ECLI:NL:RBZWB:2026:281

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
02-035188-25, 02-036784-25 (gev. ttz), 02-357831-24 (gev. ttz)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdstrafrecht: Veroordeling voor bedreiging, diefstal en openlijk geweld met bijzondere voorwaarden

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een jeugdstrafzaak tegen een minderjarige verdachte, geboren in 2011. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder bedreiging met een mes, diefstal van een fatbike en openlijk geweld. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 8 januari 2026, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De rechtbank verwierp het preliminaire verweer van de verdediging dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wettig en overtuigend schuldig was aan de tenlastegelegde feiten, met uitzondering van het dragen van een mes, waarvoor hij werd vrijgesproken. De rechtbank legde een jeugddetentie op van 47 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 80 uren. Daarnaast werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder het volgen van onderwijs en hulpverlening. De ouders van de verdachte werden aansprakelijk gesteld voor de schadevergoeding aan de benadeelde partij, die €750,- bedraagt. De rechtbank oordeelde dat de verdachte, gezien zijn jonge leeftijd en eerdere afwezigheid van strafbare feiten, een kans op rehabilitatie verdient, maar dat er ook een grote impact was op de slachtoffers van zijn daden.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-035188-25, 02-036784-25 (gev. ttz), 02-357831-24 (gev. ttz)
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 januari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[woonadres] ,
raadsman mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat te Tilburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 8 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. L.J. den Braber en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
02-035188-25:
feit 1:op 31 januari 2025 [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een mes;
feit 2:op 31 januari 2025 openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen die
[slachtoffer 1] ;
feit 3:op 3 februari 2025 terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt een
mes heeft gedragen;
02-036784-25:
op 11 december 2024 een fatbike van [slachtoffer 2] heeft gestolen;
02-357831-24:
op 27 augustus 2024 openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] , dan wel dat hij die [slachtoffer 3] heeft mishandeld.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
3.1.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
3.1.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de zaak onder parketnummer 02-357831-24. Daartoe voert zij aan dat [verbalisant 1] de minderjarige verdachte, [naam 1] en [naam 2] in de woning van [naam 2] heeft ondervraagd, wat er later toe heeft geleid dat verdachte verder is onderzocht. [verbalisant 1] heeft daarbij nagelaten de cautie te verlenen. Bovendien zijn de ouders van de jongens niet in kennis gesteld, is hen het recht op verhoor- en consultatiebijstand ontzegd en zijn de verhoren niet audiovisueel geregistreerd, terwijl dat gelet op de aard van de verdenking en de minderjarige leeftijd van de jongens wel had moeten gebeuren. Daarmee is sprake van een grove schending van de rechten van verdachte en van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijk procesorde dat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) aantast. Bovendien is er nog sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Nu sprake is van onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en van een overschrijding van de redelijke termijn, dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.
3.1.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie voert aan dat na het gesprek van [verbalisant 1] op de juiste wijze verhoren hebben plaatsgevonden met alle waarborgen die van belang zijn bij minderjarige verdachten. Gelet daarop is geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.
3.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop [verbalisant 1] het gesprek heeft gevoerd in de woning van [naam 2] zich op de grens van een verhoorsituatie bevindt, temeer nu het om een jonge verdachte gaat. Verbalisant onderzocht immers de betrokkenheid van [naam 2] bij een mogelijke straatroof en op enig moment wordt gezegd dat verdachte zou hebben geslagen. Gelet daarop had het in de rede gelegen verdachte op dat moment in ieder geval de cautie te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, nu verdachte (en ook zijn medeverdachten) daarna op de juiste wijze met alle waarborgen zijn verhoord. Het niet geven van de cautie leidt daarbij volgens vaste rechtspraak in beginsel tot uitsluiting van het bewijs van de afgelegde verklaring van verdachte. Daarbij geldt dat het belang van verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt niet is aan te merken als een rechtens te respecteren belang. Voor zover inbreuk zou zijn gemaakt op de rechten van de andere jongens, betreft het niet verdachte die hierdoor in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen is getroffen. De rechtbank komt dan ook niet tot een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie. Ook de overschrijding van de redelijke termijn leidt volgens vaste rechtspraak niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Dat is niet anders wanneer, zoals in de onderhavige zaak, sprake is van een geringe overschrijding van de redelijke termijn in combinatie met het niet geven van de cautie onder de omstandigheden van deze zaak.. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van feit 3 onder parketnummer 02-035188-24. Ten aanzien van de overige feiten acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de (primair) ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
02-357831-24:
De verdediging bepleit primair vrijspraak en voert daartoe aan dat het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] op pagina 8 en 9 van het dossier en de daarop voortbordurende verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten bij de politie, niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Indien de rechtbank daar niet in meegaat, bepleit de verdediging subsidiair dat vrijspraak moet volgen voor openlijke geweldpleging nu geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de subsidiair ten laste gelegde mishandeling.
