Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:277

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/6969
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13d Wet VpbArt. 15ab Wet VpbArt. 1 Besluit belasting- en invorderingsrente
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing liquidatieverlies en gedeeltelijke toewijzing belastingrente in fiscale eenheid vennootschapsbelasting

Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, wilde een liquidatieverlies van de Ltd in aanmerking nemen voor de vennootschapsbelasting 2019. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de onderneming van de Ltd nog niet geheel of nagenoeg geheel was gestaakt op het moment van voeging in de fiscale eenheid per 1 april 2018.

De Ltd was sinds oprichting structureel verlieslatend en had haar activiteiten, waaronder verhuur van een jacht, vanaf 2016 sterk verminderd. Vanaf augustus 2017 werd het jacht niet meer aan derden verhuurd en in december 2018 verkocht. Belanghebbende kon geen bewijs leveren van voortgezette activiteiten na voeging. Hierdoor kan het liquidatieverlies slechts worden toegerekend aan de winst van BV1, die in 2019 negatief was, zodat het verlies niet in aftrek kan worden gebracht.

Daarnaast is het beroep gegrond voor zover het ziet op de belastingrentebeschikking. De rechtbank volgt het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 en bepaalt dat de belastingrente over 2022 en 2023 moet worden berekend tegen het lagere tarief voor andere belastingen. De inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

De uitspraak is gedaan door de meervoudige belastingkamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 januari 2026. Belanghebbende kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het liquidatieverlies wordt afgewezen, maar de belastingrentebeschikking wordt verminderd en de inspecteur moet griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6969
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 januari 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] BV, gevestigd te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. L.G.L.M. van Well),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 september 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende als moedermaatschappij van de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (Vpb) voor het jaar 2019 een aanslag Vpb opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 510.302.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 23.734 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) berekend over de periode 1 juli 2020 tot en met 9 december 2023.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.A.J. Rooyakkers en de gemachtigde van belanghebbende vergezeld door drs. [persoon 1] en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , drs. [inspecteur 3] en mr. [inspecteur 4] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag Vpb 2019 niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of belanghebbende een liquidatieverlies in aanmerking mocht nemen. Verder beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikking tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag Vpb 2019 niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. Belanghebbende mocht geen liquidatieverlies in aanmerking nemen. Verder is de belastingrentebeschikking tot een te hoog bedrag vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Op 8 februari 2005 is [de Ltd] Ltd (de Ltd) naar het recht van Isle of Man opgericht met een volgestort kapitaal van £ 2. [persoon 2] ( [persoon 2] ) hield (indirect) alle aandelen in de Ltd. Vanaf de oprichting is de Ltd structureel verlieslatend geweest.
3.1.
[persoon 2] bezat tot medio 2005 in privé het [jacht] . In 2005 verkocht [persoon 2] het [jacht] aan de Ltd voor een bedrag van € 2.000.000. De koopsom van het [jacht] bleef de Ltd schuldig aan [persoon 2] .
3.2.
Een rechtsvoorganger van [B.V. 1] BV nam in 2005 de vordering van € 2.000.000 van [persoon 2] op de Ltd over tegen nominale waarde.
3.3.
Op 20 september 2013 verkocht [persoon 2] , vooruitlopend op de levering van de juridische eigendom, zijn economische eigendom van de certificaten in de Ltd aan [B.V. 1] BV voor een bedrag van £ 2.
3.4.
[B.V. 1] BV verstrekte tot en met het boekjaar 2013 geldleningen aan de Ltd waarmee de verliezen van de Ltd in de periode 2005 tot en met 2013 werden gecompenseerd.
3.5.
Op 3 oktober 2013 zette [B.V. 1] BV haar vordering op de Ltd om in kapitaal. Op dat moment was de vordering € 5.675.897 inclusief € 911.351 aan bijgeschreven rente. Na 3 oktober 2013 bleef [B.V. 1] BV gelden verstrekken aan de Ltd in de vorm van kapitaal.
3.6.
Tot 24 december 2015 hield [persoon 2] via [administratiekantoor] , alle aandelen in [B.V. 1] BV.
3.7.
Op 24 december 2015 richtte [administratiekantoor] belanghebbende op.
3.8.
Op 24 december 2015 verwierf belanghebbende alle aandelen in [B.V. 1] B.V. voor een bedrag van £ 2.
3.9.
Met ingang van 1 april 2018 zijn belanghebbende, als moedermaatschappij, met [B.V. 1] BV, als dochtermaatschappij, gevoegd in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.
3.10.
Op 6 december 2018 heeft de Ltd het jacht aan [administratiekantoor] verkocht.
3.11.
De Ltd is ontbonden op 4 november 2019.
3.12.
De Ltd beschikte ten tijde van de ontbinding niet over een positief eigen vermogen. Er was geen sprake van een liquidatie-uitkering.
3.13.
Tot het dossier behoort een overzicht van het jaarlijkse resultaat van de Ltd:
3.14.
Tot het dossier behoren voorts overzichten van de verhuur van het [jacht] .
Het document over 2017 bevat over de verhuur de volgende gegevens:
“ Betreft: verhuur [jacht] 2017
Periode
15 t/m 15 maart [B.V. 2] VOF (…) Netto Fee € 3.000,00 (…)
14 t/m 26 aug. [persoon 2] (…) Netto Fee € 42.900,00(…)”
Het document over 2018 bevat over de verhuur de volgende gegevens:

