Uitspraak
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
Betreft: verhuur [jacht] 2018
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, wilde een liquidatieverlies van de Ltd in aanmerking nemen voor de vennootschapsbelasting 2019. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de onderneming van de Ltd nog niet geheel of nagenoeg geheel was gestaakt op het moment van voeging in de fiscale eenheid per 1 april 2018.
De Ltd was sinds oprichting structureel verlieslatend en had haar activiteiten, waaronder verhuur van een jacht, vanaf 2016 sterk verminderd. Vanaf augustus 2017 werd het jacht niet meer aan derden verhuurd en in december 2018 verkocht. Belanghebbende kon geen bewijs leveren van voortgezette activiteiten na voeging. Hierdoor kan het liquidatieverlies slechts worden toegerekend aan de winst van BV1, die in 2019 negatief was, zodat het verlies niet in aftrek kan worden gebracht.
Daarnaast is het beroep gegrond voor zover het ziet op de belastingrentebeschikking. De rechtbank volgt het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 en bepaalt dat de belastingrente over 2022 en 2023 moet worden berekend tegen het lagere tarief voor andere belastingen. De inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige belastingkamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 januari 2026. Belanghebbende kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het liquidatieverlies wordt afgewezen, maar de belastingrentebeschikking wordt verminderd en de inspecteur moet griffierecht en proceskosten vergoeden.