Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2794

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
24/8047
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde vaststelling recreatiewoning

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn recreatiewoning, gelegen aan een adres in de gemeente Gilze en Rijen, met een waardepeildatum van 1 januari 2023. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €130.000, waartegen belanghebbende een lagere waarde van €104.000 stelde.

De rechtbank beoordeelde de waarde aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de heffingsambtenaar een taxatiematrix overlegde met drie referentieobjecten die vergelijkbaar waren qua type en oppervlakte en gelegen op hetzelfde recreatiepark. De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de gehanteerde KOUDVL-factoren en de indexatie van verkoopprijzen naar de waardepeildatum.

Belanghebbende betwistte alleen het effect van directe ligging aan het water, maar kon dit niet onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat belanghebbende geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €130.000 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8047
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. A. Bakker, verbonden aan Maatschap WOZ Juristen),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Gilze en Rijen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 16 oktober 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 130.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen (OZB) van de gemeente Gilze en Rijen voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning op de waardepeildatum te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Belanghebbende bepleit dat de waarde van de woning moet worden vastgesteld op € 104.000. De heffingsambtenaar verdedigt de bij beschikking vastgestelde waarde van € 130.000.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de waarde van de woning niet te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een vrijstaande recreatiewoning (chalet). De oppervlakte van de woning is ongeveer 74 m2 en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 445 m².

Motivering

Waarde van de woning
Wettelijk kader
4.1.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding”. [1]
4.2.
De waarde van de woning is bepaald met de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
4.3.
Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
Onderbouwing van de waarde
4.4.
De heffingsambtenaar heeft een taxatiematrix overgelegd. In de matrix wordt verwezen naar de opbrengst behaald bij verkoop van een drietal ter vergelijking met de woning opgevoerde objecten, zijnde [referentieobject 1] , [referentieobject 2] en [referentieobject 3] , alle gelegen te [plaats] . De heffingsambtenaar heeft de kenmerken van de betreffende de woning en de hierboven genoemde objecten inzichtelijk gemaakt aan de hand van de KOUDVL-factoren. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar rekening gehouden met indexatie van de verkoopprijzen naar de waardepeildatum. In de matrix is de waarde van de woning getaxeerd op € 130.735.
Betwisting door belanghebbende
4.5.
Belanghebbende heeft ter zitting gesteld de KOUDVL-factoren, zoals die door de heffingsambtenaar in de matrix zijn opgenomen, niet te betwisten. Ook de indexatie wordt door belanghebbende niet betwist. Volgens belanghebbende is echter relevant of een recreatiewoning, zoals in het onderhavig geval, direct aan het water ligt.
Beoordeling
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar, tegenover de betwisting van belanghebbende, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank acht daarvoor van belang dat de referentieobjecten eveneens chalets zijn gelegen op hetzelfde recreatieverblijf. Ze zijn bovendien vergelijkbaar qua oppervlakte. Dat en in hoeverre directe ligging aan het water invloed heeft op de prijs heeft belanghebbende niet inzichtelijk gemaakt. Het gelijk is daarom aan de heffingsambtenaar.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 10 april 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.