Betreft: verhuur [jacht] 2018
Periode
11 t/m 14 mei [persoon 2] (…) Netto Fee € 10.800,00 (…)
14 t/m 22 juli [persoon 2] (…) Netto Fee € 26.400,00 (…)
27 sept. t/m 5 okt. [persoon 2] (…) Netto Fee € 24.000,00 (…)”
3.15.
[B.V. 1] BV heeft over het boekjaar 2019 een zelfstandig resultaat behaald van € 343.300 negatief. Voorts is er in geen enkel jaar in de aangifte verzocht om vaststelling bij beschikking van het voor de Ltd opgeofferde bedrag.

Motivering

4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het liquidatieverlies door de liquidatie van de Ltd € 6.121.263 bedraagt en verrekend kan worden met de winsten van alle in de fiscale eenheid gevoegde maatschappijen in 2019.
4.1.
De inspecteur betoogt dat het opgeofferde bedrag nihil is, zodat geen sprake kan zijn van een liquidatieverlies. Indien toch sprake is van een opgeofferd bedrag dan is de inspecteur van mening dat een eventueel liquidatieverlies slechts in aanmerking kan worden genomen voor zover de winst van de fiscale eenheid is toe te rekenen aan de maatschappij die de deelneming hield, omdat de door de Ltd gedreven onderneming op het moment dat fiscale eenheid werd aangegaan reeds was gestaakt.
Het liquidatieverlies
4.2.
Artikel 13d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) bepaalt, voor zover hier van belang als volgt:
“1. De deelnemingsvrijstelling vindt geen toepassing ten aanzien van een verlies op een deelneming dat tot uitdrukking komt nadat het lichaam waarin de belastingplichtige deelneemt is ontbonden (liquidatieverlies).
2. Het liquidatieverlies wordt gesteld op het bedrag waarmede het door de belastingplichtige voor de deelneming opgeofferde bedrag het totaal van de liquidatie-uitkeringen overtreft.”
4.3.
Artikel 15ab, tweede lid, van de Wet Vpb bepaalt:
“Indien op het tijdstip van voeging van een maatschappij tot het vermogen van die maatschappij een deelneming behoort waarvan de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt, dan wel daartoe is besloten, of indien op het tijdstip van voeging van een maatschappij tot het vermogen van die maatschappij een onderneming behoort waarop het bepaalde in artikel 13e van toepassing is, komt, onverminderd het bepaalde in de artikelen 13d en 13e, een liquidatieverlies uit hoofde van de deelneming slechts in aftrek voorzover de winst van de fiscale eenheid, zonder rekening te houden met dat liquidatieverlies, aan die maatschappij is toe te rekenen.”
4.4.
Ten aanzien van de voor het liquidatiesverlies geldende bewijslastverdeling heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 29 september 2023 [1] als volgt overwogen:
“De bewijslast dat en tot welk bedrag een liquidatieverlies in aanmerking kan worden genomen, rust op belanghebbende. Zij zal de omvang daarvan overtuigend moeten aantonen (...).”
4.5.
Om redenen van proceseconomie behandelt de rechtbank de beperking van artikel 15ab, tweede lid, van de Wet Vpb eerst en gaat de rechtbank er veronderstellenderwijs van uit dat er een liquidatieverlies is.
4.6.
In het geval dat de door de Ltd gedreven onderneming reeds geheel of nagenoeg geheel gestaakt was op het moment dat [B.V. 1] BV in de fiscale eenheid werd gevoegd, kan het liquidatieverlies slechts in aanmerking worden genomen voor zover de winst van de fiscale eenheid aan [B.V. 1] BV is toe te rekenen. Zoals hierboven is vermeld, rust de bewijslast om het in aanmerking te nemen liquidatieverlies overtuigend aan te tonen op belanghebbende. Het is dus aan belanghebbende om overtuigend aan te tonen dat de onderneming van de Ltd nog werd gedreven en dus nog niet geheel of nagenoeg geheel gestaakt was op het moment dat [B.V. 1] BV in de fiscale eenheid werd gevoegd op 1 april 2018. Tussen partijen is op zich niet in geschil dat de omzet vanaf 2016 van de Ltd sterk is afgenomen. Belanghebbende voert echter aan dat de omzet van de Ltd niet tot minder dan 10% is teruggelopen ten opzichte van eerdere jaren en dat daarmee de onderneming dus ook niet nagenoeg geheel gestaakt was.
