Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2778

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/444685 / JE RK 26-207
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 6.1.4 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing met voorwaardelijke gesloten jeugdhulp

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 10 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de verlenging van een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, alsmede een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp.

De minderjarige kampt met ernstige ontwikkelingsbedreigingen, waaronder sociaal-emotionele en psychische problematiek, middelengebruik en risicovol gedrag. Ondanks positieve stappen is zij nog kwetsbaar en onvoldoende in staat zelfstandig haar gedrag te reguleren. De thuissituatie is onstabiel door beperkingen van de ouders, waardoor terugplaatsing niet mogelijk is.

De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling voor een jaar en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing in een open groep voor zes maanden. Tevens wordt een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp verleend voor zes maanden, met duidelijke voorwaarden omtrent middelengebruik, weglopen en telefoongebruik. De minderjarige en ouders stemmen in met de voorwaarden. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en gericht op het waarborgen van de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en verleent machtigingen tot uithuisplaatsing en voorwaardelijke gesloten jeugdhulp met voorwaarden voor zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/444685 / JE RK 26-207
C/02/444376 / JE RK 26-316
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Beschikking over een verlenging ondertoezichtstelling, machtiging tot uithuisplaatsing en een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat: mr. V.C. Serrarens te Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

C/02/444685 / JE RK 26-207 verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 februari 2026.
C/02/444376 / JE RK 26-316 voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 februari 2026;
  • de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper, de heer [persoon] , van 23 februari 2026.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] met haar advocaat;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.4.
Hoewel correct opgeroepen, is de vader niet verschenen.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 14 maart 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de Gl met
ingang van 14 maart 2025 en tot 14 maart 2026.
2.3.
Bij beschikking van 26 juni 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging om
[minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken. te weten met ingang van 26 juni 2025 en tot 10 juli 2025 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.4.
Bij beschikking van 3 juli 2025 is een machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [minderjarige] verleend voor de duur van drie maanden, te weten met ingang van 3 juli 2025 en tot 3 oktober 2025 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Bij beschikking van 25 september 2025 is het resterende deel van het verzoek toegewezen, hetgeen betekent dat een machtiging is verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 3 oktober 2025 en tot 3 januari 2026.
2.5.
Bij beschikking van 11 december 2025 is de machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [minderjarige] verlengd met ingang van 3 januari 2026 en tot 14 maart 2026.
2.6.
[minderjarige] verblijft op basis van deze beschikking bij [accommodatie] te [plaats] .

