Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2768

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/445227 / JE RK 26-293
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarigen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en gebrek aan regie in hulpverlening

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt om ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen vanwege ernstige bedreigingen in hun ontwikkeling. Uit aanvullend onderzoek blijkt dat er geen stabiele en emotioneel veilige opvoedsituatie is ontstaan, met signalen van chronische stress, slaapproblemen en achteruitgang in functioneren. De samenwerking tussen hulpverleners is onvoldoende, waardoor noodzakelijke regie ontbreekt.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag en de kinderen wonen bij de moeder. De omgang met de vader is pril en kwetsbaar, en er is sprake van loyaliteitsconflicten. De moeder erkent de stress en slaapproblemen bij de kinderen, maar wijst op de onrustige woonomgeving als medeoorzaak. De vader onderschrijft de zorgen en benadrukt het belang van een ondertoezichtstelling voor een jaar vanwege de complexiteit en het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan. De ontwikkeling van de kinderen wordt ernstig bedreigd en vrijwillige hulpverlening is onvoldoende. Er is behoefte aan een regievoerder die de hulpverlening coördineert en de ouders ondersteunt. De beschikking wordt voor de duur van een jaar gegeven en is direct uitvoerbaar, met een plan van aanpak gericht op continuering van hulpverlening, traumaverwerking, behoud van speciaal onderwijs, en verbetering van de omgang en samenwerking tussen ouders.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarigen onder toezicht voor de duur van een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445227 / JE RK 26-293
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland–West-Brabant, Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. D.V. Garib uit Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. R. Joosen uit Oosterhout.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 februari 2026.
  • het stelbericht van mr. Garib van 20 februari 2026;
  • het stelbericht van mr. Joosen van 24 februari 2026;
  • het bericht met bijlage van mr. Garib van 4 maart 2026;
  • het bericht met bijlagen van mr. Joosen van 4 maart 2026
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
De GI is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de GI wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.4.
Bij beschikking van 16 februari 2026 in de zaak met zaaknummer C/02/437712 / FA RK 25-3642 betreffende een zorgregeling heeft de rechtbank bepaald dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per week gedurende één uur per minderjarige, begeleid door [hulpverlening 1] en heeft de rechtbank vastgesteld dat partijen hebben afgesproken dat de onder 6.1 vermelde basisregeling door [hulpverlening 1] mag worden uitgebreid in tijd, frequentie, plaats en/of mate van begeleiding indien [hulpverlening 1] dat in het belang van de minderjarigen acht. De verdere beslissing op de verzoeken van de man en de vrouw over de zorgregeling zijn aangehouden.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek het navolgende aangevoerd. Uit het aanvullende onderzoek van de Raad blijkt dat er na het eerder raadsonderzoek geen stabiele, voorspelbare en emotioneel veilige opvoedsituatie is ontstaan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tonen in toenemende mate signalen van chronische stress, vermoeidheid, slaapproblematiek en hyperalertheid. Daarnaast worden vanuit school en PMT zorgen geuit over achteruitgang in functioneren en zelfzorg. De beoogde stabilisatie in het systeem is uitgebleven. De loyaliteitsproblematiek is niet verminderd, maar lijkt te zijn verergerd. De omgang tussen de vader en kinderen bevindt zich nog in een pril en kwetsbaar stadium. De samenwerking tussen betrokken hulpverleners is onvoldoende samenhangend, waardoor noodzakelijke afstemming en monitoring ontbreken. Hiermee is de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet alleen blijven bestaan, maar in ernst toegenomen. Hoewel beiden ouders formeel deelnemen aan hulpverlening worden de eerder geformuleerde doelen niet behaald. Het werken aan pedagogische stabiliteit, emotie agressieregulatie en samenwerking tussen ouders stagneert.
4.2.
Door en namens de moeder is primair verzocht om het verzoek af te wijzen en subsidiair om de ondertoezichtstelling in duur te beperken tot zes maanden. De moeder is overvallen door de door instanties geuite zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Als deze eerder waren geuit had zij hier iets aan kunnen doen. Door de Raad is enkel gesproken met de gedragswetenschapper van de [accommodatie] . Het zijn juist de docenten van de [accommodatie] die positief zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zo blijkt uit het overgelegde ontwikkeling en perspectiefplan. Over de omgang met de vader zijn betere afspraken gemaakt. Dat dit eerder niet goed liep is niet enkel aan de moeder te wijten, zo heeft het bijvoorbeeld lang geduurd voor er passende omgangsbegeleiding was. De moeder herkent zich niet in het beeld dat zij defensief reageert op zorgen van professionals. Wel herkent de moeder dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] slaapproblemen hebben en gestrest en hyperalert zijn. Dit komt niet alleen door wat er tussen de ouders is gebeurd, maar ook door de onrustige woonomgeving waarin zij wonen. De woonomgeving maar ook andere stressoren hebben de draagkracht van de moeder aangetast. De moeder is het met de Raad eens dat er onvoldoende samenhang is tussen de hulpverlening en dat het goed is als daarop regie wordt gevoerd.
4.3.
