Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2818

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/429256 / FA RK 24-5589 (echtscheiding)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Keijzerwaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 RvArt. 6:10 BWHaags Huwelijksvermogensverdrag 1978
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met verdeling huwelijksgoederen en vervangende toestemming vakantie naar Marokko

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 maart 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een vrouw en een man, beiden met Marokkaanse nationaliteit, waarbij het huwelijk in 2012 in Marokko is gesloten. De kinderen zijn aan de vrouw toegewezen en de vrouw heeft het exclusieve gebruik van de echtelijke woning gekregen. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk.

De vrouw vroeg vervangende toestemming om met de kinderen op vakantie te gaan naar Marokko in de zomer van 2026, wat werd toegewezen omdat de man geen gegronde redenen had om te weigeren. Het verzoek om vervangende toestemming voor het aanvragen van nieuwe paspoorten werd afgewezen omdat de man inmiddels de benodigde formulieren had verstrekt. De man is verplicht een bijdrage van €25 per maand per kind te betalen, voorlopig vastgesteld tot ontvangst van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming.

De rechtbank heeft het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht toegepast voor de verdeling van de gemeenschappelijke goederen. De inboedel is aan de vrouw toegewezen, de auto aan de man. De vrouw heeft recht op regres van €403,21 voor een gezamenlijke schuld aan WonenBreburg die zij volledig heeft betaald. Het verzoek van de man om een bedrag van €9.386 aan belastingaanslagen bij helfte te verdelen is afgewezen omdat deze schulden op zijn naam staan. De vrouw is huurster van de echtelijke woning vanaf inschrijving van de beschikking.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, vervangende toestemming vakantie verleend, voorlopige kinderalimentatie vastgesteld en huwelijksgoederen verdeeld volgens Marokkaans recht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/429256 / FA RK 24-5589 (echtscheiding)
C/02/433934 / FA RK 25-1779 (verdeling)
datum uitspraak 9 maart 2026
beschikking over echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.M.C.J. Dekkers-de Jong,
en
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. N. el Hadje,
voormalig advocaat mr. F.J. Koningsveld.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 28 november 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw;
- het op 18 februari 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen van de man;
- de brief van mr. Dekkers-De Jong van 10 oktober 2025 met bijlagen;
- de brief van mr. El Hadje van 14 oktober 2025 tevens houdende een zelfstandig verzoek met bijlage;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 21 januari 2026;
- de brief van de griffier van 22 januari 2026 aan partijen;
- het op 16 februari 2026 ontvangen processtuk houdende aanvullende verzoeken met bijlagen van de vrouw;
- de brief van mr. El Hadje van 24 februari 2026 tevens houdende een zelfstandig verzoek met bijlage;
- de beschikkingen voorlopige voorzieningen van 12 november 2024 en 8 juli 2025.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van [datum] 2026. Daarbij was aanwezig de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, de heer [persoon 1] . Ook de man was aanwezig, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, de heer [persoon 2] .