3.De verzoeken

C/02/444685 / JE RK 26-207
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden.
3.2.
De GI verzoekt ook de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
C/02/444376 / JE RK 26-316
3.3.
De GI verzoekt een voorwaardelijke machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
3.4.
De moeder en de vader stemmen in met het voorwaardelijk verblijf in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.
3.5.
De gedragswetenschapper, de heer [persoon] , heeft ingestemd met het verzoek. Dit blijkt uit zijn verklaring van 23 februari 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft tijdens de zitting de verzoeken. [minderjarige] heeft positieve stappen gezet, maar er zijn nog altijd zorgen over haar ontwikkeling. Er is bovendien nog geen mogelijkheid tot thuisplaatsing omdat er nog onvoldoende zicht is op de thuissituatie. Het ouderschap moet nog nader onderzocht worden binnen het IPT-traject. [minderjarige] verbleef in een gesloten setting en heeft nog steeds behoefte aan duidelijke kaders, structuur en begeleiding. Het omgaan met vrijheden blijft voor haar een aandachtspunt en gebleken is dat zij zich tijdens de verloven thuis nog onvoldoende kan houden aan de gemaakte afspraken. Om genoemde redenen acht de GI het noodzakelijk dat zij gaat verblijven op een (open) groep en dat de voorwaardelijke machtiging wordt ingezet zodat er kan worden teruggevallen op meer structuur wanneer zij het moeilijk krijgt en zich niet kan houden aan de voorwaarden. De GI geeft verder aan dat [minderjarige] inmiddels is gestart bij de open groep ( [groep] ) waar [minderjarige] positief over is. Er wordt gewerkt aan het opstarten van passend onderwijs waarbij rekening gehouden wordt met haar behoefte aan kleine klassen. De overgang van [accommodatie] naar de open groep vindt gefaseerd plaats en de plaatsing op de open groep zal vanaf maandag 14 maart 2026 volledig plaatshebben. Ten aanzien van de voorwaarden merkt de GI op dat deze voor [minderjarige] duidelijk en concreet moeten zijn gezien de mogelijke consequenties bij overtreding. Zo is als voorwaarde gesteld dat zij geen (hard)drugs gebruikt en dat sprake is van een overtreding als dit het dagelijks functioneren zodanig negatief beïnvloedt dat er forse ontregeling optreedt. De kern is, zo legt de GI uit, dat middelengebruik alleen tot problemen leidt wanneer dit haar dagelijks functioneren belemmert. Bijvoorbeeld wanneer zij niet naar school gaat, afspraken niet nakomt of er sprake is van onveiligheid. Daarnaast geldt dat het niet weglopen van de groep een duidelijke en noodzakelijke voorwaarde is. Het gebruik van de telefoon en sociale media wordt gezien als een aandachtspunt. Dit betreft geen zelfstandige voorwaarde maar een beperkende maatregel waarbij, indien er zorgen zijn, kan worden meegekeken om negatieve beïnvloeding te voorkomen.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting ingestemd met de verzoeken van de GI. De moeder geeft aan dat de ontwikkelingen van [minderjarige] positief zijn. De moeder is trots op de stappen die [minderjarige] heeft gezet. Tegelijkertijd ziet de moeder dat [minderjarige] op dit moment nog niet terug naar huis kan gaan. Dat zou een te grote en te snelle stap zijn. Ook blijft verdere begeleiding en structuur nog noodzakelijk. De moeder merkt op dat het opgestelde hulpverleningsplan voor [minderjarige] duidelijk is en datde voorwaarden en maatregelen voldoende zijn uitgewerkt en door alle betrokkenen zijn geaccepteerd. De moeder begrijpt dat de begeleiding rondom het telefoongebruik praktisch is vormgegeven en dat deze alleen wordt ingezet bij zorgen. Ook is het voor de moeder duidelijk dat incidenteel middelengebruik niet direct leidt tot een schending van de voorwaarden, maar dat dit wel consequenties heeft wanneer het functioneren van [minderjarige] hierdoor in het gedrang komt.
4.3.
[minderjarige] geeft in het gesprek met de kinderrechter aan dat zij niet meer bij [accommodatie] wil blijven. De dagen daar vindt zij eentonig en saai. [minderjarige] is toe aan de volgende stap en wil graag naar een open groep. Zij stemt dan ook in met het verzoek van de GI tot de machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en daarmee met de plaatsing op de [groep] . Voor [minderjarige] is het belangrijk dat er duidelijke afspraken zijn en begeleiding is. Ook is het voor [minderjarige] belangrijk dat er, als het niet goed gaat, een mogelijkheid is om terug te vallen op [accommodatie] . Ten aanzien van de voorwaarden geeft [minderjarige] aan dat zij het belangrijk vindt dat zij school en therapie kan blijven volgen zodat zij normaal kan functioneren. Verder vertelt [minderjarige] dat zij is gestopt met harddrugs maar nog wel af en toe cannabis gebruikt. Volledig stoppen met middelen is lastig voor [minderjarige] . Daarom wil [minderjarige] duidelijkheid en realistische afspraken over het middelengebruik. [minderjarige] vindt