Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2771

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/442329 / FA RK 25-6077
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Haerkens-Wouters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253c BWArt. 1:377a lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige contactregeling en doorverwijzing naar hulptraject bij geschil over gezamenlijk gezag en vakantie

De man en vrouw zijn ouders van een minderjarige geboren in 2021. De man verzoekt om gezamenlijk gezag, een omgangsregeling en vervangende toestemming voor een vakantie naar Turkije. De vrouw stemt niet in met gezamenlijk gezag en heeft bezwaren tegen de voorgestelde omgangsregeling en vakantie.

Tijdens de zitting is gebleken dat de communicatie tussen de ouders te wensen overlaat. De rechtbank verwijst hen daarom naar het Uniform Hulpaanbod (UHA) om onder professionele begeleiding te werken aan betere samenwerking en afspraken. De voorlopige omgangsregeling wordt vastgesteld met aangepaste tijden en geldt totdat ouders zelf of de rechtbank definitief besluiten.

De rechtbank houdt de beslissing over het gezamenlijk gezag, de definitieve omgangsregeling en de vakantie aan en verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek te doen indien het hulptraject niet tot een positief resultaat leidt. De ouders zijn bereid tot overleg in een viergesprek om de situatie te verbeteren.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige contactregeling vast en verwijst de ouders naar een hulptraject, terwijl de beslissing over gezamenlijk gezag en vakantie wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/442329 / FA RK 25-6077
Datum uitspraak: 23 maart 2026
Beschikking over het ouderlijk gezag, het vaststellen van een contactregeling en vervangende toestemming
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.A. Stoffijn uit Waalwijk,
tegen
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof uit Gilze,
over de minderjarige
-
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] , hierna ook te noemen [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 november 2025;
  • het aanvullende verzoekschrift met bijlage, ontvangen op 3 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
Mr. Van Kerkhof heeft zich op 4 maart 2026 gesteld namens de vrouw en heeft daarbij verzocht om uitstel van de zitting. Dit uitstel is niet verleend. Bij aanvang van de zitting is aan de vrouw gevraagd of zij op de hoogte was van de verzoeken van de man en zij heeft daarop bevestigend geantwoord. Verder is aan de vrouw medegedeeld dat de verzoeken van de man op deze zitting behandeld gaan worden en dat aan het einde van de zitting wordt stilgestaan bij de verdere voortgang van de zaak/het procesverloop. Daarnaast is aan de vrouw kenbaar gemaakt dat, als zij overleg wil met haar advocaat, de zitting geschorst kan worden zodat zij telefonisch contact kan opnemen met haar advocaat. De vrouw heeft met deze behandelingswijze ingestemd. Vervolgens heeft de behandeling van de verzoeken plaatsgevonden.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren, zij zijn de ouders van haar.
2.2.
[minderjarige] is erkend door de man. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over haar.
2.3.
[minderjarige] woont bij de vrouw.

3.De verzoeken

3.1.
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
I. te bepalen dat de man het ouderlijk gezag over [minderjarige] verkrijgt en dat partijen met ingang van de te wijzen beschikking het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uitvoeren;
II. een omgangs-/zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen, die luidt als volgt:
  • de ene week van dinsdagavond 17.45 uur tot woensdagavond 19.00 uur én van zaterdag 10.00 uur tot zondagavond 19.00 uur, waarbij de man [minderjarige] op zaterdag ophaalt en de vrouw [minderjarige] op zondagavond bij de man ophaalt;
  • de andere week van vrijdag 17.00 uur tot zondagavond 19.00 uur, waarbij de man [minderjarige] op vrijdag van de opvang ophaalt en de vrouw [minderjarige] op zaterdagavond bij de man ophaalt;
  • in de even jaren tijdens de voorjaarsvakantie, de tweede week van de meivakantie, de laatste 3 weken van de zomervakantie en de eerste week van de kerstvakantie, met uitzondering van 2e kerstdag;
  • in de oneven jaren tijdens de eerste week van de meivakantie, de eerste 3 weken van de zomervakantie en tijdens de tweede week van de kerstvakantie;
  • jaarlijks op 2e Paasdag, Koningsdag, 2e Pinksterdag, Vaderdag, Kerstavond en 1e Kerstdag, alsmede op de verjaardagen van de man en [minderjarige] van vrijdagmiddag 17.00 uur tot 19.00 uur;
  • in de oneven jaren op 5 december.
Aanvullend verzoekt de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
  • vervangende toestemming te verlenen aan hem om met [minderjarige] gedurende twee weken van de periode van 3 tot en met 23 augustus 2026 (met het vliegtuig) af te reizen naar Turkije en aldaar te verblijven, alsmede terug te reizen naar Nederland;
  • te bepalen dat de vrouw uiterlijk bij overdracht van [minderjarige] ten behoeve van deze vakantie het reisdocument van de minderjarige aan de man ter beschikking dient te stellen;
  • te bepalen dat de vrouw aan de man een dwangsom verbeurt van € 1.000,= per dag, gerekend vanaf de dag van de overdracht ten behoeve van de vakantie in Turkije, indien zij in gebreke blijft om het reisdocument van de minderjarige ter beschikking te stellen aan de man, met een maximum van € 5.000,=.