4.7.
Ook is niet in geschil dat de activiteiten van de Ltd initieel bestonden uit het verhuren van het jacht binnen de groep en aan derden. In 2017 werd het jacht alleen nog verhuurd aan [persoon 2] en aan een andere gelieerde partij (zie 3.14). Vanaf 26 augustus 2017 tot het moment van voeging in de fiscale eenheid op 1 april 2018 werd het jacht al meer dan een half jaar niet verhuurd (zie 3.14). Na het moment van voeging in 2018 werd het jacht alleen een paar keer verhuurd aan [persoon 2] waarna het jacht in december van dat jaar aan [persoon 2] is verkocht (zie 3.10). Er is dus in de periode van voeging geen sprake geweest van enige verhuur aan derden. Belanghebbende heeft gesteld wel activiteiten te hebben ontplooid in de jaren 2017-2018 om het jacht te kunnen verhuren. Voor deze door belanghebbende gestelde inspanningen die door de inspecteur betwist worden, heeft belanghebbende geen bewijs geleverd.
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn voorgaande feiten en omstandigheden onvoldoende om overtuigend aangetoond te achten dat de onderneming nog bestond althans niet nagenoeg geheel gestaakt was op het moment van voeging in de fiscale eenheid. Belanghebbende voldoet dus niet aan de op haar rustende bewijslast.
4.9.
Het voorgaande brengt mee dat een liquidatieverlies alleen in aftrek zou kunnen worden gebracht voor zover de winst van de fiscale eenheid is toe te rekenen aan [B.V. 1] BV. Uit de jaarstukken van [B.V. 1] BV over het jaar 2019 volgt echter dat [B.V. 1] BV in 2019 een negatief resultaat heeft behaald van € 343.000 (zie 3.15), zodat enig liquidatieverlies reeds om die reden niet in 2019 in aftrek kan worden gebracht. Het beroep van belanghebbende is reeds daarom ongegrond.
Belastingrente
4.10.
Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 [2] slaagt het beroep van belanghebbende gericht tegen de uitspraak op bezwaar over de belastingrentebeschikking. Dat betekent dat de belastingrente moet worden verlaagd en moet worden bepaald met toepassing van de algemene regel van artikel 1, letter a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente voor zover de belastingrente berekend is over de jaren 2022 en 2023. Dus kort gezegd naar het lagere percentage dat geldt voor andere belastingen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond voor zover het ziet op de belastingrentebeschikking. Voor het overige is het beroep ongegrond.
5.1.
Omdat het beroep deels gegrond is moet de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 371 aan haar vergoeden. Ook krijgt belanghebbende een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding voor de rechtsbijstand door de gemachtigde bedraagt dan in totaal € 1.868. Belanghebbende heeft voorts recht op een vergoeding van de reiskosten die zij heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting op basis van openbaar vervoer tweede klasse. De rechtbank zal daarom een reiskostenvergoeding van € 23,58 toekennen

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar over de belastingrentebeschikking gegrond;
- bepaalt dat de belastingrentebeschikking dient te worden verminderd overeenkomstig het lagere percentage dat geldt voor andere belastingen op basis van het Besluit belasting- en invorderingsrente voor zover de belastingrente is berekend over de jaren 2022 en 2023;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.891,58 aan proceskostenvergoeding aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzitter, en mr.drs. J.H. Bogert en mr.drs. P.E.C. Vossenberg, leden, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré.
griffier
voorzitter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1335, r.o. 4.5.2.