ECLI:NL:RBZWB:2026:2814

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/424072 FA RK 24-2990 (echtscheiding)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Benjaddi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 sub i Brussel II-terArt. 10:56 BWArt. 7 Brussel II-terArt. 1:247 lid 1 BWArt. 1:247 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling en doorverwijzing naar jeugd(hulp)traject

Partijen zijn gehuwd sinds 2012 en hebben twee minderjarige kinderen. De man verzocht om echtscheiding, wijziging van de zorgregeling en voortgezet gebruik van de echtelijke woning. De vrouw verzocht eveneens om echtscheiding en partneralimentatie, welke zij later introk.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Partijen zijn het eens over duurzame ontwrichting van het huwelijk, waardoor de echtscheiding wordt uitgesproken. De zorgregeling wordt gewijzigd omdat de man niet langer kan rekenen op hulp van zijn moeder en hij tijdelijk in een vrachtwagen woont, waardoor de oorspronkelijke regeling niet haalbaar is.

De rechtbank stelt een voorlopige zorgregeling vast waarbij de kinderen in een cyclus van vier weekenden bij de man verblijven, en verwijst partijen en kinderen naar een (jeugd)hulpverleningstraject via het Uniform Hulp Aanbod (UHA) om communicatieproblemen en spanningen te verminderen. De beslissing over het gezag wordt aangehouden tot na het hulpverleningstraject. De man krijgt het recht om de echtelijke woning zes maanden te blijven bewonen na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, zorgregeling gewijzigd en partijen verwezen naar jeugd(hulp)traject; beslissing gezag aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/424072 FA RK 24-2990 (echtscheiding)
C/02/432745 FA RK 25-1181 (verdeling)
Datum uitspraak: 20 februari 2026
beschikking betreffende echtscheiding en nevenvoorzieningen
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. Ç. Bayrak,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S. Kandemir.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 2 juli 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 7;
- het op 24 september 2024 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen 1 tot en met 5;
- het op 27 september 2024 ontvangen aanvullend verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
- het op 3 december 2024 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek met bijlagen 8 tot en met 26;
- het door mr. Kandemir op 2 januari 2025 ingediende F9-formulier;
- het door mr. Kandemir op 3 februari 2025 ingediende F4-formulier;
- het e-mailbericht van mr. Bayrak van 6 januari 2025 met als bijlage een kopie van een ouderschapsplan;
- het op 3 maart 2025 ontvangen aanvullend verweerschrift tegen het verzoekschrift tot echtscheiding;
- het door mr. Bayrak op 17 maart 2025 ingediende F9-formulier met als bijlage een origineel ouderschapsplan;
- de brief van mr. Bayrak van 2 september 2025 met bijlagen 27 tot en met 42;
- de brief van mr. Kandemir van 12 september 2025 met bijlagen 6 tot en met 11;
- de brief van mr. Bayrak van 5 december 2025 met bijlagen 43 tot en met 50;
- de brief van mr. Kandemir van 8 december 2025 met bijlagen 1 en 2;
- de beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 29 maart 2024;
- het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 20 oktober 2025.
1.2. De zaak is behandeld op de zitting van 18 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, alsmede de man, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.
1.3. De hierna genoemde minderjarige [minderjarige 1] is opgeroepen voor een kindgesprek
.
Zij heeft ervoor gekozen om niet bij de kinderrechter op gesprek te gaan, maar een brief te sturen. De kinderrechter heeft op 15 augustus 2025 een brief ontvangen van [minderjarige 1] .

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum] 2012 in de gemeente Roosendaal met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015, hierna: [minderjarige 1] ;
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021, hierna [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden hierna gezamenlijk genoemd: de kinderen.
2.2.
De man heeft de voormalige echtelijke woning verlaten. De vrouw is met de kinderen in de woning blijven wonen.
2.3.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 29 maart 2024 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de kinderen aan de vrouw toevertrouwd en een zorgregeling tussen de man en de kinderen vastgesteld. Ingevolge deze zorgregeling zijn de man de kinderen gerechtigd tot het hebben van contact met elkaar als volgt:
- de kinderen verblijven alle weekenden bij de man van vrijdagavond na het eten (18.00 uur) tot zondagavond na het eten (18.30 uur);
- op één zaterdag per maand gaan de kinderen om 16.30 uur naar de vrouw en zij worden op zondag om 12.00 uur door haar naar de man teruggebracht. Aan het begin van iedere maand geeft de vrouw aan of zij daarvan gebruik wil maken en op welke zaterdag dat zal zijn;
- de ouder waar de kinderen verblijven brengt ze naar de andere ouder.