4.De standpunten en het advies van de Raad

Het standpunt van de man
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door en namens de man, samengevat, het volgende aangevoerd. [minderjarige] is tijdens de relatie van partijen geboren en zij hebben nadien samen de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich genomen. De man heeft de vrouw meerdere keren gevraagd mee te werken aan het verkrijgen van ouderlijk gezag, maar zij heeft geen medewerking verleend. Hij begrijpt niet waarom niet. Hij wil voorkomen dat hij in de toekomst niet wordt geïnformeerd over belangrijke zaken rondom [minderjarige] . De man neemt actief zorgtaken op zich en heeft een hechte band met haar. Hij heeft daarnaast ook geprobeerd vaste contactafspraken te maken, maar de vrouw werkt hier ook niet aan mee. Daardoor heeft de man alleen contact met [minderjarige] als de vrouw toestemming geeft, en die toestemming is afhankelijk van haar gemoedstoestand. De man weet nooit op voorhand waar hij aan toe is. Dit is geen werkbare situatie voor de toekomst. Hij wil dat [minderjarige] een stabiele factor in zijn leven is en het lukt partijen niet om hierover in onderling overleg tot afspraken te komen.
De man heeft de vrouw ook herhaaldelijk gevraagd om toestemming voor een vakantie met [minderjarige] . De vrouw heeft dit eveneens steeds geweigerd. Zij wil dit niet en heeft ook moeite met de duur van de vakantie. De man is het daar niet mee eens. [minderjarige] is inmiddels vier jaar oud, dus een (buitenlandse) vakantie met haar vader is passend. [minderjarige] zal hier wel goed op moeten worden voorbereid door de vrouw, zodat zij voelt dat zij emotionele toestemming heeft om met haar vader op vakantie te gaan. Daarnaast kunnen er goede afspraken gemaakt worden over tussentijdse videobelcontacten tussen de vrouw en [minderjarige] .
Het standpunt van de vrouw
4.2.
Door de vrouw is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] is de afgelopen periode ieder weekend bij de man geweest. Dit hebben partijen steeds onderling met elkaar geregeld en is dus anders dan wat de man verteld. In de basis verliep/verloopt dat eigenlijk wel goed. Doordeweeks ging zij ook nog lange tijd van dinsdag tot woensdag naar hem, maar de vrouw merkte dat [minderjarige] vaak op woensdag niet naar zwemles ging. Daarom heeft zij besloten om [minderjarige] niet meer op deze doordeweekse dag bij de man te laten verblijven. De man heeft verzocht om omgang tot 19:00 uur ’s avonds, maar dat vindt de vrouw te laat voor [minderjarige] . Beter zou zijn dat het einde van de omgang om 18:00 uur is. Dat is voor de vrouw een acceptabel tijdstip. Wat betreft de zomervakantie geeft de vrouw aan dat zij deze liever week om week verdeelt, mede vanwege haar onregelmatige werktijden. Een verdeling van drie weken om drie weken is voor haar niet haalbaar. Daarnaast vindt zij het lastig als de man onafgebroken drie weken vakantie heeft met [minderjarige] en daarbij dan ook langere tijd in het buitenland verblijft. Ten slotte merkt de vrouw op dat de man vindt dat hij goed voor [minderjarige] kan zorgen, maar zij vindt dat er nog best wat aandachtspunten zijn waar aan gewerkt moet worden. Een onderling gesprek over al deze onderwerpen hebben partijen nog niet gehad. Zij staat daar wel voor open.
Het advies van de Raad
4.3.
De Raad adviseert, samengevat, als volgt. De Raad is in deze zaak voorstander van een hulpverleningstraject zoals het UHA, omdat dit deze ouders kan ondersteunen bij de communicatie en hun ouderschap. Zij zouden hier namelijk samen uit moeten kunnen komen en dat is nog niet voldoende geprobeerd. Op basis van de gesprekken binnen dit hulpaanbod kan dan gekeken worden of de ouders tot een ouderschapsplan kunnen komen. Vervolgens kan dan ook worden bekeken of gezamenlijk gezag mogelijk is. Het reguliere contact verloopt, als de Raad partijen zo hoort, eigenlijk best goed. Dat is fijn. De man heeft daarnaast gevraagd om een vakantie van in ieder geval twee weken, maar de Raad vindt dat op dit moment nog te vroeg. Er moet namelijk een geleidelijke opbouw zijn in de overnachtingen; tot nu toe heeft [minderjarige] namelijk niet langer dan twee dagen achter elkaar bij de man verbleven. De Raad ziet al met al veel positieve signalen tussen de ouders, maar in het gezamenlijk nemen van beslissingen en de communicatie moeten nog stappen worden gezet.

