Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2813

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/423151 / FA RK 24-2582 en C/02/440651 / FA RK 25-5193
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Voorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 815 RvArt. 828 RvArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding geregistreerd partnerschap met zorg- en kinderbijdrage regeling

Partijen zijn op 16 maart 2020 een geregistreerd partnerschap aangegaan waaruit twee minderjarige kinderen zijn geboren. De vrouw verzocht de ontbinding van het partnerschap, het hoofdverblijf van de kinderen bij haar, een contactregeling voor de man en vaststelling van kinderbijdragen. De man stemde in met de ontbinding en het hoofdverblijf, maar stelde een afwijkende zorg- en kinderbijdrage regeling voor.

De rechtbank constateerde dat partijen geen ouderschapsplan konden overleggen, maar verklaarde het verzoek van de vrouw ontvankelijk vanwege het afgeronde hulpverleningstraject. De ontbinding werd toegewezen omdat het partnerschap duurzaam ontwricht was en het hoofdverblijf bij de vrouw werd vastgesteld in overeenstemming met de feitelijke situatie.

De zorgregeling voor de oudste minderjarige werd vastgesteld op een weekendregeling om de twee weken bij de man, met een opbouwende regeling voor de jongste. De rechtbank bepaalde een zorgkorting en berekende de behoefte en draagkracht van partijen op basis van inkomensgegevens en de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen.

De kinderbijdrage van de man werd vastgesteld op €211 per maand voor de oudste en €236 per maand voor de jongste, met ingang van 1 januari 2026. De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar en nam de onderlinge regelingen uit het echtscheidingsconvenant over. Afwijzing van overige verzoeken volgde.

Uitkomst: De rechtbank ontbindt het geregistreerd partnerschap, stelt het hoofdverblijf bij de vrouw vast, regelt zorg en contact en legt de kinderbijdrage van de man vast met ingang van 1 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummers: C/02/423151 / FA RK 24-2582 (ontbinding partnerschap met nevenvoorzieningen)
C/02/440651 / FA RK 25-5193 (verdeling)
beschikking d.d. 6 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. C.F.A. Cadot, kantoorhoudende te Roosendaal,
en
[de man],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat: voorheen mr. L. Verheuvel te Middelburg (onttrokken), thans mr. R. Wouters te Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.

1.Het procesverloop

1.1.
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 4 juni 2024 ontvangen verzoekschrift tot ontbinding geregistreerd partnerschap,
met bijlagen;
- het op 27 augustus 2024 ontvangen verweerschrift, met bijlagen;
- het op 21 oktober 2024 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek;
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 november 2024;
- het F-formulier d.d. 6 oktober 2025 van mr. Wouters;
- het F-formulier d.d. 15 oktober 2025 van mr. Wouters;
- het op 19 december 2025 ingekomen aanvullend verzoekschrift en wijziging verzoeken van mr. Cadot, met bijlagen;
- de op 24 december 2025 ingekomen aanvulling c.q. wijziging verzoeken van mr. Wouters, met bijlagen;
- het door mr. Wouters tijdens de mondelinge behandeling overgelegde door partijen ondertekende convenant ontbinding partnerschap;
- de door mr. Cadot tijdens de mondelinge behandeling overgelegde (draagkracht-) berekeningen.
1.2.
De zaak is (laatstelijk) behandeld op de mondelinge behandeling van 9 januari 2026.. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op 16 maart 2020 te [plaats 1] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.
2.2.
Uit het partnerschap van partijen zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2021;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2024.
2.3.
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
2.4.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.5.
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt, na aanvulling c.q. wijziging, van haar verzoeken, uitvoer bij voorraad:
I. tussen partijen de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken welke zij met elkaar zijn aangegaan op 16 maart 2020 te [plaats 1] ;
II. te bepalen dat de minderjarige zoon van partijen, [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats 1] hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw;
III. te bepalen dat de minderjarige dochter van partijen, [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats 2] , hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw;
IV. in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken een contactregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige 1] :
- éénmaal per twee weken een weekend vanaf vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagmiddag 16.00 uur;
- gedurende een deel van de schoolvakanties en de helft van de feestdagen in onderling overleg nader af te stemmen;
- waarbij de man [minderjarige 1] bij aanvang van een contactmoment steeds zal ophalen bij de vrouw en de overdracht aan het einde van een contactmoment zal plaatsvinden in [plaats 2] bij het ophaalpunt.
