Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2770

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/445370 / JE RK 26-313
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265b lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onder toezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen voor de duur van een jaar en machtiging tot uithuisplaatsing van één kind in een pleegzorgvoorziening voor zes maanden. De kinderen verkeren in een onveilige en onrustige thuissituatie met wisselende verblijfplaatsen, wat hun ontwikkeling ernstig bedreigt. Er is sprake van een loyaliteitsconflict tussen de moeder en de oma, waarbij de kinderen niet weten wie ze kunnen vertrouwen.

Tijdens de zitting werden de moeder, vader, oma en vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling gehoord. De moeder erkent de problematiek en werkt mee aan hulpverlening, hoewel de uithuisplaatsing van één kind als ingewikkeld wordt ervaren. De vader is recent weer in beeld en ondersteunt de ondertoezichtstelling. De oma verzorgt het kind dat bij haar verblijft en ervaart beperkingen door het ontbreken van gezag.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is voldaan. De kinderen zijn kwetsbaar en worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd door de onveilige situatie, het ontbreken van schoolgang en het loyaliteitsconflict. De uithuisplaatsing is noodzakelijk om rust en stabiliteit te creëren. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de mogelijkheid tot hoger beroep wordt toegekend.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de kinderen onder toezicht en machtigt de uithuisplaatsing van één kind voor rust en stabiliteit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445370 / JE RK 26-313
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.M.G. Cox uit Tilburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ;
[de oma],
hierna te noemen: de oma (mz),
wonende in [woonplaats 2] ;
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2026;
  • het bericht van de Raad van 25 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
- de oma (mz);
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toestemming verleend voor de aanwezigheid van de partner van de moeder en de partner van de pleegmoeder van [minderjarige 1] .
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. [minderjarige 1] heeft een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] verblijft bij de oma (mz).
2.3.
[minderjarige 2] verblijft bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ook verzoekt de Raad een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg (bij de oma mz) voor de duur van zes maanden.
3.3.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de Raad

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan.
De Raad ziet dat er veel onrust en wisselingen in de thuissituatie hebben plaatsgevonden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] reageren daar beiden anders op. Er is veel strijd tussen de moeder en de oma (mz). Er is sprake van een loyaliteitsconflict. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weten niet wie ze kunnen vertrouwen. De vader is sinds kort in beeld. De Raad vindt het daarnaast erg zorgelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet naar school toe gaan. Er bestaan grote zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.2.
Er is de afgelopen jaren al veel hulpverlening ingezet. De Raad ziet dat de moeder de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] echt wil verbeteren, maar dat het haar niet altijd is gelukt om met de hulpverlening aan de slag te gaan en opvoedingsmethodieken toe te passen. Er zijn daardoor niet veel stappen gezet met de betrokken hulpverlening. Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om te kunnen onderzoeken wat er speelt en wat er nodig is. Pas daarna kan worden gekeken naar waar de kinderen zouden moeten gaan wonen. Op dit moment hoeft dat nog niet vanuit een neutrale plek te gebeuren en acht de Raad het in het belang van [minderjarige 1] om bij de oma (mz) te verblijven en [minderjarige 2] bij de moeder.

5.Het standpunt van belanghebbende

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De moeder kan zich vinden in de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er is veel hulpverlening bij het gezin betrokken geweest. De moeder heeft geprobeerd in het vrijwillig kader de juiste hulp te vinden, maar dat is niet gelukt. Het is goed dat er iemand naast de ouders komt te staan die verantwoordelijk is voor de zorg. De moeder wil aan alle hulpverlening meewerken. De moeder vindt het zorgelijk dat de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet naar school gaan, omdat dit juist regelmaat en structuur biedt. De moeder vindt de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] ingewikkeld. [minderjarige 2] is terug bij de moeder en dat verloopt goed. [minderjarige 1] verblijft bij de oma (mz), terwijl dat geen neutrale plek is. Contact tussen [minderjarige 1] en de moeder wordt daardoor bemoeilijkt.