5.De beoordeling

5.1.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en hetgeen naar voren is gebracht tijdens de zitting overweegt de rechtbank als volgt.
Wettelijk kader
5.2.
Op grond van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de andere ouder hier niet mee instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of,
wanneer afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.3.
Ingevolge artikel 1:377a lid 1 BW heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechtbank stelt op verzoek van de ouders of van één van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een omgangsregeling vast dan wel ontzegt het recht op omgang.
Uniform hulpaanbod
5.4.
Nadat beide partijen hun standpunten hebben toegelicht is de zitting kort geschorst geweest. Dit ook om de vrouw de mogelijkheid te bieden om telefonisch overleg te hebben met haar advocaat. Na hervatting van de zitting is gebleken dat beide ouders bereid zijn om, in het kader van het uniform hulpaanbod (UHA), onder de begeleiding van professionele hulpverlening te werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking, met (onder meer) als doel om tot overeenstemming te komen over de geschilpunten in deze zaak. De rechtbank juicht dit toe. Temeer nu, gezien de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, duidelijk is dat de communicatie en de samenwerking tussen de ouders verbetering behoeft en dat partijen daarin tot op heden nog geen stappen hebben gezet c.q. willen zetten. De rechtbank vindt het noodzakelijk dat de ouders hierbij zorg en ondersteuning krijgen. De rechtbank zal de ouders daartoe, met hun instemming, daarom verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio West-Brabant-Oost. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de daarbij behorende voorwaarden hebben ingestemd.
5.5.
Met de inzet van het UHA-zorgtraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
  • de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
  • het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund;
  • de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind;
  • het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.
5.6.
Na afloop van het UHA-zorgtraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/de toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het zorgloket om de volledige UHA-(eind)rapportage uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
5.7.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, dan stelt de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid om zich binnen twee weken na ontvangst van de UHA-eindrapportage uit te laten of een nadere zitting van de in deze procedure voorliggende verzoeken aangaande het gezamenlijk gezag, de definitieve omgangsregeling en de vervangende toestemming betreffende [minderjarige] nodig is. De advocaten dienen in hun reactie kenbaar te maken wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor voormelde verzoeken.
5.8.
Als de hulp onverhoopt niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan verzoekt de rechtbank aan het loket om de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of een interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is om een onderzoek of een interventie te starten.
5.9.
Als de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, dan stelt de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid om zich over dit advies en over het door hen gewenste verdere verloop van deze procedure uit te laten.
5.10.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad om dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
  • Bestaat er, bij toewijzing van het gezag aan de ouders gezamenlijk, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarige te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
  • Welke contactregeling (inclusief vakanties) past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?
5.11.
Deze beschikking is een voorwaardelijk verzoek aan de Raad om voormeld onderzoek te verrichten, indien het UHA-traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
5.12.
Na ontvangst van het rapport en het advies van de Raad, zal de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid stellen om hierop te reageren en, naar aanleiding daarvan, het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak kenbaar te maken.
5.13.