V. in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken een contactregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige 2] :
- op verzoek van de man, éénmaal per twee weken op vrijdagmiddag, waarvan de invulling tussen partijen nader wordt afgestemd en welke regeling middels een opbouw toekomstgericht uitgebreid kan gaan worden naar een regeling gelijkwaardig aan de zorgregeling van [minderjarige 1] .
- waarbij het halen en brengen, voor zover zal plaatsvinden aansluitend op de wijze waarop dit ten aanzien van [minderjarige 1] plaatsvindt.
VI. te bepalen dat de man ten titel van een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] aan de vrouw dient te voldoen een bijdrage van € 261,00 per maand, zulks bij vooruitbetaling te voldoen, voor het eerst met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding zijnde 4 juni 2024;
VII. te bepalen dat de man ten titel van een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats 2] aan de vrouw dient te voldoen een bijdrage van € 261,00 per maand, zulks bij vooruitbetaling te voldoen, voor het eerst met ingang van 28 juni 2024.
VIII. de verdeling van de beperkte gemeenschap te gelasten op een wijze als onder l 6 tot en
met 20 van het lichaam van het verzoekschrift van 3 juni 2024 weergegeven althans zodanig te beslissen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, kosten rechtens.
3.2.
De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw, met uitzondering van de door vrouw verzochte ontbinding van het geregistreerd partnerschap en het hoofdverblijf. Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de man tussen hem en de [minderjarige 1] en de [minderjarige 2] een zorgregeling vast te stellen waarbij de man de zorg draagt voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende:
  • Eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagmiddag 16.00 uur;
  • Gedurende de helft van alle schoolvakanties en de helft van alle feestdagen, waarbij partijen de verdeling in onderling overleg afstemmen met als uitgangspunt een verdeling bij helfte;
  • Waarbij de ouder waar de kinderen niet verblijven de kinderen steeds bij de andere ouder zal ophalen bij aanvang van een contactmoment en partijen zodoende het halen en brengen bij helfte verdelen;
Waarbij op het moment dat het halen en brengen niet gelijk wordt verdeeld aan de man een vergoeding wordt toegekend van € 500,= per maand, te voldoen door de vrouw aan de man bij vooruitbetaling per maand, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie meent te moeten vaststellen.
De man verzoekt om het verzoek van de vrouw om een kinderbijdrage te bepalen als
volgt toe te wijzen:
  • Met ingang van 28 juni 2024 tot l januari 2026 een bedrag van € 25,= per kind per maand, zoals tussen partijen is overeengekomen en de vrouw eerst heeft verzocht;
  • Met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 127,= per maand voor [minderjarige 1] en een bedrag van € 85,= per maand voor [minderjarige 2] .
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

In de zaak met nummer C/02/423151 / FA RK 24-2582 (ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenverzoeken);
Ontvankelijkheid;
4.1.
De vrouw heeft verzocht het geregistreerd partnerschap van partijen te ontbinden.
Op grond van artikel 815, lid 2 jo artikel 828 Rv Pro voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap heeft de rechtbank bij het ontbreken van bedoeld ouderschapsplan de bevoegdheid een geregistreerd partner in diens verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).
4.2.