2.De feiten

2.1.
Zoals blijkt uit de stellingen en ingediende stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 2012 in [plaats] , Marokko, met elkaar getrouwd;
- tijdens hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] , en
3. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2019 in [geboorteplaats] ;
- zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;
- beide partijen hebben de Marokkaanse nationaliteit. Daarnaast heeft de man ook de Franse nationaliteit;
- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.
2.2.
In de beschikking van 12 november 2024 zijn de kinderen aan de vrouw toevertrouwd. Daarnaast is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
2.3.
In de beschikking van 8 juli 2025 is het verzoek van de man tot vaststelling van een voorlopige zorgregeling afgewezen. Aan de Raad is verzocht een onderzoek in te stellen naar onder meer de vraag welke zorgregeling het meest tegemoet komt aan de belangen van de kinderen.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt, samengevat:
- echtscheiding;
- aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen op vakantie te gaan naar [plaats] , Marokko, in de periode van 20 juli 2026 tot en met
17 augustus 2026;
-
voorwaardelijk, voor zover de man op het moment van de mondelinge behandeling zijn medewerking daaraan nog niet heeft verleend, aan haar vervangende toestemming te verlenen om nieuwe paspoorten voor de kinderen aan te vragen;
- vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen van € 25,= per maand per kind;
- bepaling dat zij huurster van de echtelijke woning zal zijn;
- vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen, zoals verzocht onder punt 11 tot en met 18 van haar verzoekschrift;
- bepaling dat de vrouw een vordering heeft op de man van € 806,42, dan wel voor de helft daarvan.
3.2.
De man verzoekt, samengevat, te bepalen dat een bedrag van € 9.386,= bij helfte tussen partijen wordt verdeeld.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten. In dit ouderschapsplan staan afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. Als het ouderschapsplan ontbreekt heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden ingediend (lid 6).
4.2.
Partijen hebben geen ouderschapsplan overeenkomstig bovenstaand artikel ingediend. De rechtbank zal daarom eerst moeten toetsen of de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding. Uit de stukken volgt dat de verhoudingen tussen partijen niet goed zijn en dat de Raad onderzoek zal doen naar onder meer de vraag welke zorgregeling het meest tegemoet komt aan de belangen van de kinderen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan in te dienen. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de vrouw ontvangt in haar verzoek tot echtscheiding.
Echtscheiding
4.3.
Gelet op de internationale aspecten van de zaak moet de rechtbank ambtshalve onderzoeken of zij bevoegd is om de zaak te behandelen en als dat zo is, welk recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing is.
4.4.
De Nederlandse rechter is bevoegd om het verzoek tot echtscheiding te beoordelen, omdat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. De rechtbank zal bij de beoordeling Nederlands recht toepassen.
4.5.
De vrouw verzoekt de echtscheiding uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.
4.6.
De man heeft de door de vrouw gestelde duurzame ontwrichting niet weersproken, waardoor aan de wettelijke vereisten voor een verzoek tot echtscheiding is voldaan. De rechtbank zal dan ook de echtscheiding tussen partijen uitspreken.
Vervangende toestemming vakantie en paspoorten
4.7.
Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om over deze verzoeken te beslissen. De rechtbank zal daarbij Nederlands recht toepassen.
Vervangende toestemming vakantie Marokko
4.8.
De vrouw verzoekt om aan haar vervangende toestemming te verlenen om samen met de kinderen in de periode van 20 juli 2026 tot en met 17 augustus 2026 op vakantie te gaan naar [plaats] in Marokko. Zij zullen daar familie bezoeken. De man weigert voor deze vakantie toestemming te geven, maar hiervoor zijn volgens de vrouw geen gegronde redenen.
4.9.
De man geeft aan dat hij eerst de uitkomsten van het raadsonderzoek wil afwachten, voordat hij toestemming geeft voor de vakantie. De mogelijkheid bestaat dat een zorgregeling tussen de man en de kinderen zal worden bepaald. Als de vrouw in de zomervakantie vier aaneengesloten weken met de kinderen op vakantie is, heeft de man in die periode geen contact met de kinderen. Dat vindt hij niet prettig.
4.10.
De rechtbank stelt voorop dat de vrouw het recht heeft om met de kinderen op zomervakantie te gaan. Daarnaast is het ook in het belang van de kinderen om op vakantie te gaan en familie te bezoeken. In haar beoordeling betrekt de rechtbank verder dat de man en de kinderen op dit moment geen contact hebben. Het onderzoek door de Raad is nog niet gestart en op dit moment bestaat er geen duidelijkheid of en op welke manier het contact tussen de man en de kinderen zal worden vormgegeven. Ook in het geval dat de kinderen met beide ouders omgang hebben, moeten zij in de gelegenheid worden gesteld om met één van de ouders op vakantie te gaan. Kortom, de rechtbank ziet in hetgeen de man aanvoert geen redenen om de toestemming voor de vakantie te weigeren. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden toegewezen.