sommige voorwaarden onduidelijk of te streng met name rondom telefoongebruik en toezicht. Zij begrijpt dat er afspraken nodig zijn maar vindt voortdurende controle van haar telefoon niet passend. Verder geeft [minderjarige] aan dat de weekendverloven bij haar ouders goed verlopen. Tegelijkertijd voelt zij zich met name door haar vader soms in de steek gelaten wat haar boos en gefrustreerd maakt. Zij heeft het gevoel dat zij zelf hard werkt aan haar ontwikkeling maar dit onvoldoende terugziet bij haar ouders, met name bij haar vader. Tot slot geeft [minderjarige] aan dat zij gemotiveerd is om verder te groeien en toe te werken naar meer zelfstandigheid. Terugkeer naar huis acht zij op dit moment niet haalbaar. Zij staat achter het verzoek en ziet dit als een kans om zich verder te ontwikkelen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.3.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.4, eerste lid, Jeugdwet kan een voorwaardelijke machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken en kan de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen buiten de accommodatie worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden.
5.4.
Het verzoek van de GI behoeft op grond van artikel 6.1.4, vierde lid, Jeugdwet de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.
5.5.
Voorts bepaalt artikel 6.1.4, vijfde lid, Jeugdwet dat de kinderrechter een voorwaardelijke machtiging slechts verleent indien een hulpverleningsplan wordt overgelegd dat voldoet aan de daaraan op grond van artikel 6.1.4, zesde lid, Jeugdwet te stellen eisen.
De beoordeling
C/02/444685 / JE RK 26-207
5.1.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de kinderrechter gebleken dat er nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . De zorgen rondom [minderjarige] zijn meervoudig en complex. Er is sprake van sociaal-emotionele en psychische problematiek waaronder stemmingswisselingen, automutilatie in het verleden, middelengebruik en risicovol gedrag in relaties. Daarnaast is sprake geweest van ingrijpende gebeurtenissen waaronder sexting en een mogelijke verkrachting waarvan de impact nog niet volledig is verwerkt. [minderjarige] is beïnvloedbaar in haar sociale contacten en heeft moeite met het stellen en bewaken van grenzen. Ook is er langdurig sprake geweest van schoolverzuim en een gebrek aan dagstructuur. De kinderrechter constateert dat [minderjarige] de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en gemotiveerd is om aan zichzelf te werken. Ondanks dat is zij nog kwetsbaar en onvoldoende in staat om zelfstandig haar gedrag en emoties te reguleren.
5.2.
Daarnaast bestaan er nog steeds zorgen over de opvoedsituatie bij de ouders. De vader kampt met neurologische problematiek na hersenletsel wat zijn belastbaarheid en beschikbaarheid beperkt. De moeder is overvraagd door de combinatie van werk en zorg. Er zijn zorgen over het alcoholgebruik van beide ouders en hun vermogen om structureel emotioneel beschikbaar te zijn voor [minderjarige] . De ouders ervaren onmacht in de opvoeding en vinden het lastig om [minderjarige] voldoende begrenzing en structuur te bieden. In het verleden zijn er escalaties geweest binnen het gezin. De kinderrechter constateert dat ondanks de inzet van hulpverlening en de betrokkenheid van ouders de thuissituatie op dit moment nog onvoldoende stabiel en veilig is voor een terugplaatsing.
5.3.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor een ondertoezichtstelling nog onverkort aanwezig zijn. De ondertoezichtstelling dient te worden verlengd om de noodzakelijke hulpverlening te kunnen blijven inzetten, de ontwikkeling van [minderjarige] te kunnen blijven monitoren en de ouders te begeleiden in het versterken van hun opvoedvaardigheden. De kinderrechter benadrukt dat het in het belang van [minderjarige] is dat de komende periode zal worden ingezet op voortzetting van de individuele behandeling van [minderjarige] waaronder therapie gericht op traumaverwerking en emotieregulatie. Ook is het belangrijk dat er begeleiding blijft voor [minderjarige] zodat zij kan groeien in het ontwikkelen van gezonde relaties en het stellen van grenzen. Ook dient passend onderwijs te worden geregeld en opgepakt en een dagstructuur te worden aangebracht. Ook de voortzetting van systeemgerichte hulpverlening (IPT en systeemtherapie) gericht op het versterken van het ouderschap en de emotionele beschikbaarheid van ouders blijft noodzakelijk. De kinderrechter geeft de GI verder nog mee dat de contactmomenten met de ouders zorgvuldig moeten worden opgebouwd en dat er wordt toegewerkt naar een perspectiefbesluit over (gedeeltelijke) terugkeer naar huis.
5.4.