Partijen hebben geen ouderschapsplan overgelegd. Ter zitting van 14 november 2024 - zo volgt uit het proces-verbaal van deze zitting - is besproken dat partijen op 16 december 2024 zullen starten met een (hulpverlenings)traject bij de Gezinsmanager. Om die reden heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de familiekamerrol van 18 maart 2025 voor het alsnog overleggen van een door beide partijen gedragen en ondertekend ouderschapsplan. Ter zitting is gebleken dat partijen voornoemd traject bij de Gezinsmanager hebben afgerond, maar omdat dit traject niet mede was gericht op de onderlinge communicatie tussen ouders hebben zij (nog steeds) geen overeenstemming kunnen bereiken over de inhoud van een ouderschapsplan. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee voldoende vast dat van partijen niet kan worden verwacht dat zij op korte termijn alsnog een door hen gedragen ouderschapsplan overleggen. De rechtbank zal de vrouw derhalve ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
Ontbinding geregistreerd partnerschap;
4.3.
De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. De man voert daartegen geen verweer. Het verzoek van de vrouw zal als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
Hoofdverblijf;
4.4.
De vrouw verzoekt het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar te bepalen. De man voert daartegen geen verweer.
4.5.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen, nu de man hiertegen geen verweer heeft gevoerd en dit in overeenstemming is met de feitelijke situatie en niet is gebleken dat de belangen van de minderjarigen zich tegen de toewijzing van het verzoek verzetten.
Zorgregeling;
4.6.
De rechtbank stelt vast dat partijen in voornoemd hulpverleningstraject bij de Gezinsmanager een verdeling van zorg- en opvoedingstaken een contactregeling tussen de man en [minderjarige 1] tot stand is gekomen waarbij [minderjarige 1] eenmaal per twee weken vanaf vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagmiddag 16.00 uur bij de man verblijft. Dit is de huidige regeling waaraan door partijen in de praktijk uitvoering aan wordt gegeven en die naar tevredenheid verloopt. De rechtbank zal deze zorgregeling op verzoek van partijen op onderstaande wijze bepalen.
4.7.
De vrouw heeft daarnaast - omdat [minderjarige 1] volgens haar sinds hij naar de basisschool gaat na het contactmomentweekend moeite heeft met de wisselingen - voorgesteld om hem aan te melden voor het traject ‘Piep zie de muis’ zijnde laagdrempelige hulpverlening specifiek voor jonge kinderen. De man heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij open staat voor een dergelijk traject maar dat hij hierover eerst nadere informatie wenst te ontvangen van de vrouw. De rechtbank gaat er van uit dat partijen eventuele deelname aan dit hulpverleningstraject onderling – al dan niet met tussenkomst van hun advocaten – verder in gang zetten.
4.8.
Ten aanzien van de vakanties met betrekking tot [minderjarige 1] zijn partijen overeengekomen dat tijdens de schoolvakanties van twee weken zijnde de meivakantie en de kerstvakantie [minderjarige 1] tijdens de eerste week bij de man verblijft, en de tweede week op vrijdagmiddag begint bij de vrouw. De reguliere zorgregeling wordt het eerste weekend na de vakantie hervat. Tijdens de schoolvakanties van één week, zijnde de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie verblijft [minderjarige 1] van vrijdagmiddag (uit school) tot en met de woensdag 12:00 uur bij de man en vervolgens het tweede deel van de vakantie bij de vrouw. De reguliere zorgregeling wordt het eerste weekend na de vakantie hervat. Voor de zomervakantie (zes weken) zijn partijen een verdeling overeengekomen van twee weken bij de vrouw, twee weken bij de man en vervolgens één week bij de vrouw en de laatste week bij de man. Voor de zomervakantie 2026 geldt dat [minderjarige 1] van de eerste vrijdag tot de dinsdag twee weken later bij de vrouw verblijft. Vanaf dat moment geldt de 2-2-1-1 waarbij [minderjarige 1] het laatste weekend bij de vrouw verblijft. Pasen en Pinksteren verloopt volgens de reguliere zorgregeling. Het weekend wordt met een dag verlengd bij de ouder waar de minderjarigen op dat moment verblijven. Tijdens de zitting is gebleken dat voornoemde afspraken tussen partijen over de vakanties en feestdagen voldoende houvast bieden voor partijen om onderlinge afspraken te maken tijdens de overige feestdagen. De rechtbank zal de vakantieregeling voor [minderjarige 1] daarom op onderstaande wijze bepalen.
