkomen.
De kinderrechter zal gelet op het voormelde de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing beperken tot zes maanden, te weten tot 10 september 2026. Het resterende deel van het verzoek zal pro forma worden aangehouden. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij voortvarend op zoek gaat naar een hulpverleningsinstantie die op zeer korte termijn een perspectiefonderzoek kan verrichten. Indien nodig kan ook de Raad worden betrokken. Uiterlijk op nagenoemde pro forma datum dient de GI de kinderrechter in een schriftelijk verslag te informeren over de actuele stand van zaken ten aanzien van in ieder geval het perspectiefonderzoek en de voortgang van de doelen, een en ander onder gelijktijdige verzending daarvan aan (de advocaat van) de moeder en de Raad.
5.11.
De kinderrechter verklaart de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter vindt dat van belang voor [minderjarige] .

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 10 maart 2026 tot 10 maart 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 10 maart 2026 tot 10 september 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt iedere verdere beslissing op het resterende deel van het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing aan tot
30 augustus 2026 PRO FORMAin afwachting van het schriftelijke verslag van de GI zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.10;
6.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 23 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.