ECLI:NL:RBZWB:2026:2816

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/427514 / FA RK 24-4724
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Voorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking echtscheiding met ouderschapsplan en convenant vastgesteld

Partijen zijn gehuwd sinds 4 februari 2019 en hebben twee minderjarige kinderen. De vrouw heeft op 11 oktober 2024 een verzoek tot echtscheiding ingediend, waarna partijen op 25 mei 2025 een ouderschapsplan ondertekenden. Over de kosten van de kinderen was aanvankelijk geen overeenstemming, maar later zijn afspraken gemaakt en vastgelegd in een echtscheidingsconvenant van 16 december 2025.

De vrouw wijzigde haar verzoeken en trok haar verzoek tot partneralimentatie in. De man trok eveneens zijn verzoeken tot vaststelling van kinder- en partneralimentatie in en voerde geen verweer. De rechtbank heeft geen zitting gehouden en heeft de mening van de minderjarige zoon gevraagd, die geen uiting gaf.

De rechtbank oordeelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en spreekt de echtscheiding uit. Het ouderschapsplan en het echtscheidingsconvenant worden opgenomen in de beschikking. Verzoeken tot alimentatie worden afgewezen omdat partijen hierover zelf afspraken hebben gemaakt en deze in de beschikking zijn opgenomen. Alle overige verzoeken worden afgewezen wegens intrekking.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit en neemt het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant op in de beschikking, terwijl overige verzoeken worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/427514 / FA RK 24-4724
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Beschikking echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. F.J.I. van den Branden uit Terneuzen,
en
[de man],
hierna te noemen de man,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. D.J.A. Burlet uit Oostburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen van de vrouw, ontvangen op 11 oktober 2024;
- het door partijen op 25 mei 2025 ondertekende ouderschapsplan;
- de akte van de vrouw houdende aanvullende verzoeken vaststelling kinder- en partneralimentatie, met bijlagen, ontvangen op 30 september 2025;
- het verweerschrift van de man, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlage, ontvangen op 8 oktober 2025;
- de brief van mr. Van den Branden van 19 december 2025;
- het F9-formulier van 8 januari 2026 van mr. Van den Branden;
- het F9-formulier van 9 januari 2026 van mr. Burlet;
- het F9-formulier van 23 februari 2026 van mr. Van den Branden, met als bijlage een origineel exemplaar van het tussen partijen opgestelde en door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant;
- de vele uitstelverzoeken, die hier niet nader zullen worden aangeduid.
1.2.
Een zitting heeft niet plaatsgevonden.
1.3.
De rechtbank heeft de minderjarige zoon van partijen, [minderjarige 1] , naar zijn mening gevraagd. Hij heeft zijn mening niet gegeven.
2. De feiten
2.1.
Partijen, Nederlanders, zijn met elkaar gehuwd op 4 februari 2019 in [plaats] .
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats 2] .

3.De verzoeken en de beoordeling daarvan

3.1.
Partijen hebben op 28 mei 2025 een door hen beiden ondertekend ouderschapsplan bij de rechtbank ingediend. Partijen hebben hierin geen afspraken gemaakt over de wijze waarop in de kosten van de kinderen wordt voorzien. Partijen hebben bij de indiening van het ouderschapsplan aangegeven dat zij hierover (nog) geen overeenstemming hebben bereikt en dat daarover nog overleg wordt gevoerd. Bij brief van 19 december 2025 heeft mr. Van den Branden namens de vrouw de rechtbank laten weten dat partijen - naast andere afspraken die zij hebben gemaakt over de (financiële) afwikkeling van de echtscheiding - alsnog afspraken hebben kunnen maken over de kinderbijdrage en dat deze afspraken zijn opgenomen in artikel 1 van Pro het bij die brief gevoegde echtscheidingsconvenant.
3.2.
Bij brief van 19 december 2025 heeft de vrouw de rechtbank tevens laten weten dat zij in verband met de bereikte overeenstemming haar verzoeken wijzigt, dat zij geen mondelinge behandeling wenst en dat zij haar verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie intrekt.
3.3.
De vrouw verzoekt de rechtbank nu om:
1. de echtscheiding uit te spreken in het op 4 februari 2019 te [plaats] tussen partijen gesloten huwelijk;
2. te bepalen dat de bepalingen van het door partijen op 25 mei 2025 ondertekende ouderschapsplan deel uitmaken van de te geven beschikking en het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten;
3. de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen van € 160,-- per kind per maand met ingang van 1 oktober 2025, voor wat betreft de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen onder de bepaling dat de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW zal worden toegepast met ingang van 1 januari 2026;
4. te bepalen dat de bepalingen van het door partijen op 16 december 2025 ondertekende echtscheidingsconvenant deel uitmaken van de te geven beschikking en het convenant aan de beschikking te hechten.
3.4.
De man heeft de rechtbank laten weten dat hij geen verweer voert tegen het gewijzigde verzoek van de vrouw, dat hij de door hem gedane zelfstandige verzoeken tot vaststelling van een kinder- en partneralimentatie intrekt en dat ook hij geen mondelinge behandeling wenst.
De man verzoekt de rechtbank nu om:
1. de echtscheiding uit te spreken in het tussen partijen gesloten huwelijk;
2. te bepalen dat de inhoud van het ouderschapsplan deel uitmaakt van de te geven beschikking en het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten.
3.5.
De rechtbank oordeelt over de verzoeken van partijen als volgt:
Echtscheiding
3.6.
De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals verzocht, omdat partijen vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.
Opname convenant en ouderschapsplan
3.7.
Partijen hebben afspraken gemaakt in een convenant en een ouderschapsplan. De vrouw verzoekt deze afspraken op te nemen in de beschikking. De man heeft de rechtbank ook om opname van het ouderschapsplan verzocht en heeft de rechtbank laten weten dat hij geen verweer voert tegen het verzoek van de vrouw om opname van het echtscheidingsconvenant in de beschikking. De rechtbank wijst de verzoeken daarom toe en hecht het convenant en het ouderschapsplan aan deze beschikking.
3.8.
Daarnaast verzoekt de vrouw de man te veroordelen tot betaling aan haar van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen. De rechtbank stelt vast dat partijen in artikel 1 van Pro het echtscheidingsconvenant over dit onderwerp al in onderling overleg een regeling hebben getroffen. Doordat de afspraken uit het echtscheidingsconvenant in deze beschikking zijn opgenomen, heeft de vrouw geen belang meer bij een beslissing van de rechtbank. De rechtbank wijst het verzoek daarom af. De afspraken die partijen hebben gemaakt kunnen ten uitvoer worden gelegd, omdat het echtscheidingsconvenant in deze beschikking is opgenomen.
Ingetrokken verzoeken
3.9.
Nu alle andersluidende (neven)verzoeken over en weer zijn ingetrokken, kunnen deze verzoeken niet meer worden onderzocht en zullen deze worden afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 4 februari 2019 in [plaats] ;
4.2.
neemt op in deze beschikking de onderling getroffen regelingen zoals die staan in het aangehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan;
4.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr Voorn, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr Knops-Pijper, griffier op 27 februari 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.