4.9.
Voor wat betreft de zorgregeling tussen de man en de [minderjarige 2] zijn partijen het erover eens dat moet worden toegewerkt naar eenzelfde regeling zoals hiervoor geldt tussen de man en [minderjarige 1] . Ter zitting zijn partijen in samenspraak met de Raad de navolgende opbouw overeengekomen. Eén keer per twee weken zal er contact zijn tussen de man en [minderjarige 2] . De man zal daarbij één keer per maand een vakantiehuis huren in de buurt van [woonplaats 1] . Omdat de man op vakantie gaat van 16 februari tot en met 12 maart 2026 zal de rechtbank bepalen dat de regeling start op 20 maart aanstaande. De rechtbank bepaalt rekening houdend met voornoemde uitgangspunten de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] als volgt:
- vrijdag 20 maart van 10 uur tot 12 uur
- vrijdag 3 april van 10 uur tot 15 uur
- vrijdag 17 april van 10 uur tot 12 uur
- vrijdag 1 mei van 10 uur tot 15 uur
- vrijdag 15 mei van 10 uur tot 12 uur
- vrijdag 29 mei van 10 uur tot 20 uur
- vrijdag 12 juni van 10 uur tot 12 uur
- vrijdag 26 juni van 10 uur tot 20 uur
- vrijdag 10 juli van 10 uur tot 12 uur
- vrijdag 24 juli van 10 uur tot zaterdag 25 juli 16:00 uur
- vrijdag 7 augustus van 10 uur tot 12 uur
- vrijdag 21 augustus van 10 uur tot zondag 23 augustus 10:00 uur.
waarbij de man [minderjarige 2] telkens ophaalt en weer terugbrengt naar de vrouw.
4.10.
Tijdens voornoemde opbouwperiode blijft de haal- en brengregeling voor [minderjarige 1] zoals deze op dit moment plaatsvindt waarbij de man [minderjarige 1] bij aanvang van een contactmoment steeds zal ophalen bij de vrouw en de overdracht aan het einde van een contactmoment zal plaatsvinden in [plaats 2] bij het ophaalpunt. Na voornoemde opbouwperiode van (ongeveer) zes maanden gaat de rechtbank er van uit dat partijen bestendige en duurzame afspraken hebben gemaakt en dat er tussen de man en [minderjarige 2] dezelfde zorgregeling en vakantieregeling geldt als tussen hem en [minderjarige 1] . De rechtbank zal bepalen dat partijen vanaf dat moment het halen en brengen bij helfte tussen ouders wordt verdeeld, in onderling overleg tussen ouders nader te bepalen. De rechtbank overweegt dat dit een gebruikelijk uitgangspunt is en merkt daarbij op dat beide ouders zonder overleg met elkaar elders zijn gaan wonen.
Kinderbijdrage;
4.11.
De vrouw legt aan haar verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage ten grondslag
dat de minderjarigen behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat deze
de financiële draagkracht heeft die te voldoen.
Ingangsdatum;
4.12.
Uit proceseconomisch oogpunt zal de rechtbank eerst ingaan op de ingangsdatum van de door de vrouw verzochte kinderbijdrage.
4.13.
De vrouw verzoekt na wijziging van haar verzoek om de door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging voor de minderjarigen te bepalen op € 261,00 per kind per maand, voor de [minderjarige 1] met ingang van de datum van het verzoek tot echtscheiding zijnde 4 juni 2024, en voor de [minderjarige 2] met ingang van 28 juni 2024, zijnde de dag waarop zij is geboren.
4.14.
De man voert verweer en verzoekt met ingang van 28 juni 2024 tot l januari 2026 de door hem te betalen bijdrage te bepalen op € 25,= per kind per maand, zoals tussen partijen is overeengekomen en door de vrouw ook aanvankelijk is verzocht (in het initiële verzoek). Met ingang van 1 januari 2026 verzoekt de man te bepalen dat hij een bijdrage van € 127,= per maand voor [minderjarige 1] en een bijdrage van € 85,= per maand voor [minderjarige 2] dient te voldoen.
4.15.
De rechtbank oordeelt als volgt. Uitgangspunt is dat artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) de rechter een grote mate van vrijheid laat bij het vaststellen van een ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting. De vrouw heeft eerst op 24 december 2025 de door haar verzochte gewijzigde bijdrage van € 261,00 per kind per maand verzocht. De rechtbank stelt vast dat de man aan de vrouw met ingang van juni 2024 een bedrag van € 25,00 voor [minderjarige 1] voldoet en sinds de geboorte van [minderjarige 2] eveneens een bedrag van € 25,00 aan de vrouw voldoet als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging. Niet is aangetoond dat deze bijdrage niet voldeed aan de wettelijke maatstaven zoals door de vrouw gesteld, te meer omdat vast staat dat de man het halen en brengen van de minderjarige(n) voor zijn rekening heeft genomen, hetgeen gelet op de afstand tussen partijen een kostenpost met zich brengt. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van 1 januari 2026 als ingangsdatum. Het had op de weg van de vrouw gelegen om eerder een (gewijzigd) verzoekschrift in te dienen, hetgeen zij niet heeft gedaan.
Behoefte minderjarigen;
4.16.
Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen. Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen, is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat ter bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2023, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan.
4.17.
De rechtbank zal de behoefte van [minderjarige 1] op voornoemde wijze bepalen. Tussen partijen is in geschil op welke wijze de behoefte van de [minderjarige 2] berekend dient te worden. De vrouw stelt zich op het standpunt dat geen onderscheid in behoefte tussen beide kinderen van partijen moet worden gemaakt. De rechtbank stelt vast dat de [minderjarige 2] is geboren nadat partijen uit elkaar zijn gegaan. Nu partijen anders dan met [minderjarige 1] niet in gezinsverband met [minderjarige 2] hebben samengeleefd, kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van de behoefte van [minderjarige 2] . De rechtbank volgt de aanbeveling die de Expertgroep Alimentatie voor die situatie geeft. Die aanbeveling houdt in dat in dat geval de behoefte wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder (inclusief kindgebonden budget) en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder (inclusief het fictief kindgebonden budget). Zo wordt bij iedere ouder de behoefte berekend alsof het kind bij die ouder opgroeit.
Behoefte [minderjarige 1] ;
4.18.
Blijkens de als productie 2 bij de op 24 december 2025 ingekomen aanvulling c.q. wijziging verzoeken door mr. Wouters overgelegde salarisspecificaties over de maanden oktober, november en december 2023 had de man een inkomen van € 2.557,= bruto per maand, te vermeerderen met het Individueel Keuzebudget (IKB) van € 418,= per maand (o.a. vakantietoeslag en 13e maand). De rechtbank houdt daarnaast rekening met de op de loonstroken vermelde vaste aanvullende toelage onregelmatigheidsdienst van € 50,= per maand alsmede met een gemiddelde toelage wegens onregelmatigheidsdienst van € 471,= per maand. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
4.19.
Blijkens de als productie 7 bij het verzoekschrift tot ontbinding geregistreerd partnerschap door mr. Cadot overgelegde jaaropgaven over 2023 had de vrouw een inkomen van € 9.557,= bruto per jaar bij haar [werkgever] alsmede een Ziektewetuitkering van € 12.089,= bruto per jaar. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Omdat de vrouw in 2023 (deels) werkzaam was in loondienst en niet enkel een Ziektewetuitkering ontving, komt zij – anders dan namens de man ter zitting is gesteld – wel in aanmerking voor arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting. Anders dan in de door mr. Cadot tijdens de mondelinge behandeling van 9 januari 2026 overgelegde draagkrachtberekening worden beide heffingskortingen berekend over het arbeidsinkomen (= inkomen exclusief de Ziektewetuitkering).
4.20.
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 1.498,= per maand en van de man op een bedrag van € 2.692,= per maand. Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 4.190,= per maand.
4.21.
Bij het NBGI dient het kindgebonden budget te worden opgeteld. Het kindgebonden budget bedroeg op basis van voornoemd NBGI op het moment dat partijen uit elkaar gingen € 33,= per maand. Aan de hand van deze gegevens heeft de rechtbank het in dit kader relevante NBGI van partijen becijferd op € 4.223,= per maand.
4.22.
Dit NBGI, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de [minderjarige 1] op van € 586,= per maand. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu (in 2026) € 693,= per maand.
Behoefte [minderjarige 2]
4.23.
Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.17. is overwogen becijfert de rechtbank de behoefte van [minderjarige 2] door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder (inclusief kindgebonden budget) en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder (inclusief het fictief kindgebonden budget). Gelet op de geboortedatum van [minderjarige 2] gaat de rechtbank uit de inkomens van partijen in 2024 (tarieven 2024-2).
4.24.
Blijkens de als productie 13 bij het op 19 december 2025 ingekomen aanvullend verzoekschrift en wijziging verzoeken door mr. Cadot overgelegde jaaropgave over 2024 had de vrouw een Ziektewetuitkering van totaal € 22.432,= bruto per jaar. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Omdat de vrouw in 2024 enkel een Ziektewetuitkering ontving, komt zij niet in aanmerking voor arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting.
4.25.
Uit de als productie 4 bij de op 24 december 2025 ingekomen aanvulling c.q. wijziging verzoeken door mr. Wouters overgelegde jaaropgave over 2024 had de man een inkomen van € 42.917,= bruto per jaar. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
4.26.
De rechtbank becijfert het NBI van de vrouw op € 1.458,= hetgeen ook volgt uit de als productie 5 bij de op 24 december 2025 ingekomen aanvulling c.q. wijziging verzoeken door mr. Wouters overgelegde draagkrachtberekening. Daarbij wordt opgeteld het kindgebonden budget van € 493,= per maand. De behoefte bedraagt volgens de tabel € 365,=. Het NBI van de man bedraagt € 2.880,=. Daarbij wordt eveneens een (fictief) kindgebonden budget bij opgeteld van € 402,=. De behoefte volgens de tabel bedraagt aldus € 731,=. De gemiddelde behoefte komt dan uit op € 548,=. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu (in 2026) € 610,= per maand.
Draagkracht onderhoudsplichtigen;
4.27.
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1365,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
4.28.
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens. De vrouw heeft blijkens de als productie 12 van het op 19 december 2025 ingekomen aanvullend verzoekschrift en wijziging verzoeken door mr. Cadot overgelegde salarisspecificaties over de maanden september, oktober en november 2025 een inkomen van 1.779,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Namens de man is gesteld dat daarnaast rekening dient te worden gehouden met inkomsten uit overwerk van € 1.153 per jaar, hetgeen ter zitting door en namens de vrouw is bevestigd. De rechtbank houdt verder rekening met rekening met de pensioenpremies die op het loon worden ingehouden, de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
4.29.
De rechtbank becijfert het NBI van de vrouw op € 1.896,=. Daarbij wordt opgeteld het kindgebonden budget van € 715,= per maand waar de vrouw voor in aanmerking komt. Aan de hand van deze gegevens becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.611,=
4.30.
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens. De man heeft blijkens de als productie 6
bij de op 24 december 2025 ingekomen aanvulling c.q. wijziging verzoeken door mr. Wouters overgelegde salarisspecificaties over de maanden september, oktober en november 2025 een inkomen van € 3.016,50 bruto per maand. De rechtbank houdt verder rekening met de door de man te ontvangen onregelmatigheidstoeslag van gemiddeld € 328,50 bruto per maand zoals ook volgt uit de door mr. Cadot tijdens de mondelinge behandeling van 9 januari 2026 overgelegde draagkrachtberekening, en op dit onderdeel niet door de man is weersproken. Dit inkomen van € 3.345,= wordt verminderd met het gemiddelde bedrag aan opgenomen ouderschapsverlof van € 104,= per maand. De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremies die op het loon worden ingehouden, de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze gegevens becijfert de rechtbank het NBI van de man op € 2.911,=.
4.31.
De draagkracht van de vrouw is volgens de formule € 324,= per maand. De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 471,= per maand. Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van de onderhoudsplichtigen lager is dan de hiervoor becijferde totale behoefte van de minderjarigen van € 1.303,= ( [minderjarige 1] € 693,= en [minderjarige 2] € 610,=).
4.32.
Gelet op het geringe verschil in de hiervoor becijferde behoefte van de minderjarigen zal de rechtbank bepalen dat de beschikbare draagkracht van partijen gelijkelijk over beide minderjarigen wordt verdeeld.
Zorgkorting;
4.33.
Gelet op de hiervoor bepaalde zorgregeling tussen de man en de minderjarigen acht de rechtbank een zorgkorting van 25% voor [minderjarige 1] en 15% voor [minderjarige 2] passend. Na de opbouwperiode van 6 maanden geldt voor [minderjarige 2] ook een zorgkortingspercentage van 25%. De rechtbank gaat er van uit dat partijen dit – al dan niet met tussenkomst van hun advocaten – in onderling overleg regelen.
Kinderbijdrage [minderjarige 1] ;
4.34.
Nu de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de [minderjarige 1] te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort gelijkelijk over de onderhoudsplichtigen verdeeld. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 236,= [bedrag beschikbare draagkracht man voor [minderjarige 1] ] – (€ 173,= [bedrag zorgkorting] - € 148,= [bedrag van de helft van het tekort]) = € 211,= per maand.
Kinderbijdrage [minderjarige 2] ;
4.35.
Nu het tekort aan gezamenlijke draagkracht [behoefte [minderjarige 2] : € 610 -/- beschikbare draagkracht man: € 236 -/- beschikbare draagkracht vrouw: € 162, komt neer op een tekort van € 212,=] van de onderhoudsplichtigen om in de behoefte van [minderjarige 2] te voorzien (meer dan) tweemaal zo groot is als de zorgkorting [15% van € 610 = € 92] waar de man recht op heeft, moet de man tot het volledige bedrag van zijn beschikbare draagkracht voor [minderjarige 2] in haar behoefte voorzien (= € 236,=).
4.36.
Voornoemde bijdragen acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
4.37.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
In de zaak met nummer C/02/440651 / FA RK 25-5193 (verdeling);
Verdeling
4.38.
Partijen hebben (alsnog) onderling regelingen getroffen die zijn vermeld in het door mr. Wouters ter zitting overgelegde en aan deze beschikking gehechte echtscheidingsconvenant.
4.39.
De rechtbank zal conform het verzoek van partijen bepalen dat de onderlinge regelingen uit het echtscheidingsconvenant deel uitmaken van deze beschikking.

5.De beslissing

De rechtbank:
In de zaak met nummer C/02/423151 / FA RK 24-2582 (ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenverzoeken);
spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen, op 16 maart 2020 te [plaats 1] geregistreerd;
bepaalt het hoofdverblijf van de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2021, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2024, bij de vrouw;
bepaalt dat tussen de man en [minderjarige 1] een zorgregeling geldt waarbij [minderjarige 1] eenmaal per twee weken vanaf vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagmiddag 16.00 uur bij de man verblijft, alsmede dat een vakantieregeling geldt zoals in rechtsoverweging 4.8. is overwogen;
bepaalt dat tussen de man een [minderjarige 2] een opbouwende zorgregeling geldt zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.9. en 4.10. is overwogen;
bepaalt dat ten aanzien van beide minderjarigen de haal- en brengregeling geldt zoals hiervoor is rechtsoverweging 4.10. is overwogen;
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op € 211,= per maand , met ingang van 1 januari 2026;
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] op € 236,= per maand, met ingang van 1 januari 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar voor wat betreft het hoofdverblijf, de zorgregeling en de kinderbijdrage;
In de zaak met nummer C/02/440651 / FA RK 25-5193 (verdeling);
bepaalt dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte echtscheidingsconvenant deel uitmaken van deze beschikking.
In beide zaken;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van De Pooter, griffier op 6 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hen in persoon of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.