Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2777

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/443314 / JE RK 25-2281
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarigen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door huiselijk geweld

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 10 maart 2026 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2024 en 2025, op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. De kinderen wonen bij hun moeder, waarbij de vader gezag heeft over één kind en twijfelt over zijn vaderschap. De Raad stelde ernstige zorgen vast over de sociaal-emotionele ontwikkeling en het gevoel van veiligheid van de kinderen, mede door huiselijk geweld en het ontbreken van contact met de vader.

De vader voerde geen verweer tegen de ondertoezichtstelling en erkende het belang van zijn rol in het leven van de kinderen. De moeder betoogde dat de situatie rustiger is en dat vrijwillige hulpverlening voldoende is, maar de gecertificeerde instelling en de kinderrechter oordeelden dat de rust nog pril is en dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de kinderen te beschermen en de hulpverlening te waarborgen.

De kinderrechter concludeerde dat de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling zijn vervuld: de ontwikkeling van de kinderen wordt ernstig bedreigd, vrijwillige hulpverlening is onvoldoende en er is een redelijke verwachting dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding kunnen dragen. De ondertoezichtstelling geldt voor de duur van een jaar en is direct uitvoerbaar, met als doel het creëren van een stabiele en veilige opvoedsituatie en het verbeteren van de ouderlijke communicatie.