4.11.
Op de mondelinge behandeling heeft de man nog verklaard dat hij voor de toekomst, als er duidelijkheid bestaat over het contact tussen hem en de kinderen, zijn toestemming zal geven voor vakanties van de vrouw met de kinderen. De rechtbank gaat ervan uit dat de man deze toezegging zal nakomen.
Vervangende toestemming aanvragen paspoorten
4.12.
De vrouw verzoekt, voorwaardelijk, om aan haar vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van nieuwe paspoorten voor de kinderen.
4.13.
Op de mondelinge behandeling is gebleken dat de man inmiddels de benodigde formulieren aan de vrouw heeft gegeven. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar verzoek. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Kinderalimentatie
4.14.
Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is om over het verzoek tot echtscheiding te oordelen, heeft zij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van de kinderen. Op dit verzoek is Nederlands recht van toepassing, omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
4.15.
Partijen hebben op de mondelinge behandeling met elkaar afgesproken dat de man met ingang van [datum] 2026 (datum van de mondelinge behandeling) een bijdrage in de kosten van de kinderen zal voldoen van € 25,= per maand per kind. De rechtbank zal conform de gemaakte afspraak beslissen, met dien verstande dat zij de door de man te betalen bijdrage zal opnemen als
voorlopigebijdrage. In de beschikking van 8 juli 2025 heeft de rechtbank aan de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een onderzoek in te stellen naar onder meer de vraag welke zorgregeling het meest tegemoet komt aan de belangen van de kinderen en hierover te rapporteren in deze zaak. De definitieve beslissing op het verzoek tot vaststelling van de kinderalimentatie zal worden aangehouden in afwachting van het rapport van de Raad. Na ontvangst van het rapport zullen de advocaten van partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op de inhoud van dit rapport en op welke manier de procedure moet worden voortgezet.
Huurrecht
4.16.
De Nederlandse rechter is bevoegd om met toepassing van Nederlands recht te beslissen over het huurrecht, omdat de woning van partijen in Nederland is gelegen.
4.17.
De vrouw verzoekt om te bepalen dat zij huurster van de echtelijke woning zal zijn. Op de mondelinge behandeling heeft de man ingestemd met dit verzoek.
4.18.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Het huwelijksvermogen
4.19.
Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen op het verzoek tot echtscheiding, is zij ook bevoegd om te beslissen over de verzoeken op het gebied van het huwelijksvermogensrecht.
4.20.
Partijen zijn op [datum] 2012 in [plaats] , Marokko, met elkaar getrouwd. Het toepasselijk recht op het huwelijksvermogensrecht moet daarom worden bepaald aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978.
4.21.
Op de mondelinge behandeling heeft de rechtbank met partijen stil gestaan bij de nationaliteit van partijen voor, tijdens en na de huwelijkssluiting. Niet in geschil is gebleken dat partijen op het moment van de huwelijkssluiting in ieder geval allebei de Marokkaanse nationaliteit gemeenschappelijk hadden. Nu Marokko geen partij is bij het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 en niet in geschil is dat partijen hun gewone verblijfplaats na het huwelijk in Nederland hebben gevestigd, is het recht van Marokko van toepassing op het huwelijksvermogensregime.
4.22.
Het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht is geregeld in de Mudawanna. Het kent geen enkele gemeenschap van goederen. Door het huwelijk als zodanig ontstaat geen gemeenschappelijk vermogen. Iedere echtgenoot behoudt wat van hem of haar is en wat hij of zij tijdens het huwelijk verkrijgt. Verder is het uitgangspunt dat iedere echtgenoot zelf aansprakelijk is met zijn gehele vermogen voor zijn eigen schulden. Deze uitgangspunten staan er niet aan in de weg dat echtgenoten goederen gemeenschappelijk kunnen hebben. Indien er schulden zijn die op naam staan van beide partijen, moeten deze gemeenschappelijke schulden door beide partijen bij helfte worden gedragen.
4.23.
Uit de stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling is gebleken dat tussen partijen de volgende gemeenschappelijke goederen bestaan:
a. de inboedelgoederen in de echtelijke woning;
b. de auto, merk Volkswagen Golf.
Verder stelt de vrouw dat zij een vordering heeft op de man van € 806,42 dan wel de helft van dit bedrag. Dit onderwerp bespreekt de rechtbank onder sub c.
Daarnaast verzoekt de man om een bedrag van € 9.386,= aan toeslagen bij helfte te delen. Dit onderwerp bespreekt de rechtbank onder sub d.
a. de inboedelgoederen van de echtelijke woning
4.24.