02-036784-25:
De verdediging bepleit vrijspraak en voert daartoe aan dat aangever [slachtoffer 2] en [getuige 1] kwetsbare getuigen zijn en dat zij niet audiovisueel gehoord zijn, zodat sprake is van een vormverzuim. Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] op pagina 9 en 10 van het dossier moet worden uitgesloten van het bewijs, waardoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs overblijft. Bovendien ontbreekt het vereiste oogmerk.
02-035188-25:
De verdediging bepleit vrijspraak voor feit 1 wegens het ontbreken van redelijke vrees. Ten aanzien van feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het schoppen en het houden van een mes op de buik van aangever. Ook ten aanzien van feit 3 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-035188-25:
Feit 1
Verdachte wordt verweten dat hij aangever [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een mes. Verdachte verklaart daarover dat hij weliswaar een mes bij het lichaam van [slachtoffer 1] heeft gehouden, maar dat hij dat niet bedreigend heeft bedoeld. Uit het dossier volgt dat verdachte tweemaal en op verschillende momenten een mes tegen het lichaam van [slachtoffer 1] heeft gehouden, eerst tegen zijn keel en vervolgens tegen zijn buik. De rechtbank is van oordeel dat objectief kan worden vastgesteld dat de gedragingen van verdachte zodanig zijn dat bij [slachtoffer 1] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte daarop was gericht. Zelfs al zou de rechtbank aannemen dat er een eerder incident tussen [slachtoffer 1] en verdachte heeft plaatsgevonden, maakt dat het oordeel niet anders. De rechtbank acht feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft geschopt, zodat zij verdachte daarvan partieel vrijspreekt. Gelet op de aangifte, de beschrijving van de camerabeelden en de verklaring van verdachte dat hij degene op de beelden is, is de rechtbank van oordeel dat wel wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte (samen met anderen) [slachtoffer 1] heeft vastgepakt bij zijn middel en keel, een mes tegen zijn buik heeft gezet en hem in het gezicht heeft geslagen. De rechtbank acht feit 2 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
Bij de aanhouding van verdachte op 3 februari 2025 is hem uitlevering van het mes waarmee de feiten 1 en 2 zijn gepleegd gevorderd. Verdachte heeft daarop zijn matras omhoog getrokken, waarop de politie een tweetal messen, waaronder het in de tenlastelegging genoemde mes, heeft aangetroffen. Er is echter niet ten laste gelegd dat verdachte op 3 februari 2025 het mes voorhanden heeft gehad, maar dat hij het mes op die datum heeft gedragen. De rechtbank kan gelet op het dossier niet vaststellen dat verdachte het mes op 3 februari 2025 heeft gedragen, zodat zij verdachte daarvan vrijspreekt.
02-357831-24:
De rechtbank is van oordeel dat uit de aangifte, de omschrijving van de camerabeelden en de verklaring van verdachte dat hij degene op de beelden is volgt dat kan worden vastgesteld dat verdachte aangever [slachtoffer 3] in zijn gezicht heeft geslagen en bij zijn t-shirt heeft vastgepakt. Een van de medeverdachten heeft vervolgens tegen de fiets van die [slachtoffer 3] geschopt. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.