2.4.
Partijen hebben via een mediator een ouderschapsplan opgesteld en ondertekend op 7 mei 2024. In artikel 4.1. van het ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat de kinderen bij de vrouw worden ingeschreven in de Basisregistratie Personen. In artikel 5. zijn partijen een zorgregeling overeengekomen. De tekst van artikel 5. luidt - voor zover relevant - als volgt:
“(…) 5.2.
Basisverdeling contactregeling en wisselingen
De kinderen verblijven alle weekenden bij hun vader. Het weekend vangt aan op vrijdagavond 18.00 uur na het avondeten tot en met zondagavond 18.30 uur, na het avondeten. Echter: Iedereersteweekend van de maand verblijven ze van vrijdagmorgen 10 uur (en de oudste wordt om 3 uur opgehaald na school) tot en met zaterdag
18
uur na het eten. Deze regeling start per de maand juni 2024.
5.3
Halen en brengen - Kosten van de omgang - kleding
De vader haalt en brengt de kinderen, of oma komt ze halen of brengen. Wanneer oma komt dan laat vader dat weten. De moeder kan altijd nog in overleg de kinderen een keer halen of brengen. Iedere ouder draagt de eigen kosten van het halen en brengen van de kinderen. De vader zorgt vanaf de zomervakantie 2024 voor eigen basis set kleding en ondergoed, de kleding die moeder meegeeft kan vuil aan de moeder teruggegeven worden.
5.4
Contact met de ouders buiten de contactregeling
Buiten deze contactregeling staat het de kinderen vrij om contact te hebben met de andere ouder, dan de ouder bij wie ze verblijven conform de bovengenoemde contactregeling. Daar waar het gaat om persoonlijke ontmoetingen zullen de ouders dit met elkaar en de kinderen van tevoren afspreken.(…)”
Ingevolge dit ouderschapsplan hebben de man en de kinderen tevens contact met elkaar gedurende de vakanties, met als uitgangspunt dat deze bij helfte worden verdeeld in onderling overleg.
2.5.
Partijen hebben zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit.
2.6.
Bij vonnis in kort geding van 20 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter (in reconventie) bepaald dat de man en de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig, tot hierover in de bodemprocedure definitief is beslist, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar iedere week op zondag van 11:00 uur tot 18:00 uur, waarbij de man de kinderen haalt en weer terugbrengt bij de vrouw. Bij dit vonnis zijn de vorderingen in conventie van de vrouw om de man te veroordelen het ouderschapsplan van 7 mei 2024 voor wat betreft de hiervoor onder 2.2. opgenomen zorgregeling na te komen, onder verbeurte van een dwangsom afgewezen.

3.De verzoeken

3.1.
De man verzoekt nu, samengevat,
- echtscheiding;
- wijziging van de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling;
- bepaling dat hij bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning voort te zetten en de inboedel te blijven gebruiken tot uiterlijk zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
- bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen, dan wel het gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen op de door de man aangegeven wijze;
- te bepalen dat de vrouw uit hoofde van de regresvordering zijdens de man dan wel subsidiair in verband met onverschuldigde betaling aan de man dient te betalen een nader te bepalen bedrag zijnde de lasten met betrekking tot de echtelijke woning;
- te bepalen dat de vrouw haar aandeel in de waarde van het goed ten bedrage van
€ 60.000,= heeft verbeurd aan de man;
- opneming van de door partijen getroffen regelingen in het ouderschapsplan in de beschikking en partijen te bevelen om die regelingen na te komen.
3.2.
De vrouw verzoekt, samengevat,
- echtscheiding;
- vaststelling van een door de man met ingang van de datum van indiening van het verweerschrift te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van
€ 596,= per maand per kind;
- vaststelling van een door de man mrt ingang van de datum van het verweerschrift aan haar te betalen onderhoudsbijdrage van € 1.241,= per maand;
- bepaling dat zij bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning voort te zetten;
- vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen als genoemd in de punten 73-121 van het verweerschrift.

4.De beoordeling

Echtscheiding
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Partijen zijn op grond van hun nationaliteit verbonden met verschillende staten, zodat deze echtscheidingszaak internationale aspecten heeft. Dit betekent dat de rechter ertoe is gehouden ambtshalve de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te beoordelen. Is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken dan zal deze ambtshalve het toepasselijke recht moeten vaststellen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
4.2.
De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding, aangezien ten tijde van de indiening van het verzoek partijen hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland (artikel 3 lid 1 sub Pro i
.Brussel II-ter).
4.3.
De rechtbank zal op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. De verzoeken van partijen tot echtscheiding zullen als op de wet gegrond worden toegewezen.
Regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en wijziging ouderschapsplan
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.5.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de minderjarigen (artikel 7 Brussel Pro II-ter). De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen.
Standpunten inzake de verzoeken
4.6.
De man heeft verzocht het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten en
de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling te wijzigen aldus, dat de kinderen één keer per twee weken een weekend bij hem verblijven van vrijdagavond tot zondagavond. Hij legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat hij bij de totstandkoming van het ouderschapsplan met de zorgregeling kon instemmen, omdat hij in de uitvoering van die regeling kon rekenen op de ondersteuning van zijn moeder. De overeengekomen zorgregeling kan hij nu niet langer nakomen. Na zijn vertrek uit de echtelijke woning is hij tijdelijk bij zijn ouders ingetrokken. Als gevolg van een ernstige ruzie met zijn vader en zijn broer werd de thuissituatie onhoudbaar en kon hij zijn tijdelijk onderdak bij zijn ouders niet langer voortzetten. Sindsdien woont hij in zijn vrachtwagen. Zolang hij niet over eigen vervangende woonruimte beschikt, kunnen de kinderen niet bij hem overnachten. Omdat hij in nachtdiensten en in de weekenden werkt kan hij er ook niet altijd voor de kinderen zijn.
De man voert verder aan dat ook als hij over eigen woonruimte beschikt, de zorgregeling in het ouderschapsplan dient te worden gewijzigd. Zijn moeder kan hem namelijk niet meer helpen bij de zorg voor de kinderen in verband met haar leeftijd en haar gezondheid. De zorg voor de kinderen komt dan volledig op de man neer en als de kinderen wekelijks bij hem verblijven komt hij niet meer aan zijn rust toe. De langlopende echtscheiding, de voortdurende spanningen tussen partijen en de slechte communicatie met de vrouw drukken op zijn mentale belastbaarheid. Verder maakt hij zich ernstige zorgen over het welzijn van de kinderen. De vrouw laat wispelturige gedrag zien bij de uitvoering van de zorgregeling. Zij komt gemaakte afspraken structureel niet na en geeft de kinderen niet altijd aan hem mee. De vrouw zet hem ook steeds vaker buiten spel als het gaat om informatievoorziening en het nemen van belangrijke beslissingen. Onder valse voorwendselen heeft zij toestemming verkregen voor vakantie en zonder overleg medische en/of alternatieve behandelingen bij de kinderen laten verrichten. De vrouw betrekt de kinderen in haar strijd richting de man, waardoor er geen onbelast contact tussen de man en de kinderen mogelijk is. De kinderen worden door de vrouw geïnstrueerd in wat zij wel en niet tegen de man mogen zeggen en belast ze met volwassenproblematiek.
4.7.
De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek van de man. Zij voert aan dat de zorgregeling niet ter discussie staat. Het ouderschapsplan is door partijen ondertekend en beiden verzoeken aanhechting daarvan aan de beschikking. Partijen moeten zich aan de overeengekomen zorgregeling houden. Zij betwist dat er een wijziging van omstandigheden is die een aanpassing van de zorgregeling rechtvaardigt. Er is geen ruzie geweest tussen de man en zijn ouders. De man overnacht nog steeds bij hen. Bovendien verblijft de man met de kinderen in de zondag regeling bij zijn ouders. Hij beschikt per
26 december 2025 over eigen woonruimte, omdat hij vanaf die datum in de voormalige echtelijke woning kan trekken. De kinderen hebben ieder hun eigen problematiek en vragen extra zorg van hun ouders. Dit vergt veel van de vrouw. Zij loopt op haar tenen om escalaties te voorkomen. De man is ronduit vervelend tegen haar en zij is bang voor hem. Om in haar rol als ouder te worden ontlast heeft zij van de man nodig dat hij in de zorg- en opvoedingstaken een actieve rol heeft. Het is volgens haar juist de man die de zorgregeling niet consequent nakomt en zich niet houdt aan afspraken. De kinderen hebben recht op een gelijkwaardige zorgverdeling tussen de ouders en daarvoor moet de man zijn verantwoordelijkheid nemen. De vrouw meent tot slot dat het verzoek tot wijziging van de overeengekomen zorgregeling niet in het kader van de onderhavige procedure aan de rechtbank kan worden voorgelegd.
4.8.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft de rechtbank per brief aangegeven dat zij bij haar moeder wil blijven, want dat vindt zij fijn.
Advies van de Raad
4.9.
De raadsvertegenwoordiger heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat er bij de Raad veel zorgen bestaan over de strijd tussen partijen en hoe deze strijd zich in de afgelopen anderhalf jaar heeft verhard. Het is voor de kinderen belangrijk dat zij zich vrij tussen hun ouders kunnen bewegen en dat is in deze situatie niet mogelijk. De ouders moeten met elkaar afspraken kunnen maken over de zorg die de kinderen gelet op hun specifieke zorgbehoefte nodig hebben. Het is belangrijk dat beide ouders een significante rol hebben in de opvoeding. De zorgbehoefte van de kinderen zal in de toekomst veranderen. Partijen moeten daar op kunnen inspelen. De Raad heeft ernstige zorgen over de wijze waarop partijen met elkaar communiceren. Verbetert hun communicatie niet drastisch, dan kunnen de kinderen hierdoor mentale en/of sociale problemen krijgen. Het vergt van partijen veel inspanning om oud zeer op te lossen. Gelet de onderlinge strijd zal hen dit niet lukken zonder de inzet van professionele hulp. Ouders hebben daarom de hulp nodig via het Uniform Hulp Aanbod (UHA) van een passende zorgaanbieder om hen bij het verbeteren van de communicatie te ondersteunen. Binnen het hulpverleningstraject zal moeten worden onderzocht wat er speelt, wat de individuele behoeftes van de kinderen zijn en wat de kinderen nodig hebben om onbelast contact met de ouders mogelijk te maken. De Raad adviseert de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling als voorlopige regeling vast te stellen.
Inhoudelijke beoordeling
4.10.
Partijen zijn met het gezamenlijke gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belast. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht om het kind op te voeden en te verzorgen (artikel 1:247 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek). Een kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, behoudt na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders (artikel 1:247 lid 4 BW Pro). En het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW Pro). Als het huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenleving van ouders die met het gezamenlijk gezag over (een) minderjarig(e) kind(eren) eindigt, dan moeten zij met elkaar in overleg gaan over de wijze waarop zij na de scheiding invulling geven aan dat gelijkwaardig ouderschap. Partijen zijn met elkaar in overleg gegaan en hebben onder begeleiding van een mediator afspraken gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Deze afspraken hebben zij vastgelegd in een ouderschapsplan. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling nog wel het meest passend en in het belang van de kinderen is.
4.11.
Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. In dit geval zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e BW van toepassing. Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd.
4.12.
De man heeft zijn verzoek de overeengekomen zorgregeling te wijzigen gedaan bij brief van zijn advocaat van 2 september 2025. Hoewel zijn verzoek niet als zodanig is opgenomen in het petitum van zijn verweerschrift, is de vrouw hierdoor niet in haar verdediging geschaad. De vrouw heeft schriftelijk uitgebreid op het verzoek van de man gereageerd. Daarnaast is tijdens de zitting uitvoerig met partijen over het verzoek van de man gesproken. De rechtbank zal daarom het verweer van de vrouw dat de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard passeren en hierna het verzoek van de man tot wijziging van de zorgregeling behandelen.
4.13.
Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven. Nadat met partijen is gesproken over de geschilpunten met betrekking tot de zorgregeling, is de zitting voor enige tijd geschorst om partijen de gelegenheid te geven te onderzoeken of zij tot afspraken kunnen komen. Dit overleg heeft niet tot overeenstemming geleid. De mondelinge behandeling is vervolgens hervat.
4.14.
Als onweersproken staat vast dat de ondersteuning van de moeder van de man bij de uitvoering van de zorgregeling vanwege haar gezondheidsklachten is weggevallen of in ieder geval sterk is verminderd. Nu partijen in artikel 5.3. van het ouderschapsplan expliciet een rol voor de moeder van de man zijn overeengekomen in de afspraken over het halen en brengen van de kinderen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een wijziging van omstandigheden die kan leiden tot wijziging van de zorgregeling.
4.15.
De rechtbank acht het voor de kinderen het meest in hun belang dat beide ouders een aanzienlijke aandeel hebben in de zorg- en opvoedingstaken. Tijdens de zitting is met partijen uitvoerig over de verdeling van de zorg voor de kinderen gesproken en is de voorlopige zorgregeling aan de orde geweest die de voorzieningenrechter in het kort geding vonnis van 20 oktober 2025 in afwijking van de overeengekomen zorgregeling in het ouderschapsplan heeft bepaald. Voor de beslissing een zorgregeling te bepalen waarbij de man en de kinderen wekelijks op zondag van 11:00 uur tot 18:00 uur contact met elkaar hebben is de voorzieningenrechter doorslaggevend geweest dat de man niet over een geschikte woon- of verblijfplaats beschikte om de kinderen (’s nachts) te kunnen opvangen. Nu op de zitting is gebleken dat de vrouw per eind december 2025 uit de echtelijke woning zal vertrekken en de man naar de woning kan terugkeren, staat dit argument niet langer aan een overnachting van de kinderen bij de man in de weg. Tegen de voorlopige bepaalde zorgregeling heeft de man als bezwaar aangevoerd dat hij vanwege zijn nachtdiensten de kinderen niet iedere week kan opvangen. Dit is door de vrouw niet weersproken. De man heeft toegelicht dat hij voor zijn inkomsten afhankelijk is van een grote opdrachtgever, die voor hem vooral opdrachten in de weekenden heeft. Nu de man ook heeft verklaard dat hij wel enige ruimte heeft om met de weekenddiensten te schuiven, zal de rechtbank in afwijking van de zorgregeling die partijen in het ouderschapsplan zijn overeengekomen als voorlopige zorgregeling bepalen dat de kinderen in een cyclus van vier weekenden, het eerste weekend van de maand van vrijdagmorgen 10.00 uur tot en met zaterdag 18.00 uur na het eten bij de man verblijven en aansluitend in de daaropvolgende drie weekenden van vrijdagavond 18.00 uur tot en met zondagavond 18.30 uur bij hem verblijven. Deze zorgregeling komt het meest tegemoet aan het belang van de kinderen om structureel en regelmatig omgang met hun vader te hebben. Voor de man betekent deze zorgverdeling dat het schuiven met opdrachten voor de weekenden beperkt blijft en voor de vrouw dat zij in de weekenden van haar zorgtaken voor de kinderen ontlast wordt. De rechtbank zal overeenkomstig deze voorlopige reguliere zorgregeling beslissen. Dit betekent voor partijen dat met deze beslissing de door de voorzieningenrechter bepaalde voorlopige zorgregeling komt te vervallen.
Doorverwijzing UHA
4.16.
De rechtbank stelt vast dat partijen op dit moment niet in staat zijn om gezamenlijk uitvoering te geven aan hun ouderschap. Zij kunnen niet adequaat en in het belang van de kinderen met elkaar communiceren en afspraken maken. Er bestaat tussen partijen over en weer veel wantrouwen en zij lijken vooral bezig te zijn met het diskwalificeren van elkaar. Zij kunnen de voortdurende strijd tussen hen niet loslaten, wat de strijd ook verhardt.
De man verwijt de vrouw zich niet aan afspraken te houden en hem overal buiten te laten en de vrouw beschuldigt de man ervan zich aan de zorg voor de kinderen te onttrekken. Tussen partijen is daarnaast veel discussie over de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap en ook dit zorgt voor veel spanningen tussen hen. Aannemelijk is dat de kinderen deze spanningen meekrijgen en daar last van hebben. Het is partijen samen tot nu toe niet gelukt om de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank is het met het advies van de Raad eens en vindt het daarom nodig dat voor partijen en de kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 19 december 2025 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.17.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- partijen hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor de kinderen;
- de kinderen hebben een stem in het scheidingsproces, voelen zich gehoord en gesteund.
4.18.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- partijen zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van de kinderen, onder inzet van zware/systeemgerichte interventie;
- de kinderen en partijen hebben onbelast contact met elkaar;
- Er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor de kinderen te realiseren (binnen de scheidingssituatie).
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
4.19.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA-rapportage
uiterlijk dinsdag 30 juni 2026 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.20.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot de kinderen.
4.21.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.22.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.23.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarigen te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
4.24.
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.25.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.26.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacyaspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacygegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
4.27.
Omdat partijen en hun kinderen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek met betrekking tot het gezag, maar houdt zij de beslissing daarover aan voor de duur van negen maanden.
4.28.
Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Voortgezet gebruik woning
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.29.
Omdat de echtelijke woning in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om te beslissen op het verzoek met betrekking tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning (artikel 4 lid 3 onder Pro a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) jo. artikel 827 lid 1 onder Pro d Rv en artikel 1:165 lid 1 BW Pro. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen.
4.30.
Partijen hebben beiden verzocht om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. De vrouw heeft haar verzoek nadien ingetrokken en zich niet tegen toewijzing van het verzoek van de man verzet. Tijdens de zitting heeft de vrouw verklaard dat zij de sleutels van de echtelijke woning op 26 december 2025 aan de man geeft en dat zij de woning per die datum zal verlaten. Het verzoek van de man ligt daarom voor toewijzing gereed.
Alimentatie
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.31.
De Nederlandse rechter is internationaal bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken inzake de alimentatie, omdat de vrouw en de minderjarigen als onderhoudsgerechtigden hun gewone verblijfplaats hebben in Nederland (artikel 3 sub Pro b Alimentatieverordening [verder: Ali-vo]).
4.32.
Op de alimentatieverzoeken wordt Nederlands recht toegepast, omdat de vrouw en de minderjarigen als onderhoudsgerechtigden hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben (artikel 15 Ali Pro-vo jo artikel 3 Haags Pro Protocol 2007).
4.33.
De vrouw heeft haar verzoek tot vaststelling van een door de man aan haar te betalen
onderhoudsbijdrage ingetrokken. Dit betekent dat aan de rechtbank geen beslissing over de partneralimentatie meer voorligt.
Aanhouding beslissingen
4.34.
De rechtbank houdt de definitieve beslissing op de verzoeken tot het wijzigen van de zorgregeling en aanhechting van het ouderschapsplan aan de beschikking aan tot
30 juni 2026 pro formain afwachting van de resultaten in het kader van het UHA.
4.35.
Omdat de verwijzing in het kader van het UHA zo spoedig mogelijk bij beschikking moet worden afgegeven, wordt voor de beoordeling van de overige nevenverzoeken waarop nog niet is beslist de zaak aangehouden tot
5 maart 2026, voor het afgeven van een nadere beschikking.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, [datum] 2012 in de gemeente Roosendaal met elkaar gehuwd;
5.2.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015;
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021,
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopig, totdat nader zal worden beslist, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in een cyclus van vier weken, het eerste weekend van de maand van vrijdagmorgen 10.00 uur tot en met zaterdag 18.00 uur na het eten en aansluitend in de daaropvolgende drie weekenden van vrijdagavond 18.00 uur tot en met zondagavond 18.30 uur;
5.3.
verwijst ouders en hun minderjarig kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en kind(eren) vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.4.
verzoekt het loket om
uiterlijk woensdag 30 juni 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.5.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.6.
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.7.
verzoekt de Raad, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverwegingen 4.17. en 4.18. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te advisere
5.8.
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.9.
houdt aan de definitieve beslissing op de verzoeken met betrekking tot het de zorgregeling tot
30 juni 2026pro forma;
5.10.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woning, gelegen aan de [adres] , en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken, voort te zetten gedurende zes maanden na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand;
5.11.
houdt aan de beslissing op de overige nevenverzoeken waarop nog niet is beslist aan tot
5 maart 2026, voor het afgeven van een nadere beschikking;
5.12.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Molema, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.