Op de mondelinge behandeling zijn partijen het er over eens gebleken dat de inboedelgoederen van de echtelijke woning aan de vrouw worden toebedeeld zonder verdere verrekening met de man. Nu partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de wijze van verdeling van de inboedelgoederen, ligt er geen beslispunt meer voor aan de rechtbank. Het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.
b. de auto, merk Volkswagen Golf
4.25.
Verder zijn partijen het er over eens gebleken dat de auto, merk Volkswagen Golf, zonder verdere verrekening met de vrouw aan de man wordt toebedeeld. Nu partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de wijze van verdeling van de auto, ligt er geen beslispunt meer voor aan de rechtbank. Het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.
c. de schuld aan WonenBreburg
4.26.
De vrouw geeft aan dat partijen een schuld aan WonenBreburg hadden van € 806,42 vanwege een huurachterstand. Inmiddels heeft de vrouw deze schuld volledig betaald. Op grond van de redelijkheid en billijkheid is de vrouw van mening dat de man het volledige bedrag aan haar moet terugbetalen, omdat de man tijdens het huwelijk de kostwinner was. Subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man de helft van dit bedrag aan haar moet betalen uit hoofde van regres.
4.27.
De man heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat het huurcontract van de woning op naam van de vrouw staat. Hij vindt het redelijk om de helft van het bedrag aan de vrouw te betalen.
4.28.
De rechtbank overweegt als volgt. Onbetwist is dat partijen een gezamenlijke schuld aan WonenBreburg hadden van € 806,42 en dat de vrouw deze schuld volledig heeft betaald.
Op grond van het Marokkaans huwelijksvermogensrecht moeten partijen gemeenschappelijke schulden bij helfte dragen. Dit betekent dat de vrouw meer heeft bijgedragen in deze schuld dan het gedeelte dat haar aangaat. Hierdoor heeft zij op grond van artikel 6:10 van Pro het Burgerlijk Wetboek een regresrecht op de man ter hoogte van € 403,21. Dit is de helft van het door haar betaalde bedrag. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de man het volledige bedrag aan haar moet voldoen.
d. aanslagen Belastingdienst
4.29.
De man verzoekt, samengevat, te bepalen dat een bedrag van € 9.386,= bij helfte
tussen partijen wordt verdeeld. Op de mondelinge behandeling heeft de man voor het eerst toegelicht dat het gaat om aanslagen van de Belastingdienst vanwege teveel ontvangen toeslagen. Verder heeft hij verklaard dat de toeslagen op zijn naam staan, maar dat op grond van de redelijkheid en billijkheid beide partijen gehouden zijn ieder de helft van deze schulden te dragen. De vrouw beheerde de financiën en de man had hierin geen inzage.
4.30.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. De schulden staan op naam van de man, zodat hij op grond van het Marokkaans huwelijksvermogensrecht gehouden is deze schulden met zijn eigen vermogen te voldoen. Daarnaast betwist de vrouw dat zij de financiën beheerde. Volgens haar werd de administratie gedaan door een schoonzus en zwager en zijzelf had hiermee niets van doen. De toeslagen werden ook op de bankrekening van de man gestort. De vrouw ontving niks.
4.31.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals eerder overwogen, is iedere echtgenoot zelf aansprakelijk met zijn gehele vermogen voor zijn eigen schulden. Vast staat dat de schulden bij de Belastingdienst op naam van de man staan, waardoor hij in beginsel gehouden is deze schulden uit eigen vermogen te voldoen. In hetgeen de man aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt, te meer nu de vrouw de stellingen van de man gemotiveerd heeft betwist en de man heeft nagelaten zijn stellingen te onderbouwen. De rechtbank wijst het verzoek van de man af.

5.De beslissing

De rechtbank
in de zaak met zaaknummer C/02/429256 / FA RK 24-5589 (echtscheiding)
5.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2012 in [plaats] , Marokko, met elkaar getrouwd;
5.2.
verleent, uitvoerbaar bij voorraad, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man aan de vrouw toestemming om met de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ;
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] , en
3. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2019 in [geboorteplaats] ,
op vakantie te gaan naar [plaats] in Marokko in de periode van 20 juli 2026 tot en met
17 augustus 2026;
5.3.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van [datum] 2026 een
voorlopigebijdrage in de kosten van de kinderen voldoet van € 25,= (vijfentwintig euro) per maand per kind, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
5.4.
houdt de beslissing voor het overige aan tot
26 mei 2026;
5.5.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres] ;
5.6.
wijst af het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming voor het aanvragen van paspoorten;
in de zaak met zaaknummer C/02/433934 / FA RK 25-1779
5.7.
bepaalt dat de man aan de vrouw € 403,21 (vierhonderdendrie euro en eenentwintig eurocent) moet betalen in verband met een regresrecht ten aanzien van de gezamenlijke schuld bij WonenBreburg;
5.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Keijzerwaard, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.