02-036784-25:
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij de fatbike van aangever [slachtoffer 2] heeft gestolen.
Uit de verklaring van aangever en [getuige 2] volgt dat de fatbike van aangever is gestolen. Aangever en [getuige 1] hebben aan [verbalisant 2] verteld dat verdachte de jongen is die de fiets heeft weggenomen.
De rechtbank stelt vast dat aangever en [getuige 1] allebei kort na het incident en onafhankelijk van elkaar een verklaring hebben afgelegd over de gang van zaken. Deze verklaringen worden bovendien ondersteund door [getuige 2] , die overigens geen kwetsbaar persoon betreft. Het samenstel van de verklaringen maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand een reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen. De verklaringen komen met elkaar overeen, zijn voldoende concreet en consistent. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de verklaringen van de aangever en [getuige 1] niet betrouwbaar zijn, gelet op de wijze van verhoren, volgt de rechtbank dit verweer niet, zoals hierboven blijkt. Voor zover de verdediging zich beroept op een vormverzuim, is het niet volgen van de richtlijn voor het verhoren van kwetsbare getuigen geen voorschrift waarmee beoogd wordt het belang van verdachte te beschermen. Voor zover deze richtlijn niet gevolgd zou zijn, leidt dit dan ook niet tot een rechtsgevolg in de zaak van verdachte.
Ten aanzien van het oogmerk van verdachte om zich de fatbike wederrechtelijk toe te eigenen overweegt de rechtbank dat het incident naar haar uiterlijke verschijningsvorm niet anders kan worden opgevat dan het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening. Verdachte heeft immers meermalen tegen [slachtoffer 2] gezegd dat hij van zijn fatbike moest afstappen en verdachte is vervolgens op die fatbike weggereden. Dat de fatbike twee dagen later is teruggevonden doet daar niets aan af; verdachte beschikte ten tijde van het wegnemen immers als heer en meester over de fatbike.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-035188-25:
feit 1
op 31 januari 2025 te Tilburg [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door
- meermalen een mes te tonen en voor te houden aan die [slachtoffer 1] en
- meermalen het genoemde mes tegen zijn keel te houden/drukken;
feit 2
op 31 januari 2025 te Tilburg , openlijk, te weten, aan het Ketelhavenplein (NS Station Reeshof), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] door:
- die [slachtoffer 1] vast te pakken en te houden om zijn middel en de keel en
- een mes tegen de buik van die [slachtoffer 1] te houden en
- die [slachtoffer 1] tegen het gezicht te slaan;
02-036784-25:
op 11 december 2024 te Tilburg een fatbike die aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
02-357831-24
op 27 augustus 2024 te Tilburg , openlijk, aan de openbare weg, de Kamerikstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] , en een goed door die [slachtoffer 3] - in het gezicht te slaan en
- bij zijn shirt vast te pakken en
- tegen zijn fiets te schoppen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 47 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren. Zij vordert daaraan de voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en om als aanvullende voorwaarde op te nemen dat er een afbouwend schema voor het lopende huisarrest van verdachte wordt opgesteld. Zij vordert de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een werkstraf van 120 uren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank primair te volstaan met een werkstraf en subsidiair met een jeugddetentie gelijk aan het voorarrest. Verder verzoekt zij de rechtbank rekening te houden met het feit dat verdachte reeds geruime tijd huisarrest heeft ondergaan.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging, meerdere geweldsdelicten en aan diefstal. Hij heeft openlijk geweld gepleegd tegen [slachtoffer 3] door hem in het gezicht te slaan en hem bij zijn t-shirt vast te pakken. Enkele maanden later heeft verdachte zich, voorzien van een mes, schuldig gemaakt aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en aan openlijk geweld jegens [slachtoffer 1] . Daarbij heeft verdachte die [slachtoffer 1] vastgehouden, in het gezicht geslagen en een mes tegen zijn keel en buik gezet. Verder heeft verdachte een fatbike gestolen van [slachtoffer 2] . Deze feiten hebben een grote impact op de slachtoffers. Dat blijkt ook uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1] . Zo voelt hij zich sinds het incident angstig, slaapt hij slecht en is hij buiten continu op zijn hoede.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.
