Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2822

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C-02-437352 - FA RK 25-3474
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:80b BWArt. 1:94 lid 8 BWArt. 820 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding geregistreerd partnerschap en verdeling inboedel zonder minderjarige kinderen

Partijen zijn op 18 mei 2021 een geregistreerd partnerschap aangegaan zonder partnerschapsvoorwaarden en hebben geen minderjarige kinderen. Zij hebben het partnerschap duurzaam ontwricht verklaard en gezamenlijk verzocht om ontbinding.

De vrouw was aanvankelijk gerechtigd tot het gebruik van de woning, maar heeft dit recht ingetrokken omdat zij inmiddels elders woont. De man verzoekt het huurrecht van de woning toe te wijzen en de inboedel aan hem toe te delen. De vrouw heeft geen bezwaar tegen de toedeling van de inboedel in de woning, maar betwist eigendom van enkele extra zaken.

De rechtbank oordeelt dat de betwiste zaken als gemeenschapsgoederen moeten worden aangemerkt omdat geen van partijen het eigendom kan bewijzen. De waarde van de goederen wordt als gering en gelijk verondersteld. De rechtbank deelt de goederen gelijkelijk toe, waarbij de rolgordijnen en pokemonkaarten buiten de verdeling blijven vanwege onduidelijkheid over bezit.

De beschikking spreekt de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit, wijst het huurrecht van de woning toe aan de man en regelt de verdeling van de inboedel zoals in het dictum vermeld. Afwijzing volgt voor overige verzoeken.

Uitkomst: Het geregistreerd partnerschap wordt ontbonden, het huurrecht van de woning wordt aan de man toegekend en de inboedel wordt gelijkelijk verdeeld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/437352 / FA RK 25-3474
beschikking d.d. 5 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. Ç. Bayrak, kantoorhoudende te Bergen op Zoom,
en
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. W.H.A. de Koning te Schijndel.

1.Het procesverloop

1.1.
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 1 juni 2025 ontvangen verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen, met bijlagen;
- het op 2 september 2025 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
- de brief d.d. 19 januari 2026 van mr. De Koning, houdende een aanvulling van het verzoek;
- het F-formulier d.d. 19 januari 2026 van mr. Bayrak, met bijlage;
- de op 5 februari 2026 door mr. De Koning overgelegde producties behorend bij de brief d.d. 19 januari 2026.
1.2.
De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 5 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2.De feiten