Door en namens de vader is aangevoerd dat het verzoek kan worden toegewezen. De vader herkent en deelt de zorgen uit het raadsrapport. Deze zorgen worden door verschillende instanties geuit en zijn ook al eerder met de moeder gedeeld. Er is veel hulpverlening betrokken, maar het ontbreekt aan regie. Vrijwillige hulpverlening is niet voldoende gebleken om de problemen op te lossen. De vader is blij dat hij weer fysieke omgang heeft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Op dit moment is er elke donderdag een uur begeleide omgang met beiden jongens apart. De moeder is de omgangsafspraken niet consequent nagekomen. Afgesproken is dat de vader met zijn begeleider [minderjarige 1] uit school haalt, waardoor de omgang nu beter gaat. Het kan echter niet zo zijn dat de omgang zo beperkt blijft. Ook is er geen samenwerking tussen de ouders en houdt de moeder de vader niet op de hoogte van de ontwikkelingen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader acht een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden noodzakelijk. Een ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden is gezien alle zorgen die er zijn en het gelet op feit dat er niet direct een vaste jeugdbeschermer zal zijn, onvoldoende.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. De kinderrechter onderschrijft met de Raad de zorgen over het ontbreken van een stabiele en fysieke en emotioneel veilige opvoedingsomgeving voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Vanuit de [accommodatie] en de hulpverlening komen zorgelijke signalen over stress, vermoeidheid en hyperalertheid bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze zorgen worden door de ouders ook deels herkend. Niet alleen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren veel stress, ook de ouders staan onder hoge druk. De draagkracht van de moeder is verminderd waardoor het haar onvoldoende lukt om consequent en voorspelbaar opvoedingsgedrag te tonen. De vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben sinds lange tijd weer omgang met elkaar. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien de vader graag, maar zitten ook in een loyaliteitsconflict. De omgang is dus kwetsbaar en het is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van belang dat zij weten waar zij aan toe zijn in het contact met de vader en dat zij daar ook op kunnen gaan vertrouwen. Verder zijn er zorgen over het ontbreken van oudercommunicatie en over de voortdurende ouderstrijd.
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreigingen van de minderjarigen kunnen niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Gebleken is dat de samenwerking tussen de vele betrokkene hulpverleners onvoldoende samenhangend is. Vanuit de [accommodatie] en de hulpverlening zijn veelal dezelfde zorgelijke signalen gezien, maar door het gebrek aan voortvarende regievoering is iedereen langs elkaar heen gaan werken en is het onvoldoende gelukt om deze zorgen weg te nemen of te verminderen. Het ontbreken van regie heeft er toe geleid dat de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te lang stil heeft gelegen Het heeft ook tot gevolg gehad dat zorgelijk signalen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mogelijk niet duidelijk genoeg met de ouders zijn gecommuniceerd en zij zich onvoldoende gehoord hebben gevoeld waardoor het hen niet is gelukt om voldoende aan te haken bij de aangeboden hulpverlening. De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk dat er een regievoerder komt die duidelijke visie heeft, voortvarend optreedt, de hulpverlening goed gaat oplijnen en de ouders een steuntje in de rug biedt. In het plan van aanpak moet ook de omgang tussen de vader en de minderjarigen worden meegenomen. De regie daarover ligt nu nog bij [hulpverlening 1] , maar het is passender dat de GI die regie overneemt. De betrokkenheid van een duidelijke regievoerder neemt hopelijk een deel van de stress bij de ouders weg zodat zij zich op hun eigen stuk kunnen richten. Het is zeker wat voor de moeder als hoofdopvoeder van belang dat haar draagkracht en draaglast niet verder uit balans raken.
5.5.
De ondertoezichtstelling is nodig voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er wordt voldaan aan de wettelijke criteria. De kinderrechter stelt hen onder toezicht voor de duur van een jaar. Een kortere termijn acht de kinderrechter niet passend. Het zal gelet op de huidige wachtlijsten helaas enige tijd duren voordat er een vaste jeugdbeschermer bij het gezin betrokken zal zijn. Wel dient er zo snel mogelijk een plan van aanpak te worden opgesteld door de GI en dient de GI ook haar taak als regievoerder direct op te pakken.
5.6.
Tijdens de ondertoezichtstelling dient in ieder geval te worden gewerkt aan de volgende doelen:
  • De bestaande hulpverlening aan de kinderen en ouders wordt gecontinueerd;
  • De speltherapie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt voortgezet om verdere traumaverwerking mogelijk te maken;
  • Het speciaal onderwijs wordt behouden vanwege de geboden structuur en veiligheid;
  • Het individuele hulpverleningstrajecten van beiden ouders wordt voortgezet, met nadruk op traumaverwerking, emotieregulatie en acceptatie van de nieuwe ouderschapsvorm;
  • De vader blijft begeleiding ontvangen vanuit [hulpverlening 2] en [hulpverlening 3] , gericht op agressieregulatie, emotieregulatie en het ontwikkelen van zijn rol als opvoeder;
  • De moeder blijft begeleiding ontvangen vanuit [hulpverlening 4] , [hulpverlening 2] en [hulpverlening 5] , gericht op haar persoonlijke ontwikkeling en pedagogisch functioneren;
  • De ouders krijgen psycho-educatie over LVB-problematiek en loyaliteit, om beter aan te kunnen sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van hun kinderen;
  • Er wordt een duidelijke, opbouwende en veilige omgangsregeling met vader gerealiseerd, onder begeleiding van professionals die bekend zijn bij de kinderen;
  • De ouders ontvangen begeleiding richting (solo) parallel ouderschap, waarin zij leren naast elkaar te functioneren als opvoeders zonder direct onderling contact.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter vindt dat in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 10 maart 2026 tot 10 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 20 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.