Verder heeft de rechtbank gekeken naar het advies van de Raad van 27 december 2025. Daaruit volgt dat de Raad grote zorgen heeft over de ontwikkeling, opvoedingsomgeving en het functioneren van verdachte. Hij kampt met gedragsproblemen, is impulsief en beïnvloedbaar. Verdachte was ten tijde van het plegen van het eerste strafbare feit slechts 12 jaar oud en is in korte tijd meermalen in aanraking gekomen met de politie. Tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis heeft hij zich, ondanks bemoeienis van de jeugdreclassering en het feit dat sprake is van ondertoezichtstelling, niet aan de voorwaarden gehouden. Verdachte gaat sinds twee jaar niet meer naar school en er wordt bekeken of hij naar een Pilotklas kan om zicht te krijgen op zijn niveau en mogelijkheden, zodat hij daarna kan instromen op het speciaal onderwijs ([speciaal onderwijs]). Wel laat verdachte op zijn huidige dagbestedingsplek ontwikkeling zien en is hij gemotiveerd om te starten met school. De Raad geeft aan dat het naar school krijgen van verdachte de hoogste prioriteit moet hebben. Naast zorgen over de ontwikkeling en het delictgedrag van verdachte, uit de Raad ook haar zorgen over de opvoedingssituatie van verdachte. Verdachte accepteert geen gezag van zijn ouders, is erg zelfbepalend en zijn ouders zijn niet bij machte hem op het rechte pad te houden. De gezinsvoogd geeft aan dat verdachte regelmatig conflicten heeft met zijn vader waarbij het soms uitloopt op fysieke agressie. Er moet prioriteit worden gelegd bij de inzet van hulpverlening voor zowel verdachte als het gezin door middel van systemische hulpverlening. De gezinsvoogd zet momenteel in op [zorgaanbieder] (specialistische zorgaanbieder). Het recidiverisico wordt ingeschat als heel hoog. Om dit risico te verkleinen is een stabielere thuissituatie nodig, waarin verdachte gezag van zijn ouders accepteert en sturing en grenzen van zijn ouders aangereikt krijgt.
De Raad adviseert de rechtbank aan verdachte op te leggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarden dat verdachte onderwijs of zinnige dagbesteding volgt, zich inzet voor adequate vrijetijdsbesteding, meewerkt aan het zicht krijgen op relaties en vrienden en verminderen van contacten met antisociale jongeren, meewerkt aan het afnemen van een (dubbel) persoonlijkheidsonderzoek indien dat noodzakelijk wordt geacht, meewerkt aan hulp gericht op het verminderen van agressie, andere hulp gericht op persoonlijke problematiek en behandeling indien dat noodzakelijk wordt geacht.
Ter zitting heeft de Raad nog aan het advies toegevoegd dat het de vraag is of de reeds ingezette hulp voldoende is en of verdachte wel thuis kan blijven wonen. Verdachte heeft momenteel vrienden die niet allemaal een positieve invloed op hem hebben. Zijn ouders zijn bereid mee te werken aan hulpverlening en momenteel wordt bekeken hoe de systeemtherapie het beste kan worden ingezet om te zorgen dat verdachte thuis kan blijven wonen. Verdachte heeft momenteel een enkelband, maar de Raad ziet, ondanks zorgen, geen meerwaarde meer in het langer dragen daarvan. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden geeft de Raad aan dat zij een afbouwschema voor het lopende huisarrest adviseert. Daarnaast adviseert zij de rechtbank de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Mevrouw [reclasseringswerker] van de reclassering heeft ter zitting aangevoerd dat de samenwerking met verdachte in het begin erg stroef verliep. Zijn ouders hielden verdachte teveel een hand boven het hoofd en bedachten excuses voor zijn gedrag. De samenwerking met verdachte verloopt inmiddels beter en hij is vrijwel altijd op afspraken verschenen. Omdat verdachte niet graag wordt herinnerd aan wat hij heeft gedaan, is het lastig daarover het gesprek met hem aan te gaan. Verdachte heeft bij de reclassering aangegeven niet na te denken wanneer hij strafbare feiten pleegt, maar achteraf weet hij aan te geven wat hij anders had moeten doen. [reclasseringswerker] geeft verder nog aan dat verdachte een steunpilaar mist en dat zij zich daar zorgen over maakt. Zij is het met de Raad eens dat er meer hulpverlening nodig is.
