Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2775

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/439237 / JE RK 25-1565
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp verlengd wegens gebrek aan open plek, kinderrechter waarschuwt

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van een machtiging gesloten jeugdhulp voor een minderjarige die sinds juli 2025 in een gesloten setting verblijft. De minderjarige is sinds januari 2026 klaar voor een overstap naar een open groep, maar er is geen passende plek beschikbaar. De GI heeft meerdere pogingen gedaan om een open plek te vinden, zonder resultaat.

De minderjarige verblijft momenteel in een gesloten accommodatie en ervaart daar moeilijkheden, waaronder pesten. Zij wil graag met ambulante hulpverlening bij haar moeder verblijven, die aan haar drankprobleem werkt. De Raad voor de Kinderbescherming maakt zich zorgen over het gedrag van de minderjarige, waaronder vermoedelijk seksueel wervend gedrag en middelengebruik, en adviseert de gesloten plaatsing voort te zetten.

De kinderrechter benadrukt dat gesloten jeugdhulp een vorm van vrijheidsbeneming is die alleen in uiterste gevallen mag worden ingezet. De rechter vindt het onacceptabel dat de minderjarige zo lang in een gesloten setting verblijft zonder perspectief. Daarom wordt de machtiging verlengd tot 17 april 2026, met de nadrukkelijke waarschuwing dat bij voortzetting van de huidige situatie geen nieuwe machtiging zal worden verleend. De GI wordt opgedragen alternatieven te onderzoeken, waaronder een tijdelijke plaatsing bij de moeder met intensieve ambulante hulpverlening en een voorwaardelijke machtiging als vangnet.

De beslissing is genomen tijdens een zitting op 10 maart 2026, waarbij de moeder niet aanwezig was. De zaak wordt aangehouden tot een volgende zitting, waarbij duidelijkheid over de vervolgstappen moet worden gegeven.

Uitkomst: Machtiging gesloten jeugdhulp verlengd tot 17 april 2026 met waarschuwing dat bij voortzetting geen nieuwe machtiging wordt verleend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439237 / JE RK 25-1565
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, voogdes van de minderjarige, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. N. van Vliet uit Breda.
De kinderrechter merkt in deze zaak als informant aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de kinderrechter over het resterende deel van het verzoek geadviseerd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven nadere beschikking van 12 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief van de GI van 5 maart 2026;
  • de schriftelijke bevestiging van het mondelinge aanvullende verzoek van 12 februari 2026 van de GI, ontvangen op 13 maart 2026.
1.2.
De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Bij die zitting waren aanwezig en heeft de kinderrechter gehoord:
- [minderjarige] , bijgestaan door mr. Van Vliet;
- een vertegenwoordiger namens de GI;
- een vertegenwoordigster namens de Raad.
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
2.
De feiten
2.1.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 1 juli 2025 is een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend met ingang van 1 juli 2025 tot 1 oktober 2025. Nadien zijn meerdere (aansluitende) machtigingen gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend, soms voor een langere periode, soms ook voor maar twee weken. Bij de in deze zaak gegeven nadere beschikking van 12 februari 2026 is voor het laatst een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend tot 15 maart 2026. De beslissing op het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting op 10 maart 2026.
2.2.
Op basis van de laatstgenoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij [accommodatie] in [plaats] , in een gesloten setting.