6.Het standpunt van informanten

6.1.
De vader heeft, samengevat, aangegeven dat hij zich kan vinden in de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Sinds kort heeft hij weer contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat loopt goed. Er is veel onbekend voor de vader, zo wist hij niet dat de Raad een rapport had opgesteld. De vader is niet blij met het gedrag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat geldt ook voor het feit dat zij niet naar school gaan. De vader vindt het belangrijk dat er rust komt.
6.2.
Door de oma (mz) is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De oma is het eens met de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . Sinds [minderjarige 1] bij de oma (mz) woont is zij niet alleen meer oma, maar ook opvoeder. De oma (mz) stelt regels en grenzen. Omdat de oma (mz) geen gezag heeft, kan zij niet met de school in gesprek gaan over de schoolgang van [minderjarige 1] . De oma (mz) hoopt dat er snel hulpverlening komt met wie [minderjarige 1] kan praten.
6.3.
Door de GI is, samengevat, het volgende verklaard. Er is sprake van een zorgelijke situatie. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] hebben complexe kindeigen problematiek. Voor het laten slagen van een ondertoezichtstelling is het heel belangrijk dat alle volwassenen meewerken aan de hulpverlening. Ook is het van belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet verwikkelt raken in de (verstoorde) verhoudingen tussen de volwassenen. De GI hoopt dat er snel een vaste jeugdbeschermer komt voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar kan geen uitspraak doen over de termijn.

7.De beoordeling

Ondertoezichtstelling
7.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
7.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er wordt aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling voldaan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn kwetsbare meiden en worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben jarenlang in een onveilige en onrustige thuissituatie gewoond. Er was sprake van zowel fysiek als verbaal geweld. Ook zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vaak gewisseld van verblijfplaats waardoor er geen rust en stabiliteit is geweest. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan niet naar school en lopen weg na escalaties of confrontaties. Er is sprake van een fors loyaliteitsconflict. De band tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lijkt hierdoor verstoord. [minderjarige 2] onttrekt zich aan gezag en laat zelfbepalend gedrag zien. Er bestaan forse zorgen over de mentale gezondheid van [minderjarige 1] en het feit dat zij in 2025 een winkeldiefstal heeft gepleegd. De oma (mz) heeft in januari 2026 aangifte gedaan van aanranding namens [minderjarige 1] .
7.3.
Er is al veel hulpverlening betrokken geweest. De inzet hiervan heeft om allerlei redenen niet het gewenste effect gehad. De komende periode zal de GI moeten onderzoeken welke hulpverlening nodig is. Gelet op de wisselende motivatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten aanzien van hulpverlening is het des te belangrijker dat wordt gekeken naar hulpverlening die daadwerkelijk aansluit op hun behoeften en mogelijkheden. Het is positief dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds kort weer contact met de vader hebben. De mogelijkheden voor het contact met hem moeten verder onderzocht worden.
7.4.
Het is voor de toekomst van belang dat alle betrokken volwassenen op een goede manier met elkaar omgaan en communiceren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten geen last hebben van de (verstoorde) verhoudingen tussen de volwassenen om hen heen en moeten het gevoel hebben dat zij met iedereen op een normale manier contact mogen hebben.
7.5.
De doelen waaraan tijdens de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden, zijn:
  • [minderjarige 1] kan op een veilige manier haar emoties uiten/reguleren (geen automutilatie, geen suïcidale gedachten en geen verdovende middelen).
  • [minderjarige 2] kan haar gedachten en gevoelens adequaat uiten (niet door zelfbepalend en opstandig gedrag).
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen openlijk loyaal zijn aan voor hen belangrijke personen zodat zij toekomen aan het ontwikkelen van een eigen identiteit.
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een (emotioneel) veilige en stabiele thuissituatie. Dit wil zeggen er wordt in huis niet geschreeuwd, gescholden, gedreigd of elkaar fysiek pijn gedaan en er worden passende regels, grenzen en verwachtingen gesteld. Daarbij worden zij gestimuleerd in hun ontwikkeling en worden hierin ‘gezien en gehoord’ door hun opvoeders.
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden niet belast met volwassenzaken.
  • De moeder heeft haar emoties onder controle en heeft inzicht in haar eigen handelen ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgen passend onderwijs of dagbesteding volgens rooster.
  • Het is duidelijk welke mogelijkheden er zijn om de vader een ondersteunende rol te laten spelen in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Uithuisplaatsing
7.6.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 en 2 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de Raad, machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
7.7.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat ook aan de voorwaarden voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] wordt voldaan. Gelet op de onderlinge verhoudingen en de gezinsdynamiek, is het op dit moment geen optie dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] binnen één gezin verblijven. Daarbij vertoont [minderjarige 1] momenteel veel weerstand richting de moeder en geeft aan dat zij bij de oma (mz) wil blijven. Het is belangrijk dat de rust bewaard blijft en er hulpverlening ingezet kan worden. Vanuit een rustige en stabiele situatie kan worden gekeken naar de toekomstige verblijfplaatsen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Uitvoerbaar bij voorraad
7.8.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op de aard van de maatregelen, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 10 maart 2026 tot 10 maart 2027;
8.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg (oma mz) met ingang van 10 maart 2026 tot 10 september 2026;
8.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 23 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.