Strafoplegging
De rechtbank heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor jeugdigen van het LOVS. Hierin staat vermeld dat het uitgangspunt voor openlijk geweld tegen personen 40 uur werkstraf betreft en het uitgangspunt voor bedreiging met een mes 60 uur werkstraf. De rechtbank houdt er enerzijds rekening mee dat sprake is van nare feiten, waaronder twee geweldsincidenten. Anderzijds is sprake van een zeer jonge verdachte en betreft hij een first offender. Daarnaast heeft verdachte reeds een jaar huisarrest gehad. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat tussen de feiten 1 en 2 (parketnummer 02-035188-25) sprake is van meerdaadse samenloop. Voor wat betreft het feit onder parketnummer 02-357831-24 is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met één maand. Gelet op deze geringe overschrijding verbindt de rechtbank daar geen gevolgen aan en houdt zij het enkel bij een constatering.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op een jeugddetentie van 47 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren. Daaraan verbindt zij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad met daarbij een afbouwregeling voor het lopende huisarrest. Deze afbouwregeling moet ertoe leiden dat het einde van het huisarrest wordt gerealiseerd binnen één maand. Daarnaast scherpt zij enkele geadviseerde bijzondere voorwaarden aan in die zin dat verdachte meewerkt aan het afnemen van een enkelvoudig persoonlijkheidsonderzoek, dan wel een dubbel persoonlijkheidsonderzoek wanneer dit nodig wordt geacht door de gecertificeerde instelling en dat verdachte meewerkt aan hulpverlening geïndiceerd vanuit het enkel- dan wel dubbel persoonlijkheidsonderzoek. Verder legt de rechtbank aan verdachte op een werkstraf van 80 uren.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 77za Sr om dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden te bevelen. Zij zal daartoe dan ook niet overgaan.

7.Het beslag

7.1.
De onttrekking aan het verkeer
Het onder parketnummer 02-035188-25 inbeslaggenomen voorwerp wordt onttrokken aan het verkeer. Het voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om dat voorwerp te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

8.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 750,- aan immateriële schade voor de feiten 1 en 2 onder parketnummer 02-035188-25.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank zouden de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte aan hem als een onrechtmatige daad kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan. Jeugdigen die, net als verdachte, ten tijde van het plegen van het feit nog geen veertien jaar oud waren, zijn namelijk civielrechtelijk niet aansprakelijk voor onrechtmatige gedragingen (artikel 6:164 BW). In dit geval is degene die het ouderlijk gezag over het kind uitoefent, daarvoor aansprakelijk. De vader en moeder van verdachte zijn met het ouderlijk gezag over hem belast. Dit betekent dat zij aansprakelijk zijn voor de schade die de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten hebben geleden (artikel 6:169 van het Burgerlijk Wetboek).
De vordering van de benadeelde partij wordt dan ook geacht te zijn gericht tegen de ouders van verdachte (artikel 51g lid 4 Sv).
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op alle omstandigheden, namelijk dat de feiten zijn gepleegd met behulp van en mes, en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank de verzochte vergoeding van € 750,- billijk. Zij wijst de vordering dan ook in zijn geheel toe.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werden gepleegd, te weten 31 januari 2025.
