Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] , hierna ook te noemen [minderjarige] .
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 november 2025;
- het aanvullende verzoekschrift met bijlage, ontvangen op 3 maart 2026.
2.De feiten
3.De verzoeken
- de ene week van dinsdagavond 17.45 uur tot woensdagavond 19.00 uur én van zaterdag 10.00 uur tot zondagavond 19.00 uur, waarbij de man [minderjarige] op zaterdag ophaalt en de vrouw [minderjarige] op zondagavond bij de man ophaalt;
- de andere week van vrijdag 17.00 uur tot zondagavond 19.00 uur, waarbij de man [minderjarige] op vrijdag van de opvang ophaalt en de vrouw [minderjarige] op zaterdagavond bij de man ophaalt;
- in de even jaren tijdens de voorjaarsvakantie, de tweede week van de meivakantie, de laatste 3 weken van de zomervakantie en de eerste week van de kerstvakantie, met uitzondering van 2e kerstdag;
- in de oneven jaren tijdens de eerste week van de meivakantie, de eerste 3 weken van de zomervakantie en tijdens de tweede week van de kerstvakantie;
- jaarlijks op 2e Paasdag, Koningsdag, 2e Pinksterdag, Vaderdag, Kerstavond en 1e Kerstdag, alsmede op de verjaardagen van de man en [minderjarige] van vrijdagmiddag 17.00 uur tot 19.00 uur;
- in de oneven jaren op 5 december.
- vervangende toestemming te verlenen aan hem om met [minderjarige] gedurende twee weken van de periode van 3 tot en met 23 augustus 2026 (met het vliegtuig) af te reizen naar Turkije en aldaar te verblijven, alsmede terug te reizen naar Nederland;
- te bepalen dat de vrouw uiterlijk bij overdracht van [minderjarige] ten behoeve van deze vakantie het reisdocument van de minderjarige aan de man ter beschikking dient te stellen;
- te bepalen dat de vrouw aan de man een dwangsom verbeurt van € 1.000,= per dag, gerekend vanaf de dag van de overdracht ten behoeve van de vakantie in Turkije, indien zij in gebreke blijft om het reisdocument van de minderjarige ter beschikking te stellen aan de man, met een maximum van € 5.000,=.
4.De standpunten en het advies van de Raad
5.De beoordeling
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund;
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind;
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.
- Bestaat er, bij toewijzing van het gezag aan de ouders gezamenlijk, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarige te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Welke contactregeling (inclusief vakanties) past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?
- [minderjarige] is de ene week van dinsdagavond 18:00 uur tot woensdagavond 18.00 uur én van zaterdag 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de man;
- [minderjarige] is de andere week van vrijdag 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de man.
6.De beslissing
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] , in het kader van de contactregeling,
voorlopig, totdat de ouders hierover in goed onderling overleg afwijkende afspraken maken dan wel totdat de rechtbank definitief beslist, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- de ene week van dinsdagavond 18:00 uur tot woensdagavond 18.00 uur én van zaterdag 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur;
- en de andere week van vrijdag 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur;
dinsdag 10 november 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulptraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.