In afwachting van het verloop van het zorgtraject, zal de rechtbank, met instemming van partijen, de definitieve beslissing over het verzoek tot gezamenlijk gezag, de contactregeling en de vervangende toestemming voor de vakantie ten aanzien van [minderjarige] pro forma aanhouden tot hierna te noemen datum. Op verzoek van de zorgaanbieder (via het loket) kan de rechtbank deze termijn uitstellen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Indien de termijn wordt uitgesteld, dan zal de rechtbank een nieuwe pro forma datum doorgeven waarop de UHA-rapportage uiterlijk moet worden ingediend.
5.14.
De rechtbank gaat ervan uit dat beide ouders zich zullen inspannen om het zorgtraject aan te gaan en om dit met een goed resultaat af te ronden. De belangen van [minderjarige] staan hierbij voorop.
5.15.
De man heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij, ter overbrugging van de wachttijd bij het UHA, over de verzoeken die voorliggen graag in een zogenoemd viergesprek in gesprek wil gaan met de vrouw en haar advocaat. De vrouw heeft met een dergelijk viergesprek ingestemd. De rechtbank gaat er vanuit dat de advocaten van partijen daartoe onderling met elkaar contact zullen opnemen om dit te arrangeren.
Voorlopige contactregeling
5.16.
Tijdens de zitting is gebleken dat de ouders het in de basis eens zijn over de contactregeling, met uitzondering van het tijdstip waarop deze eindigt. Uiteindelijk hebben zij daarover overeenstemming bereikt omdat de man, in ieder geval voorlopig, instemt met de door de vrouw genoemde eindtijd. De ouders zijn voorlopig het volgende overeengekomen:
  • [minderjarige] is de ene week van dinsdagavond 18:00 uur tot woensdagavond 18.00 uur én van zaterdag 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de man;
  • [minderjarige] is de andere week van vrijdag 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de man.
5.17.
Deze regeling geldt totdat de ouders, al dan niet in het kader van het UHA-traject, hierover in goed onderling overleg afwijkende afspraken hebben gemaakt of totdat de rechtbank definitief hierover heeft beslist. Het belang van [minderjarige] staat ook hierbij voorop.
5.18.
De rechtbank zal voormelde voorlopige regeling op onderstaande wijze vaststellen. De rechtbank zal deze vaststelling, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, bovendien uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
Vervangende toestemming vakantie
5.19.
De ouders hebben tijdens de zitting afgesproken dat zij, samen met hun advocaten, in een viergesprek zullen bespreken of zij ook afspraken kunnen maken over de vakanties (en in dat kader de eventuele vervangende toestemming). Mocht het overleg niet tijdig tot overeenstemming leiden, dan dienen partijen de rechtbank daarover tijdig te berichten en zal bezien worden of een nadere zitting nodig is of dat op basis van de stukken de rechtbank hierover alsnog een beslissing zal nemen.
5.20.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissingen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
stelt vast dat de man en de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] , in het kader van de contactregeling,
voorlopig, totdat de ouders hierover in goed onderling overleg afwijkende afspraken maken dan wel totdat de rechtbank definitief beslist, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
  • de ene week van dinsdagavond 18:00 uur tot woensdagavond 18.00 uur én van zaterdag 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur;
  • en de andere week van vrijdag 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
verwijst de ouders en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.5 vermelde resultaten naar het zorgloket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio West-Brabant-Oost. Het loket zal de ouders en [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige] verwijzen naar (een) zorgaanbieder(s);
6.4.
verzoekt het loket om uiterlijk op
dinsdag 10 november 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulptraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
6.5.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, om de UHA-eindrapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
6.6.
verzoekt de Raad, wanneer het UHA-traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.10 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
6.7.
verzoekt de Raad om zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht, bij de rechtbank in te dienen;
6.8.
houdt de verdere behandeling van en iedere (verdere) beslissing over het verzoek tot gezamenlijk gezag, de definitieve contactregeling en de vervangende toestemming voor de vakantie, aan.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026 door mr. Haerkens-Wouters, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.