ECLI:NL:RBZWB:2026:28

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/4922
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 8:1 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen niet-tijdig gevolg geven aan Woo-besluit

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge omdat het college niet tijdig zou hebben voldaan aan een Woo-besluit van 26 juni 2025, verzonden op 10 juli 2025. Het beroep werd ingesteld op 20 september 2025, nadat het besluit al was genomen en verzonden.

De rechtbank oordeelt dat het beroep feitelijk gericht is tegen het niet tijdig opvolgen van het besluit, wat een feitelijke handeling betreft en geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens de Awb valt het niet opvolgen van een besluit niet onder de bevoegdheid van de bestuursrechter omdat het geen publiekrechtelijke rechtshandeling is die gericht is op rechtsgevolg.

Daarom verklaart de rechtbank zich kennelijk onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Het betaalde griffierecht wordt teruggestort en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank wijst er tevens op dat een aanvullend Woo-verzoek van 11 oktober 2025 niet binnen deze procedure kan worden behandeld en dat eisers daarvoor een aparte procedure kunnen starten.

De uitspraak is gedaan door rechter R.P. Broeders en griffier M.R. Jouvenaar op 6 januari 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig opvolgen van het Woo-besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4922

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2],
namens de [eiseres] ,uit [plaats] , eisers,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep dat eisers op 20 september 2025 hebben ingesteld omdat het college niet op tijd gevolg zou hebben gegeven aan het besluit van 26 juni 2025, verzonden op 10 juli 2025. In dit besluit heeft het college het verzoek (aanvraag) van eisers van 16 april 2025, namens [eiseres] , op grond van de Wet open overheid (Woo) om informatie over de gang van zaken rond ontwikkeling huisvesting arbeidsmigranten en asielzoekers aan [adres] in [plaats] , deels toegewezen.
1.1.
Omdat het de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eisers hebben beroep ingesteld bij de rechtbank, omdat het college niet op tijd beslist zou hebben op de door eisers ingediende aanvraag van 16 april 2025. Op die aanvraag is al op 26 juni 2025 een besluit genomen en het besluit is op 10 juli 2025 verzonden. Dit is voordat het beroep werd ingesteld op 20 september 2025. Dit geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 24 november 2025. In de reactie van eisers van 10 december 2025 staat dat eisers met hun beroepschrift naast de tijdige besluitvorming op het Woo-verzoek ook het daadwerkelijk verstrekken van de gevraagde gegevens hebben verstaan. Hieruit en uit de eerder verzonden e-mail van eisers aan het college op 22 augustus 2025 maakt de rechtbank op dat het beroep feitelijk gericht is tegen het niet op tijd gevolg geven aan het besluit van 26 juni 2025.
2.1.
Artikel 6:2, onderdeel b, in samenhang met artikel 8:1 van Pro de Awb bepaalt dat een belanghebbende tegen het niet op tijd nemen van een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die op rechtsgevolg is gericht. Er is sprake van rechtsgevolg als er rechten, plichten, aanspraken, verplichtingen, een bevoegdheid en/of een juridische status worden gecreëerd of teniet gedaan. Dit betekent dat feitelijke handelingen en privaatrechtelijke rechtshandelingen in beginsel buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter vallen.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat het gevolg geven aan een besluit geen rechtshandeling is, maar een feitelijke handeling. Het besluit van 10 juli 2025 is wel gericht op rechtsgevolg, omdat hiermee een verplichting wordt gecreëerd voor het college om de toegezegde informatie te verstrekken aan eisers. De handelingen die het college vervolgens verricht om die verplichting uit te voeren, zijn op zichzelf niet gericht op rechtsgevolg en zijn dus feitelijke handelingen.
2.3.
De rechtbank is daarom kennelijk onbevoegd om van het beroepschrift kennis te nemen. Omdat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het ingestelde beroep, zal het door eiser betaalde griffierecht worden teruggestort. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. De rechtbank merkt verder nog op dat eisers vragen om het college te verplichten om hun aanvullend Woo-verzoek van 11 oktober 2025 volledig en tijdig af te handelen, conform de bepalingen van de Algemene Wet bestuursrecht en de Woo. Dit is niet iets wat binnen deze huidige beroepsprocedure past. Als het college niet op tijd op het Woo-verzoek van 11 oktober 2025 beslist, kunnen eisers het college in gebreke stellen en als daarna nog niet is beslist kunnen eisers een beroep tegen het niet op tijd beslissen door het college instellen.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 6 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.