3.Het resterende deel van het verzoek en de onderbouwing daarvan

3.1.
Ter zitting van 12 februari 2026 heeft de GI het verzoek om een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen aangevuld, in die zin dat op de zitting mondeling verzocht werd om aansluitend op de lopende machtiging, die op dat moment tot 15 februari 2026 liep, een machtiging te verlenen voor de duur van nog
drie maanden. Dit verzoek heeft de GI pas na de zitting van 10 maart 2026, op 13 maart 2026 schriftelijk bevestigd.
Op 12 februari 2026 heeft de kinderrechter een machtiging verleend voor één maand, met ingang van 15 februari 2026 tot 15 maart 2026.
Aan de orde is nu nog het resterende deel van het verzoek van de GI om machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen met ingang van 15 maart 2026 tot 15 mei 2026.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI aangegeven dat zij het standpunt dat tijdens de vorige zitting is aangevoerd handhaaft. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat zowel [accommodatie] als de GI wederom hebben gekeken naar een passende open plek voor [minderjarige] dan wel de mogelijkheden om deze te creëren, waarbij ook buiten de gebaande paden is gekeken. Helaas zonder resultaat. De kans op een open plek bij [accommodatie] is het grootst. [minderjarige] staat op plek 3, maar [accommodatie] kan aan de GI geen toezeggingen doen over hoelang het duurt voor zij geplaatst kan worden. Voor de GI is een tijdelijke plaatsing bij de moeder geen optie. De moeder heeft persoonlijke problematiek waardoor het haar veel kost om haar eigen leven op orde te houden. Vanwege het drankprobleem van de moeder verblijft [minderjarige] alleen op zaterdag bij de moeder. Zij overnacht er niet, omdat de moeder vaak in de avond gaat drinken. De dagelijkse opvoeding en verzorging van [minderjarige] zou teveel van de moeder vragen. Destijds is [minderjarige] bij moeder geplaatst met ambulante hulpverlening. Vorige zomer waren er ernstige zorgen over de fysieke veiligheid van [minderjarige] bij de moeder en zijn er traumatische dingen gebeurd. Vervolgens is [minderjarige] gesloten geplaatst. Over een gecombineerde plaatsing bij moeder en tante is nog niet nagedacht. Als de machtiging niet wordt verleend komt [minderjarige] op een crisisplek terecht. Het is dan maar de vraag waar zij geplaatst wordt en of zij haar school vanuit daar kan continueren. Het is kiezen uit twee kwaden. Een gesloten plaatsing geeft uiteindelijk de meeste rust en duidelijkheid.
3.3.
Verder heeft de GI aangevoerd dat [accommodatie] op basis van de Snapchatberichten van [minderjarige] heeft geconstateerd dat zij zichzelf tegen betaling aanbiedt en foto’s en video’s van haar lichaam heeft gedeeld, in een context waaruit blijkt dat er vermoedelijk door een meerderjarig persoon, druk op haar wordt uitgeoefend. Om [minderjarige] te beschermen is haar telefoon nog steeds ingenomen. Volgende week zal worden besproken of en door wie er aangifte zal worden gedaan. Ook heeft [accommodatie] laten weten dat er vorige week sprake is geweest van middelengebruik. [minderjarige] heeft na een bezoek aan de moeder een positieve urinecontrole gehad. De komende tijd zullen er daarom onverwachte controles worden gedaan. Desgevraagd heeft de voogd aangegeven dat hij [minderjarige] de afgelopen weken enkel via Whatsapp heeft gesproken en dat hij er niet van op de hoogte was dat [minderjarige] zich herpakt heeft. [accommodatie] heeft hij terug gehoord dat [minderjarige] het goed doet op de groep en op school.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] zit weer goed in haar vel. Zij heeft zichzelf uit de put gekregen door een stapje terug te doen en zichzelf niet uit te dagen met moeilijke dingen. Sinds de vorige zitting heeft [minderjarige] geen middelen meer gebruikt. [minderjarige] vindt het moeilijk dat er nog steeds geen passende plek is gevonden. De gesloten groep past niet meer bij haar en zij wordt dagelijks gepest. Zij merkt aan alles dat zij alleen maar achteruit gaat. De open groep van [accommodatie] is in ieder geval voor haar geen optie. Het duurt nog lang voordat daar plek is. [minderjarige] wil met ambulante hulpverlening en strikte veiligheidsafspraken ter overbrugging bij de moeder verblijven. De moeder werkt aan haar drankprobleem en de communicatie tussen [minderjarige] en de moeder is verbeterd. Vanuit de moeder kan zij ook haar school continueren, dat is voor haar belangrijk. Bovendien verblijft zij nu ook al op zaterdag en zondag zonder overnachting bij de moeder. [minderjarige] erkent dat zij een fout heeft gemaakt. Zij heeft daar spijt van en heeft op eigen initiatief de betrokken personen uit haar leven verwijderd.
4.2.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Hoewel [minderjarige] een ander verhaal heeft over de Snapchatberichten, heeft de Raad zorgen over het seksueel wervend gedrag van [minderjarige] . In de geslotenheid kan daar zicht op worden gehouden. Het is uiteindelijk kiezen uit twee kwaden. Enerzijds is een gesloten plaatsing in afwachting van een passende plek waarvan niet duidelijk is wanneer deze gevonden is, niet de geëigende weg. Anderzijds maakt de Raad zich zorgen over wat een crisisplaatsing, wellicht zelfs buitenregionaal, zal doen met de positieve stappen die [minderjarige] heeft gezet en haar schoolgang. Op de (on)mogelijkheden van een plaatsing bij de moeder is weinig zicht. Het is de vraag of het met ambulante hulpverlening veilig genoeg is en of het de moeder lukt om haar rol te pakken en [minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft. Gelet op de zorgen over het gedrag van [minderjarige] en het feit dat het de vraag is of de positieve lijn op een crisisgroep kan worden voortgezet en er geen zicht is op de (on)mogelijkheden van een plaatsing bij de moeder, ziet de Raad de noodzaak om de gesloten plaatsing te continueren.
4.3.
De advocaat van [minderjarige] heeft, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. [minderjarige] heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt en was medio januari 2026 al klaar om de overstap te maken naar een passende open groep. De zorgen over de seksuele ontwikkeling van [minderjarige] maakte dit niet anders en ook nu blijkt dat [accommodatie] geen gronden meer ziet voor een langere gesloten plaatsing. [minderjarige] wordt de dupe van het falende jeugdzorgsysteem. Door het gebrek aan perspectief stagneert de positieve lijn die zij heeft ingezet en valt zij terug. Gelukkig heeft zij zichzelf de afgelopen weken kunnen herpakken. Dat er steeds vlak voor de zitting nieuwe informatie komt die niet op papier staat, ditmaal over middelengebruik, vindt de advocaat van [minderjarige] lastig. Een overbruggingsplaatsing bij de moeder is niet ideaal, maar wel de minst slechte mogelijkheid die thans voorhanden is. De moeder en [minderjarige] hebben positieve stappen gezet en weten waar hun zwakke punten liggen. Met duidelijk kaders en een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp als vangnet, is een plaatsing bij de moeder mogelijk. Het is een gemiste kans dat dit niet eerder is onderzocht. De advocaat is het niet eens met het aanvullende verzoek van de GI. Een machtiging tot 1 april 2026 is eigenlijk al te lang. In ieder geval dient de GI in de komende twee weken de plaatsing bij de moeder te realiseren en alles in te zetten om deze een kans van slagen te geven.

5.De nadere beoordeling

5.1.
In artikel 6.1.2. van de Jeugdwet staat dat de kinderrechter op verzoek een machtiging kan verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:
jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;
de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en
er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
5.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. [minderjarige] verblijft inmiddels negen maanden in de gesloten jeugdzorg. Zij is al sinds medio januari 2026 klaar om de overstap te maken naar een passende, open vervolgplek. Helaas is gebleken dat deze plek voor [minderjarige] nog steeds niet is gevonden. In de vorige beschikking heeft de kinderrechter al aan de orde gesteld dat een plaatsing binnen de gesloten jeugdhulp niet als overbruggingsplek kan fungeren en dat een langer verblijf van [minderjarige] bij [accommodatie] onwenselijk en niet passend is. Het is betreurenswaardig dat vanwege het ontbreken van open plekken [minderjarige] zo lang op een plek moet verblijven die niet meer passend voor haar is en waar zij het duidelijk ook erg moeilijk heeft. De gesloten jeugdhulp doet [minderjarige] alles behalve goed. Het is onacceptabel dat een meisje van zestien jaar oud dat van zo ver is gekomen en zulke goede stappen heeft gezet in een situatie zit waarin zij, vanwege het falen van het systeem, juist weer stappen terugzet in haar ontwikkeling. De kinderrechter herhaalt dan ook haar woorden van de vorige zitting: het verblijf van [minderjarige] in de gesloten jeugdzorg moet op zo kort mogelijke termijn stoppen omdat er geen grond meer voor is. Gesloten plaatsing is een vorm van vrijheidsbeneming en vrijheidsbeneming moet alleen in het uiterste geval worden ingezet.
5.3.
Voorts benadrukt de kinderrechter dat het op de weg van de GI ligt om alles in het werk te blijven stellen om op een zo kort mogelijke termijn een passende vervolgplek op een open groep voor [minderjarige] te vinden. Daarnaast vraagt de kinderrechter de GI om ook andere mogelijkheden te onderzoeken, bijvoorbeeld de directe overstap naar begeleid wonen. Alternatieve plaatsingen kunnen worden geborgd met een verzoek om een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp. In ieder geval zal echt serieus moeten worden gekeken naar een tijdelijk plaatsing bij de moeder, wellicht in combinatie met een verblijf bij de tante. De kinderrechter ziet dat het, gelet op alles wat er speelt, ingewikkeld is om de moeder weer (tijdelijk) verantwoordelijkheid te geven in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De impasse die is ontstaan en daarmee het belang van [minderjarige] maakt echter wel dat dit alternatief als mogelijk minst kwade optie onderzocht moet worden. Bovendien zijn de moeder en [minderjarige] beiden met zichzelf aan de slag gegaan en dienen zij niet meer worden afgerekend op het verleden. Daarnaast kan de eventuele tijdelijke overbruggingsplaatsing bij de moeder worden omkleedt met strakke kaders en de inzet van intensieve ambulante hulpverlening. Als vangnet kan een voorwaardelijke machtiging worden opgesteld waarbij zowel [accommodatie] , [minderjarige] als de moeder de voorwaarden waaraan [minderjarige] zich moet houden, onderschrijven. Het mag én kan niet zo zijn dat [minderjarige] nog langer zonder duidelijk perspectief in de geslotenheid verblijft.
5.4.
De kinderrechter zal, omdat zij helaas op dit moment nog steeds niet anders kan, omdat zij niet wil dat [minderjarige] naar een crisisplaats moet, een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verlenen tot 17 april 2026. Een kortere machtiging biedt de GI onvoldoende tijd om de besproken alternatieven serieus te regelen. De beslissing op het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot de hierna te noemen zitting. Deze dag en tijdstip is ter zitting afgestemd met de advocaat van [minderjarige] en de GI.
5.5.
De kinderrechter benadrukt dat voor de volgende zitting duidelijk moet zijn wat de vervolgstap is en per welke datum. Als de situatie blijft zoals die nu is zal de kinderrechter namelijk
geen machtiging gesloten jeugdhulp meer verlenen. Is er geen open groep gevonden, dan ligt het voor de hand dat [minderjarige] ter overbrugging bij de moeder gaat wonen, ondersteund met ambulante hulpverlening. Dan zal een verzoek voor een voorwaardelijke machtiging moeten worden indien voor de volgende zitting, een verzoek dat aan de wettelijke vereisten voldoet. Er is dan dus ook een instemmingsverklaring van een onafhankelijke gedragswetenschapper nodig die de voorwaardelijke machtiging onderschrijft.
De kinderrechter benadrukt nogmaals dat de gesloten plaatsing in deze omstandigheden niet nogmaals wordt verlengd.
[minderjarige] is niet meer geschikt voor de gesloten jeugdhulp en de gesloten jeugdhulp is niet meer geschikt voor haar.
5.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 15 maart 2026 tot 17 april 2026;
6.2.
houdt de beslissing voor het overige aan tot de zitting op [datum] 2026
om [uur] , bij mr. Van Triest als kinderrechter, gehouden in het gebouw van
de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, Stationslaan 10, 4815 GW;
6.3.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting
voor [minderjarige] , haar advocaat, de GI en de Raad;
6.4.
bepaalt dat de moeder, omdat zij als informant in deze zaak geen afschrift van
deze beschikking krijgt, per brief zal worden opgeroepen voor de zitting;
6.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 20 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.