ECLI:NL:RBZWB:2026:2810

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/402219 / FA RK 22-4537
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging omgangsafspraken na uniform hulpaanbod tussen voogd en moeder

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 27 februari 2026 een beschikking gegeven in een zaak betreffende omgangsregelingen tussen een voogd (opa) en de moeder van een minderjarige. Na een verwijzing naar een Uniform Hulp Aanbod (UHA) en een maatwerktraject via Prisma, hebben partijen overeenstemming bereikt over omgangsafspraken.

De rapportage van het UHA van 16 december 2025 toonde aan dat de gestelde doelen waren behaald en dat de omgangsregeling het maximaal haalbare was, passend bij de praktische en emotionele mogelijkheden van partijen. Partijen hebben de afspraken vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst en verzochten de rechtbank deze schriftelijk te bekrachtigen.

De rechtbank oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst niet onrechtmatig of ongegrond was en besloot de overeenkomst aan de beschikking te hechten. De oorspronkelijke verzoeken werden als ingetrokken beschouwd en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken door mr. Sumner, in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: De rechtbank bekrachtigt de schriftelijk overeengekomen omgangsafspraken en compenseert de proceskosten tussen partijen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/402219 / FA RK 22-4537
Datum uitspraak: 27 februari 2026
nadere beschikking betreffende omgang
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw of de moeder
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.M.A. Leijser in Tilburg,
tegen
[de voogd] ,
hierna: de voogd of de opa
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: voorheen mr. B.P.J. van Riel uit Breda, thans mr. M.C.F.Y. de Vleesschauwer uit Breda
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008
,hierna [minderjarige]
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het nadere procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van 22 december 2023 en alle daarin genoemde stukken;
- de rapportage van het Uniform Hulpaanbod van 16 december 2025;
- het op 23 december 2025 ontvangen F9-formulier met bijlage van mr. Leijser;
- het op 24 december 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Van Riel;
- het op 29 december 2025 ontvangen F2-formulier van mr. De Vleesschauwer.

2.De feiten

2.1
Bij beschikking van 22 december 2023 heeft de rechtbank partijen en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant in het kader van het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA).
2.2.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportage van het UHA van 16
december 2025 waaruit, samengevat, volgt dat de gestelde doelen zijn behaald. Uit de
rapportage blijkt dat een maatwerktraject vanuit Prisma is ingezet. Partijen zijn een
omgangsregeling overeengekomen. Deze regeling is op dit moment het maximaal haalbare
en sluit aan bij wat zowel praktisch als emotioneel mogelijk is. De vrouw en [minderjarige] zullen de
komende periode ondersteuning blijven ontvangen om deze regeling goed te kunnen blijven
uitvoeren en verder te versterken.
2.3.
In reactie op de UHA-rapportage laten partijen de rechtbank weten dat zij geen
behoefte hebben aan een zitting en de zaak schriftelijk kan worden afgedaan met een
bekrachtiging van de door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst genaamd
‘omgangsafspraken’.

3.De beoordeling

3.1.
Blijkens de inhoud van het UHA-rapport en de door partijen overgelegde F9-formulieren hebben zij overeenstemming bereikt, welke zij hebben vastgelegd in de overgelegde vaststellingsovereenkomst genaamd ‘omgangsafspraken’. Partijen geven beide aan dat de zaak verder schriftelijk kan worden afgedaan.
3.2.
De door partijen gemaakte afspraken in de vaststellingsovereenkomst genaamd ‘omgangsafspraken’ alsmede hun verzoek om die overeenkomst aan deze beschikking te hechten, komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat als na te melden zal worden beslist. De oorspronkelijke verzoeken beschouwt de rechtbank, gelet op de overeenstemming, als ingetrokken.
3.3.
Nu partijen overeenstemming hebben bereikt en het geschil betrekking heeft op hun beider (klein)kind, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
bepaalt dat de onderlinge regelingen uit de aangehechte vaststellingsovereenkomst genaamd ‘omgangsafspraken’ deel uitmaken van deze beschikking;
4.2
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door mr. Sumner, in tegenwoordigheid van mr. Van Noort als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.