Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2774

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/444492 / JE RK 26-165
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens onhoudbare thuissituatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van de ondertoezichtstelling. De minderjarige was eerder onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst, maar de uithuisplaatsing werd voortijdig beëindigd omdat de situatie aanvankelijk verbeterde.

Na terugkeer naar huis ontspoorde de minderjarige echter, accepteerde het gezag van de moeder niet meer, vertoonde agressief gedrag, gebruikte vermoedelijk drugs en ging niet naar dagbesteding of therapie. De GI kon geen contact meer met hem krijgen en achtte een plaatsing in een gezinshuis niet haalbaar vanwege de problematiek.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De thuissituatie is onhoudbaar, de minderjarige vertoont grensoverschrijdend gedrag en er is sprake van ernstige zorgen. De machtiging wordt verleend voor plaatsing in een gespecialiseerde jeugdhulpaccommodatie met 24-uursbegeleiding, waarbij ook rekening wordt gehouden met het belang van contact met de moeder.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. De moeder stemt in met het verzoek, hoewel zij bezorgd is over de afstand en het contact met de minderjarige. De vader was niet aanwezig bij de zitting. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een gespecialiseerde jeugdhulpaccommodatie wegens onhoudbare thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444492 / JE RK 26-165
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
locatie te Rotterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. D. Marcus uit Goirle.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 januari 2026;
  • het stelbericht van mr. D. Marcus van 16 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
Hoewel de vader correct is opgeroepen, is hij niet bij de zitting verschenen. De kinderrechter besluit de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de vader. De overige aanwezigen hebben hiertegen geen bezwaar.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 november 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 12 augustus 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd, met ingang van 19 augustus 2025 tot 19 augustus 2026.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 augustus 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin met ingang van 19 augustus 2025 tot 19 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie of een accommodatie voor jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] heeft een tijdje bij zijn tante (mz) gewoond. Door Sterk Huis is ingezet op begeleiding van [minderjarige] en het gezin. Dit verliep zo goed dat, met goedvinden van de Raad, is besloten de uithuisplaatsing voortijdig te beëindigen en [minderjarige] weer thuis bij de moeder te laten wonen. Na twee weken is [minderjarige] ontspoord. Hij accepteert het gezag van de moeder niet meer, de GI krijgt geen contact met hem en er zijn vermoedens van drugsgebruik. [minderjarige] gaat niet naar zijn dagbesteding en PMT. Er is al veel hulpverlening betrokken geweest. [stichting] zou ingezet worden bij de terugplaatsing, maar het intakegesprek is niet doorgegaan, omdat de moeder ziek was en [minderjarige] er niet heen wilde gaan. De GI loopt tegen de muur.
4.2.
De verwachting van de GI is dat een plaatsing in een gezinshuis niet gaat lukken, omdat de problematiek van [minderjarige] te heftig is. Er wordt daarom ook verzocht om een machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Er is een plek gevonden buiten de regio. Het gaat om een kleine woongroep, waar de eerste drie maanden 24-uursbegeleiding is. Dat is één op één begeleiding. De GI wacht alleen nog op de goedkeuring van de gemeente. Het voordeel van deze plek is dat [minderjarige] geen contact kan hebben met de foute vrienden met wie hij omgaat en dat [minderjarige] hier kan blijven nadat hij achttien jaar is geworden. Het nadeel is dat het voor de moeder financieel niet haalbaar is om [minderjarige] vaak te bezoeken, gezien de afstand.

5.Het standpunt van de belanghebbende

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De moeder is het eens met het verzoek, maar heeft moeite met de plek waar de GI [minderjarige] wil plaatsen. Het is voor de moeder financieel niet haalbaar wekelijks de reis daarheen te maken, terwijl het onderhouden van contact met [minderjarige] heel belangrijk is. Aan de andere kant is het ook niet wenselijk dat [minderjarige] later weer zou moeten verhuizen als er een plek in de regio is gevonden. Eerder is gebleken dat een plek bij Sterk Huis geen optie is, omdat [minderjarige] daar wegloopt. De moeder geeft aan dat [minderjarige] tegen zichzelf moet worden beschermd. De moeder was blij toen [minderjarige] weer thuis kwam wonen in januari, maar geeft aan dat de situatie nu onhoudbaar is geworden. Er was een incident waarbij de moeder [minderjarige] heeft aangesproken op zijn rijgedrag, waarna [minderjarige] boos is vertrokken. De spanning en onveiligheid thuis zijn te groot, ook voor de andere kinderen en zelfs voor de huisdieren. [minderjarige] blijft nachtenlang weg, gebruikt drugs, heeft een onverzekerde scooter terwijl hij geen rijbewijs heeft en koopt vapes om deze door te verkopen. Hij heeft verkeerde vrienden, die achttien jaar of ouder zijn en auto’s hebben. In het geval [minderjarige] ver weg geplaatst zou worden, bestaat het risico op weglopen dus nog steeds. [minderjarige] wil nergens anders gaan wonen en geeft aan dat als hij uit huis geplaatst wordt ze hem zullen moeten vangen. [minderjarige] lijkt afgelopen jaar iedereen, inclusief de therapeut, voor de gek te hebben gehouden met hoe het met hem gaat. De moeder is de controle over [minderjarige] volledig kwijt.

6.De beoordeling

Wettelijk kader
6.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
6.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er wordt aan de voorwaarden voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voldaan. Er bestaan grote zorgen over het ontspoorde gedrag van [minderjarige] . De situatie bij de moeder thuis is onhoudbaar. [minderjarige] accepteert geen gezag, gaat over grenzen heen en is agressief. Hij loopt weg en er is waarschijnlijk sprake van middelengebruik. De dynamiek tussen [minderjarige] en de anderen thuis is zeer zorgelijk. [minderjarige] gaat niet meer naar zijn dagbesteding en de PMT, hij blijft nachtenlang weg en gaat met verkeerde vrienden om. Niemand heeft nog grip op [minderjarige] .
6.3.
De kinderrechter merkt op dat [minderjarige] deze machtiging moet zien als een laatste kans om naar een voor hem passende open groep te gaan. Op die groep kan gewerkt worden aan zijn toekomstperspectief. Dat is, zeker gelet op zijn leeftijd, erg belangrijk voor het verdere verloop van zijn leven. Daarnaast vindt de kinderrechter dat het in het belang van [minderjarige] zou zijn dat er sprake is van continuïteit, maar dat de GI bij de plaatsing ook rekening moet houden met het feit dat het belangrijk is dat er contact kan zijn tussen [minderjarige] en de moeder.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.4.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.5.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 10 maart 2026 tot 19 augustus 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.