Aan verdachte kan geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd, omdat hij, zoals hierboven is overwogen, civielrechtelijk niet aansprakelijk is voor onrechtmatige gedragingen. Aan de ouders van verdachte kan deze maatregel ook niet worden opgelegd, omdat zij geen verdachte zijn, maar slechts aansprakelijk zijn voor de schade die door hun zoon als verdachte is toegebracht.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 36f, 57, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 285, 310 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het onder parketnummer 02-035188-25 feit 3 ten laste gelegde;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-035188-25:
feit 1:bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, meermalen
gepleegd;
feit 2:openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
02-036784-25:diefstal;
02-357831-24:openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 47 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende een door de gecertificeerde instelling te bepalen periode en op door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen zal melden, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
* dat verdachte gedurende de proeftijd onderwijs volgt en/of zich (in overleg met de gecertificeerde instelling) inzet voor een zinnige dagbesteding;
* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan/zich inzet voor adequate vrijetijdsbesteding;
* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan het zicht krijgen op zijn relaties/vrienden en aan het verminderen van contacten met antisociale jongeren;
* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan het afnemen van een enkelvoudig persoonlijkheidsonderzoek, dan wel dubbel persoonlijkheidsonderzoek wanneer dit nodig wordt geacht door de gecertificeerde instelling;
* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan hulp gericht op het verminderen van agressie;
* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan hulpverlening geïndiceerd vanuit het enkel- dan wel dubbel persoonlijkheidsonderzoek;
* dat verdachte meewerkt aan een afbouwregeling van zijn huisarrest door de gecertificeerde instelling. Deze afbouwregeling moet ertoe leiden dat het einde van het huisarrest gerealiseerd zal zijn uiterlijk één maand na de datum van dit vonnis;
- van rechtswege gelden daarbij de voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- draagt de gecertificeerde instelling Jeugd Bescherming Brabant, afdeling Jeugdreclassering te Tilburg op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- veroordeelt verdachte tot
een werkstraf van 80 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
40 dagen;
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
T.a.v. parketnummer 02- 035188-25, feit 1 en 2
- veroordeelt de ouders van verdachte, te weten [ouders] , tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 1]van
€ 750,-aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt de ouders van verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
Beslag
- verklaart aan het verkeer onttrokken het volgende voorwerp:
* 1 STK Mes (G2822819);
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Tempel, voorzitter tevens jeugdrechter, en mr. R. Combee en mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 22 januari 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
02-035188-25:
1
hij op of omstreeks 31 januari 2025 te Tilburg [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- meermalen, althans eenmaal een mes te tonen en/of voor te houden aan die [slachtoffer 1] voornoemd en/of
- ( vervolgens/daarbij) meermalen, althans eenmaal het genoemde mes tegen zijn keel/nek/hals te houden/drukken;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 31 januari 2025 te Tilburg , openlijk, te weten, aan het Ketelhavenplein (NS Station Reeshof), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere personen te weten [slachtoffer 1] door:
- die [slachtoffer 1] voornoemd vast te pakken en/of houden om/bij/aan zijn middel en/of de keel, althans het lichaam en/of
- ( vervolgens/daarbij) een mes tegen de buik van die [slachtoffer 1] te houden en/of
- die [slachtoffer 1] voornoemd (met kracht) op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam te duwen en/of te schoppen en/of te slaan;
( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Tilburg , terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie IV onder 1 van Wet wapens en munitie, te weten een mes (merk 101) waarvan het lemmet is voorzien van meer dan een snijkant, heeft gedragen;
( art 26 lid 5 Wet wapens en munitie )
02-036784-25:
hij op of omstreeks 11 december 2024 te Tilburg een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 310 Wetboek van Strafrecht )
02-357831-24
hij op of omstreeks 27 augustus 2024 te Tilburg , althans in Nederland, openlijk, op of aan de openbare weg, de Kamerikstraat, in elk geval op of aan de/een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] , en/of een goed door die [slachtoffer 3] een of meerdere malen
- in/op het gezicht, althans op/tegen het hoofd te slaan,
- bij zijn shirt vast te pakken en/of
- op/tegen zijn fiets te schoppen en/of te trappen;
( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 augustus 2024 te Tilburg [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal, op het gezicht en/of hoofd te slaan;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )