Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2815

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/427463 / FA RK 24-4698
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:205 lid 1 sub b BWArt. 1:377a BWArt. 1:377b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige omgangs- en informatieregeling en aanhouding overige verzoeken in familierechtelijke zaak

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 10 maart 2026 een verzoek van de man tot vaststelling van een zorg- en informatieregeling met betrekking tot zijn twee minderjarige kinderen. Eerder was reeds een voorlopige omgangsregeling met één kind vastgesteld. De man verzocht om eenzelfde regeling voor zijn tweede kind en om een informatieregeling over de ontwikkeling en gezondheid van beide kinderen.

De vrouw voerde verweer en betwistte het verzoek, met name vanwege een lopend strafrechtelijk onderzoek tegen de man. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de rechtbank om de omgangsregeling voor het tweede kind gelijk te stellen aan die van het eerste en de overige verzoeken aan te houden voor een jaar in afwachting van hulpverleningsresultaten.

De rechtbank oordeelde dat het in het belang van de kinderen is dat de man minimaal eenmaal per week onder professionele begeleiding contact heeft met beide kinderen. Tevens werd een informatieregeling opgelegd waarbij de vrouw de man tweewekelijks schriftelijk informeert, inclusief het toezenden van foto’s onder strikte voorwaarden. De overige verzoeken, waaronder het DNA-onderzoek en gezagskwesties, werden aangehouden tot nader order. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank stelde een voorlopige omgangs- en informatieregeling vast en hield overige verzoeken aan in afwachting van DNA-onderzoek en hulpverleningsresultaten.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/427463 / FA RK 24-4698
Datum uitspraak: 10 maart 2026
nadere beschikking over contactregeling, informatieregeling, DNA-onderzoek en gezag
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. D.G. Peters in Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat: mr. M.T. Kouwenhoven in Eindhoven.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 19 december 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- de rapportage van het Uniform Hulpaanbod (UHA) van 3 juli 2025;
- de brief van de Raad van 14 augustus 2025;
- de brief en het rapport van de Raad van 19 december 2025;
- het aanvullende verzoek van mr. Peters van 6 maart 2026.
1.2.
De onderhavige verzoeken en het verzoek van de Raad om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de GI in de zaak met kenmerk C/02/443314 / JE RK 25-2281 zijn gelet op de nauwe samenhang gezamenlijk behandeld ter zitting van 10 maart 2026. In beide zaken wordt een afzonderlijke beschikking afgegeven. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens waren aanwezig een medewerker namens de Raad en in het kader van het verzoek ondertoezichtstelling een medewerkster van de GI, middels een videobelverbinding.

2.De nadere feiten

2.1.
Bij beschikking van 19 december 2024 heeft de rechtbank bepaald dat dat de man en de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2024, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar minimaal één keer per week, in beginsel onder begeleiding van een professionele derde, waarbij verdere uitbreiding op regie van de hulpverlening plaatsvindt met inachtneming van dat wat is overwogen in rechtsoverweging 4.5. en dat de vrouw de man één keer per twee weken schriftelijk informeert over [minderjarige 1] , onder gelijktijdige toezending van een aantal foto’s, een en ander met inachtneming van dat wat is overwogen in rechtsoverweging 4.23. Voorts heeft de rechtbank partijen en [minderjarige 1] voor een (jeugd)hulptraject verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant in het kader van het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA).
2.2.
Op 3 juli 2025 heeft de rechtbank de UHA rapportage ontvangen waaruit blijkt dat de doelen niet zijn behaald. Op 14 augustus 2025 heeft de Raad de rechtbank kenbaar gemaakt dat hij onderzoek zal doen naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel voor [minderjarige 1] .
2.3.
Op [geboortedag 2] 2025 is in [geboorteplaats 2] geboren [minderjarige 2] , hierna te noemen [minderjarige 2] . De man heeft [minderjarige 2] erkend. De vrouw en de man hebben verklaard dat het gezag over [minderjarige 2] alleen door de moeder zal worden uitgeoefend.
2.4.
Op 19 december 2025 heeft de rechtbank het raadsrapport ontvangen. Kort samengevat verzoekt de Raad om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de GI en adviseert de Raad de rechtbank om het verzoek van de man, dat op dat moment alleen ziet op [minderjarige 1] , aan te houden voor de periode van een jaar, in afwachting van de resultaten van de hulpverlening.
2.5.
Bij beschikking van heden heeft kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 maart 2026 tot 10 maart 2027.

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt om uitvoerbaar bij voorraad, ten aanzien van [minderjarige 1] :
  • een zorgregeling vast te stellen zoals bij punt 3 en 4 van het verzoekschrift of zodanig als dat de rechtbank juist acht;
  • de vrouw te bevelen om twee wekelijkse informatie door te geven aan de man met betrekking tot de ontwikkeling en gezondheid van [minderjarige 1] .
3.2.
Bij brief van 6 maart 2026 heeft de man aanvullend verzocht, samengevat:
  • en zorgregeling voor [minderjarige 2] vast te stellen zoals dat ook met [minderjarige 1] wordt vastgesteld, uitgaande van twee dagen in de week en de helft van de vakanties of zodanig als dat de rechtbank juist acht;
  • de vrouw te bevelen om twee wekelijks informatie door te geven aan de man met betrekking tot de ontwikkeling en gezondheid van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] ;
  • de vrouw in het kader van een voorwaardelijk verzoek op grond van 1:205 lid 1 b BW te bevelen om mee te werken aan een DNA-onderzoek van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ;
  • de man gezamenlijk met de vrouw in het gezag over [minderjarige 2] te benoemen.
3.3.
De vrouw voert verweer en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de man af te wijzen.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de man is aangevoerd dat het voorwaardelijke verzoek over het gelasten van een DNA-onderzoek kan worden aangehouden. De advocaten van partijen zullen eerst proberen om in onderling overleg via alternatieven kanalen een DNA-onderzoek te laten uitvoeren. De verzoeken over het contact tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten worden gezien als een uitgangspunt dat richting geeft aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De man wil een rol spelen in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hij ontkent dat er nog een strafrechtelijk onderzoek naar hem loopt. De man verzoekt de rechtbank om te bepalen dat spoedig begeleide omgang tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient plaats te vinden. De GI dient daarvoor hulpverlening in te zetten. De man zal op korte termijn naar het zuiden verhuizen om beter uitvoering te kunnen geven aan een contactregeling. Ook dient een informatieregeling ten aanzien van [minderjarige 2] te worden bepaald. Zonder vastgelegde regeling zal de vrouw geen informatie delen met de man. De advocaat van de man betwist dat de vrouw middels tussenkomst van de advocaten de man tweewekelijks informeert over [minderjarige 1] . De man heeft sinds november 2025 geen informatie meer gehad. Hij erkent dat hij een foto van zichzelf en [minderjarige 1] online heeft gezet. De verzoeken kunnen voor het overige worden aangehouden.
4.2.
Door en namens de vrouw is naar voren gebracht dat de advocaten van partijen wel uit het DNA-onderzoek komen. Overigens twijfelt de vrouw niet aan het verwekkerschap van de man. Zij heeft slechts in een opwelling geroepen dat hij niet de biologische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zou zijn. De overige verzoeken van de man dienen te worden aangehouden. Als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht worden gesteld zal de GI de totstandkoming van begeleide omgang voortvarend moeten oppakken. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met het strafrechtelijk onderzoek dat nog loopt waarbij de man verdachte is. Wellicht wordt aan de man opnieuw een contact- en locatieverbod opgelegd. Het is niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als het contact weer abrupt stopt, temeer nu zij al veel hebben meegemaakt. De vrouw informeert de man middels tussenkomst van de advocaten van partijen regelmatig over wezenlijke zaken met betrekking tot [minderjarige 1] . Hierin is de klad gekomen door het contact- en locatieverbod en omdat partijen daarna tot november 2025 een relatie hadden. Over [minderjarige 2] heeft de vrouw de man twee keer geïnformeerd. Een tijd lang heeft de vrouw ook foto’s aan de man toegezonden. Tegen de afspraak heeft hij deze foto’s gedeeld op social media en dus deelt de vrouw geen foto’s meer met de man. De informatie is soms summier omdat er niets te melden is.
4.3.
De Raad adviseert de rechtbank om ten aanzien van [minderjarige 2] eenzelfde omgangsregeling te bepalen als ten aanzien van [minderjarige 1] is bepaald in de beschikking van 19 december 2024. De Raad adviseert de rechtbank voorts om de overige verzoeken aan te houden voor de periode van een jaar, in afwachting van de resultaten van de hulpverlening die in het kader van de ondertoezichtstelling zal worden ingezet.

5.De beoordeling

Omgang met [minderjarige 2]
5.1.
Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van voornoemd artikel slechts indien
  • omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,
  • de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,
  • het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken,
  • indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft een uitgebreide contactregeling met zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] verzocht. Hij heeft echter ook aangegeven dat hij begrijpt dat dit een regeling voor de toekomst is, niet een regeling die op dit moment reëel is. Eerder zijn partijen een begeleide voorlopige contactregeling tussen de man en [minderjarige 1] overeengekomen, welke ook is vastgelegd in de beschikking van 19 december 2024. De rechtbank zal diezelfde begeleide regeling ook bepalen voor het contact tussen de man en [minderjarige 2] . [minderjarige 2] is pas een half jaar oud. Zoals de Raad onderschrijft is voor de hechting tussen vader en kind van belang dat er frequent en consistent contact plaatsvindt. Om de man en [minderjarige 2] een goede kans te geven om een hechtingsrelatie op te bouwen is één keer per week contact met elkaar het minimale wat nodig is. Door nu reeds een
voorlopigeminimale regeling te bepalen wordt onwenselijke vertraging hopelijk voorkomen. Het is in het belang van [minderjarige 2] en uiteindelijk ook van [minderjarige 1] dat de man weer betrokken is in hun leven.
5.3.
De rechtbank zal aldus een
voorlopigeomgangsregeling bepalen waarbij de man en [minderjarige 2] minimaal één keer per week contact met elkaar hebben, in beginsel onder begeleiding van een professionele derde, waarbij verdere uitbreiding of noodzakelijke aanpassing onder regie van de GI kan plaatsvinden. Het is aan de GI om te bepalen of het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is om gezamenlijk of apart van elkaar omgang met de man te hebben. De omgang zal in ieder geval begeleid blijven totdat duidelijk is of de man de verwekker is van [minderjarige 2] .
Informatieregeling [minderjarige 2] (en [minderjarige 1] )
5.4.
Ingevolge artikel 1:377b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is de ouder, die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen, zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
5.5.
De man heeft verzocht om een informatieregeling te bepalen. In de beschikking van 29 december 2024 is reeds een informatieregeling omtrent [minderjarige 1] bepaald. De rechtbank overweegt dat het van belang is dat de man op de hoogte is van de ontwikkeling en de belevingswereld van [minderjarige 2] (en [minderjarige 1] ), zodat hij tijdens de contactmomenten goed bij hen kan aansluiten. De rechtbank acht het daarom in het belang van [minderjarige 2] dat de vrouw de man eenmaal per twee weken informeert over [minderjarige 2] . Ter zitting is gebleken dat de informatieregeling ten aanzien van [minderjarige 1] door de vrouw vanaf november 2025 maar mondjesmaat is nagekomen. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk om de vrouw nogmaals te wijzen op de verplichting die zij heeft. Daarbij benadrukt de rechtbank dat de informatie die vrouw over de kinderen deelt niet enkel van feitelijke aard mag zijn, maar ook inzicht dient te geven in de interesses, voorkeuren en dagelijkse belevingen van de kinderen. Een enkele mededeling dat de kinderen goed eten en slapen voldoet dus niet. De vrouw kan naast bijzonderheden bijvoorbeeld aangeven wat de kinderen graag eten of wat hun favoriete tekenfilmkarakter is. De vrouw moet de man informatie geven waardoor hij een aanknopingspunt heeft om tijdens de omgangsmomenten iets met de kinderen te kunnen delen. Voorts bepaalt de rechtbank dat de vrouw bij de informatie ook meerdere goedgelijkende, duidelijke foto’s van [minderjarige 2] met de man moet delen, zoals zij dat ook bij de informatie omtrent [minderjarige 1] dient te doen. Daarbij geldt als voorwaarde dat de man deze foto’s niet mag delen met anderen op social media of enige andere manier met derden mag delen. Indien de man deze voorwaarden niet naleeft, is de vrouw gerechtigd de verstrekking van de foto’s van zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] te staken. De GI zal meekijken met de informatieregeling en partijen daarin indien nodig bijsturen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De rechtbank verklaart de toewijzende beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank vindt dat in het belang van de kinderen.
Aanhouding overige verzoeken
5.7.
De man heeft verzocht om de overige verzoeken aan te houden. De vrouw en de Raad hebben een overeenkomstig standpunt ingenomen. De rechtbank kan zich daar in vinden en zal niet definitief beslissen op de verzoeken met betrekking tot het contact tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , het DNA-onderzoek en het gezag ,maar de beslissingen daarover aanhouden voor de duur van twaalf maanden in afwachting van de uitkomsten van het DNA-onderzoek, de resultaten van de hulpverlening en de ondertoezichtstelling.
5.8.
De rechtbank verzoekt (de advocaten van) partijen om de rechtbank uiterlijk op
na te melden pro forma datumschriftelijk te berichten over de actuele stand van zaken en het door hen gewenste verdere procesverloop, een en ander onder gelijktijdige toezending aan de andere partij, de GI en de Raad.
5.9.
Dit betekent dat als volgt zal worden beslist.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige 2] geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2025,
voorlopigrecht hebben op omgang met elkaar minimaal een keer per week, in beginsel onder begeleiding van een professionele derde, waarbij verdere uitbreiding van de omgang onder regie van de GI plaatsvindt met inachtneming van hetgeen daarover is overwogen in rechtsoverweging 5.2 en 5.3;
6.2.
bepaalt dat de vrouw de man een keer per twee weken schriftelijk informeert over [minderjarige 2] (en [minderjarige 1] ), onder gelijktijdige toezending van een aantal goedgelijkende foto’s, een en ander met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.5;
6.3.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de (definitieve) beslissing op de verzoeken van de man met betrekking tot het contact tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , het DNA-onderzoek en het gezag aan tot
1 december 2026PRO FORMA, in afwachting van nader schriftelijk bericht van (de advocaten van) partijen zoals overwogen onder rechtsoverweging 5.8;
6.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mrVan Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.