Uitkomst: De rechtbank stelt de twee minderjarige kinderen onder toezicht voor de duur van een jaar wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling door huiselijk geweld en een onstabiele opvoedsituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443314 / JE RK 25-2281
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland–West-Brabant, Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2025 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.T. Kouwenhoeven uit Eindhoven,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. D.G. Peters uit Amsterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 december 2025;
  • de stelbrief van mr. Kouwenhoven van 6 februari 2026;
  • het bericht van mr. Peters van 18 februari 2026;
  • het bericht met bijlage van de Raad van 19 februari 2026;
  • het bericht van de GI van 3 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI, middels een videobelverbinding.
1.3.
Het onderhavige verzoek is gelet op de nauwe samenhang gezamenlijk behandeld met de verzoeken van de vader over verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, omgang, informatieregeling, vernietiging erkenning en gezag in de zaak met kenmerk C/02/427463 / FA RK 24-4698. In beide zaken wordt een afzonderlijke beschikking afgegeven.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat er ernstige zorgen zijn over de sociaal-emotionele ontwikkeling, het gevoel van basisveiligheid en de hechtingsontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er is sprake van een instabiele en onvoorspelbare opvoedomgeving. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn getuige geweest van fors huiselijk geweld tussen de ouders. Daarnaast hebben de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al langere tijd geen contact met elkaar. Het is voor hun identiteitsontwikkeling van belang dat zij contact hebben met beide ouders, ervanuit gaande dat de vader de verwekker is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het is de ouders niet gelukt om deze zorgen over de kinderen in het vrijwillig kader weg te nemen en de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beschermen tegen de aanwezigheid bij het huiselijk geweld. Een ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk.
4.2.
Door en namens de vader is geen verweer gevoerd tegen de ondertoezichtstelling. Een ondertoezichtstelling is noodzakelijk om te bewerkstelligen dat de vader een rol krijgt in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het laatste contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dateert van 16 november 2025. Ook met de moeder heeft de vader ondanks meerdere pogingen geen contact meer. Verder heeft de vader opgemerkt dat hij vindt dat hij ondanks dat hij geen gezag heeft over [minderjarige 2] wel als volwaardig ouder dient te worden meegenomen in de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
4.3.
Door en namens de moeder is verzocht om het verzoek van de Raad af te wijzen. Het raadsrapport is gedateerd. De moeder merkt dat de situatie inmiddels voor haar en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in rustiger vaarwater is gekomen. De vader is tijdelijk uit beeld en heeft geen contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder staat meer in haar kracht en ziet in dat zij los moet komen van de vader. De ouders hebben geen relatie meer. De veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staat voor de moeder voorop. De moeder heeft bovendien voldoende hulpverlening in het vrijwillig kader om zich heen. Het sociaal team van de gemeente voert regie en ook is Veilig Verder betrokken. Daarnaast start de moeder op korte termijn met therapie. Wellicht dat in de toekomst een hulpverleningsinstantie moet worden ingezet om de omgang met de vader te begeleiden. Een ondertoezichtstelling is daarom niet noodzakelijk en zou de moeder bovendien kunnen overvragen.
4.4.
De GI kan zich vinden in het verzoek van de Raad. De advocaat van de moeder benoemt dat er goede stappen zijn gezet, maar de GI concludeert dat de rust nog pril is en dat de ouders er nog lang niet zijn. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben bovendien nu geen contact met de vader. Een ondertoezichtstelling is noodzakelijk. Helaas zal het wel zeker vier tot zes maanden duren voordat een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. Tot die tijd wordt gewerkt met een monitoringsteam. Op dit moment heeft de zaak de prioritering oranje. Als de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken zal er binnen vijf dagen contact worden opgenomen met de ouders en zullen de eerste lijnen worden uitgezet.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op hun jonge leeftijd al heel erg veel meegemaakt. Met name [minderjarige 1] is getuige geweest van fors huiselijk geweld tussen de ouders. Ook heeft er huiselijk geweld plaatsgevonden toen de moeder zwanger was van [minderjarige 2] . Dergelijke gebeurtenissen hebben een enorme impact op de ontwikkeling en het gevoel van veiligheid van jonge kinderen. De ouders hebben een knipperlicht relatie gehad. Het is normaal dat relaties worden beëindigd en op een later moment toch weer worden voortgezet. Echter in dit geval heeft dit gegeven ervoor gezorgd dat de kinderen geen voorspelbare en betrouwe opvoedsituatie hadden. Het was voor [minderjarige 1] steeds onzeker of de vader wel of niet betrokken was bij zijn opvoeding en of hij überhaupt contact met de vader zou hebben. Die onzekerheid draagt bij aan een gevoel van onveiligheid. Op dit moment ontbreekt het aan contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader. Daar komt nog bij dat de vader nu twijfels uit over of hij de verwekker is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Hoewel het goed is dat de moeder vrijwillige hulpverlening voor zichzelf heeft geregeld, is onvoldoende gebleken dat ook passende hulpverlening voor de kinderen is ingezet. Evenmin is gebleken dat de vader hulpverlening voor zichzelf heeft georganiseerd of dat de ouders concrete stappen hebben gezet om de communicatie tussen hen te verbeteren. Vaststaat dat de beoogde resultaten binnen het Uniform Hulpaanbod niet zijn behaald en dat het traject bij mevrouw van [hulpverlening] is gestagneerd. Ook de betrokkenheid van het Sociaal Team van de gemeente en Veilig Thuis heeft niet voldoende gewicht in de schaal kunnen leggen. De kinderrechter acht voortvarende regievoering door de GI in het verplichte kader van een ondertoezichtstelling noodzakelijk. De betrokkenheid van de GI is noodzakelijk om te waarborgen dat hulpverlening, ook wanneer dit spannend of belastend is voor de ouders, daadwerkelijk wordt ingezet en gecontinueerd.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval noodzakelijk en in het belang van de kinderen. Er wordt voldaan aan de wettelijke criteria. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar. De kinderrechter verwacht gezien de jonge leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de forse beschuldigingen van huiselijk geweld en het ontbreken van omgang tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zeker een jaar nodig zal zijn om de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen.
5.6.
Tijdens de ondertoezichtstelling dient in ieder geval te worden gewerkt aan de volgende doelen:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geen getuigen meer van verbaal of fysiek geweld, agressie of spanningen tussen ouders;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een stabiele, voorspelbare en veilige
opvoedsituatie;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren emotionele veiligheid door emotioneel beschikbare, sensitieve en voorspelbare opvoeders;
  • De moeder beschikt over voldoende draagkracht en ondersteuning om structureel aan te sluiten bij de behoeften van de kinderen;
  • De vader neemt verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en de impact daarvan op de kinderen en laat aantoonbaar de-escalerend gedrag zien;
  • Er ontstaat duidelijkheid en rust rondom het vaderschap van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
  • Er ontstaat duidelijkheid en perspectief over het contact tussen de kinderen en vader, passend bij hun leeftijd en ontwikkelingsfase;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden in de komende periode gemonitord op signalen van mogelijke pre-verbaal trauma;
  • De ouders leren hun onderlinge communicatie te voeren op ouderniveau, zonder dat conflicten tussen hen doorwerken in het ouderschap.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter vindt het in het belang van de kinderen dat de GI direct betrokken raakt.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 10 maart 2026 tot 10 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.