Ten aanzien van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] overweegt de kinderrechter dat een verblijf in een open setting zoals de groep [groep] op dit moment passend en noodzakelijk is. Deze setting biedt [minderjarige] de mogelijkheid om te oefenen met meer zelfstandigheid terwijl er nog voldoende structuur, toezicht en begeleiding aanwezig is. Vanuit deze setting kan op verantwoorde wijze worden gewerkt aan haar verdere ontwikkeling en kan het contact met de ouders gefaseerd worden uitgebreid. De kinderrechter acht de machtiging uithuisplaatsing in een open groep dan ook noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
C/02/444376 / JE RK 26-316
5.5.
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI tot een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp dient te worden toegewezen nu wordt voldaan aan de wettelijke criteria zoals hiervoor vermeld. Daarbij overweegt de kinderrechter als volgt.
5.6.
De kinderrechter ziet dat [minderjarige] sinds haar plaatsing bij [accommodatie] positieve stappen heeft gezet en gemotiveerd is om zich verder te ontwikkelen. [minderjarige] is op dit moment echter nog onvoldoende in staat is om de vrijheden van een open setting volledig zelfstandig te hanteren. Met name op het gebied van grenzen stellen, sociale contacten, middelengebruik en telefoongebruik blijft zij kwetsbaar en beïnvloedbaar.
5.7.
De kinderrechter constateert daarom dat het in het belang van [minderjarige] is dat er duidelijke regels en afspraken voor haar gelden waaraan zij zich moet gaan houden tijdens haar verblijf op de open groep ( [groep] ). De voorwaardelijke machtiging is dan ook nodig zodat zij weet aan welke afspraken zij zich moet houden en zij ook weet welke gevolgen het heeft als zij zich niet aan die afspraken houdt. De voorwaardelijke machtiging dient daarmee als noodzakelijk vangnet om haar gedrag tijdig bij te kunnen sturen op momenten dat het moeilijk wordt voor [minderjarige] en het haar niet lukt om zich aan de regels te houden.
5.8.
Tijdens de zitting heeft [minderjarige] verteld dat zij de voorwaarden, met de aanvullende toelichting die de GI op de zitting heeft gegeven, begrijpt en zij bereid is zich aan de voorwaarden zoals opgenomen in het plan van aanpak van 10 februari 2026 te gaan houden. Ook haar ouders zijn (schriftelijk) akkoord met de aan de voorwaardelijke machtiging gekoppelde voorwaarden. Deze voorwaarden luiden als volgt:
Je gebruikt geen (hard)drugs.
Toelichting: er is sprake van overtreding wanneer dit het dagelijks functioneren zodanig negatief beïnvloedt dat er forse ontregeling optreedt.
Je loopt niet weg van de groep of van huis.
Toelichting: er is sprake van overtreding wanneer je niet op de afgesproken tijd terug bent én hierbij uit contact bent. Van belang is hoe lang je weg bent, hoe snel je weer in contact komt en hoe groot de zorgen zijn over je verblijfplaats.
5.9.
Verder is de kinderrechter van mening dat de in het hulpverleningsplan genoemde aanvullende controlerende maatregel nodig is rondom het telefoongesprek van [minderjarige] . Dit betreft:
Beperking in communicatie (zoals beperking in telefoon-/ social media gebruik);
Toelichting: beperking in tijd van gebruik van je telefoon, beperking in gebruik van
bepaalde apps.
Toezicht op communicatiemiddelen
Toelichting: mee kunnen kijken door groepsleiding of gedragswetenschapper
[hulpverlening] tijdens gebruik van telefoon of tijdens gesprekken over telefoongebruik. Er kan gevraagd worden om bepaalde gesprekken te laten zien.
5.10.
[minderjarige] heeft verteld dat zij deze voorwaarden begrijpt en dat zij bereid is zich aan de hierboven genoemde voorwaarden te houden.
5.11.
Met de GI is de kinderrechter het eens dat het belangrijk is dat de benodigde hulpverlening kan worden doorlopen vanuit de situatie bij de [groep] zodat daadwerkelijk een veilige en stabiele situatie voor [minderjarige] kan worden bereikt. Het is daarbij van belang om aandacht te hebben voor de algehele problematiek van [minderjarige] als ook voor de ondersteuning van de ouders.
5.12.
[accommodatie] is de opnemende instelling, indien [minderjarige] zich niet aan de voorwaarden houdt en in de voorwaarden staat vermeld welke medewerker bevoegd is hierover te beslissen.
5.13.
Nu is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlening van de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp en deze ook noodzakelijk wordt geacht om [minderjarige] te ondersteunen in haar ontwikkeling, zal de kinderrechter de voorwaardelijke machtiging verlenen met ingang van 14 maart 2026 en tot 14 september 2026 onder de voorwaarden zoals weergegeven onder rechtsoverweging 5.8.
5.14.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.15.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 14 maart 2026 en tot 14 maart 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 14 maart 2026 en tot 14 september 2026;
6.3.
verleent een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 14 maart 2026 en tot 14 september 2026, onder de voorwaarden zoals weergegeven onder rechtsoverweging 5.8.
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 27 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.