2.1.
Partijen, Nederlanders, zijn op 18 mei 2021 te [woonplaats] een geregistreerd partnerschap aangegaan.
2.2.
Partijen hebben geen minderjarige kinderen.
2.3.
Tussen partijen zijn voorlopige voorzieningen getroffen. Bij beschikking van 19 augustus 2025 is bepaald dat dat de vrouw per 2 september 2025 bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan de [adres] , [woonplaats] en de man bevolen die woning uiterlijk voor die datum te verlaten en niet meer te betreden.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad, te bepalen dat:
I. Het geregistreerd partnerschap tussen partijen d.d. 18 mei 2021 te [woonplaats] te
beëindigen;
II. Te bepalen dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan de
[adres] te [woonplaats] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot uiterlijk zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen periode;
De vrouw voert verweer tegen het zelfstandig verzoek van de man betreffende de inboedelgoederen.
3.2.
De man voert verweer en verzoekt de verzoeken van de vrouw af te wijzen, behoudens het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de man – na aanvulling van zijn verzoeken – om, voor zover als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken;
- het huurrecht van de huurwoning staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] aan de man toe te bedelen;
- de in de woning aanwezige inboedelgoederen aan de man toe te bedelen, alsmede de navolgende inboedelgoederen:
  • Rolgordijnen begane grond + eerste verdieping;
  • Gordijnen begane grond + eerste verdieping;
  • Tweezitsbank;
  • Keukenapparatuur, waaronder oven;
  • Lampen/plafondlampen;
  • Schemerlampen 4 stuks;
  • Klok;
  • Stofzuiger;
  • Beeld hond;
  • Keukenrekje;
  • Planken uit het toilet;
  • Pokemonkaarten;
  • Planken waar apen op stonden.
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Ontbinding partnerschap
4.1.
Beide partijen verzoeken het geregistreerd partnerschap uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het partnerschap duurzaam is ontwricht.
4.2.
Het verzoek tot ontbinding zal derhalve, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
Gebruik woning;
4.3.
Beide partijen hebben aanvankelijk het huurrecht van de echtelijke woning verzocht. De vrouw heeft bij F-formulier van 19 januari 2026 van mr. Bayrak haar verzoek ten aanzien van het huurrecht ingetrokken omdat zij inmiddels een andere woonruimte heeft. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.
4.4.
De rechtbank zal het verzoek van de man met betrekking tot het huurrecht van de woning als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Inboedel
4.5.
De man heeft verzocht om de in de woning aan de [adres] te [woonplaats] aanwezige inboedelgoederen aan hem toe te delen. De vrouw heeft tijdens de zitting opgemerkt hiertegen geen bezwaar te hebben. De rechtbank zal dit deel van het verzoek van de man dan ook toewijzen op de wijze als in het dictum opgenomen.
4.6.
De man heeft voorts verzocht om ook de hiervoor in rechtsoverweging 3.2. genoemde zaken aan hem toe te delen. De man heeft zich daartoe aanvankelijk op het standpunt gesteld dat deze zaken hem in eigendom toebehoren. Tijdens de zitting heeft de man zijn standpunt gewijzigd door aan te voeren dat deze zaken deels gemeenschappelijk zijn en deels van hem. De vrouw heeft het standpunt van de man betwist door aan te voeren dat bedoelde zaken haar in eigendom toebehoren. De vrouw heeft daarom bij het verlaten van de woning deze zaken, met uitzondering van de ‘rolgordijnen begane grond + eerste verdieping’ en de ‘pokemonkaarten’ meegenomen. Volgens de vrouw is de inboedel hiermee op eerlijke wijze verdeeld.
4.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn op 18 mei 2021 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Partijen hebben geen partnerschapsvoorwaarden gemaakt. Dat betekent dat voor hen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt. Artikel 1:94 lid 8 jo Pro 1:80b van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat indien tussen geregistreerd partners een geschil bestaat aan wie van hen beiden een goed toebehoort en geen van beiden zijn recht op dit goed kan bewijzen, een goed als gemeenschapsgoed wordt aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze situatie zich hier voor. Zowel de man als de vrouw heeft tegenover de betwisting door de ander onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd gesteld wanneer en op welke wijze hij/zij de gestelde eigendom van de onderhavige zaken heeft verkregen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
4.8.
De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stellingen als productie 3 bij het F-formulier van mr. Bayrak van 19 januari 2026 enkel overgelegd een verklaring van [persoon 1] , de moeder van de man, waarin deze aangeeft “
Bij deze geef ik te kennen dat de gordijnen en bankstel van [persoon 2] zijn daar ze die zelf heeft betaald. Staan in [adres] . (…)” De man heeft de juistheid van deze verklaring evenwel gemotiveerd bestreden door aan te voeren dat [persoon 1] niet aanwezig was toen de onderhavige gordijnen en het bankstel werden gekocht. Nu de vrouw tegenover deze betwisting haar standpunt niet nader heeft onderbouwd, terwijl uit de enkele (gestelde) betaling door de vrouw niet zonder meer volgt dat deze zaken haar in eigendom toebehoren, gaat de rechtbank hieraan voorbij. De vrouw heeft verder, eveneens bij voornoemde productie 3 bij het F-formulier van mr. Bayrak van 19 januari 2026, een, volgens haar stellingen, op 2 juni 2025 opgestelde lijst met “eigendommen [persoon 2] ” overgelegd, maar waar zij de relevantie van deze lijst niet nader heeft toegelicht, gaat de rechtbank ook hieraan voorbij. De man heeft als bijlage bij de brief van 19 januari 2026 van mr. De Koning nog overgelegd een factuur van een door hem gekochte bank, maar de vrouw heeft bestreden dat dit de bank is die zij heeft meegenomen, zodat de rechtbank ook hieraan voorbijgaat. Verder is als bijlage bij voornoemde brief van 19 januari 2026 van mr. De Koning een kassabon van de Karwei in het geding gebracht. Daar blijkt uit dat er voor een bedrag van € 170,98 aan planken (2 timmerpaneel vuren) is aangeschaft. Voor zover de man stelt dat dit planken zijn die door hem zijn betaald en door de vrouw uit de woning zijn meegenomen, gaat de rechtbank daar gelet op de datum op deze kassabon van 17 december 2025 aan voorbij. Vast staat dat de vrouw op dat moment de echtelijke woning al had verlaten, dus deze aankoop kan dan ook geen betrekking hebben op goederen die de vrouw heeft meegenomen uit de woning.
4.9.
Dit betekent dat de onderhavige zaken als gemeenschapsgoederen dienen te worden aangemerkt en derhalve nog verdeeld moeten worden. Uit de stellingen van partijen kan de rechtbank niet afleiden of een van partijen bij de feitelijke verdeling van de gemeenschappelijke inboedel is overbedeeld of onderbedeeld, of dat, zoals de vrouw stelt, de inboedel op eerlijke wijze is verdeeld als zij alle betwiste zaken krijgt toebedeeld. De man heeft dit laatste betwist en de vrouw heeft haar standpunt niet nader onderbouwd. Partijen hebben zich verder niet uitgelaten over de waarde van de onderhavige zaken. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de marktwaarde van deze gebruiksgoederen gering is en bovendien van elke zaak ongeveer gelijk is, zoals bij inboedelgoederen vaak het geval is.
4.10.
De rechtbank zal de onderhavige zaken gelijkelijk toedelen aan partijen. De rechtbank zal de zaken in het dictum aanduiden met a. en b. De a. zaken zal de rechtbank toedelen aan de man en de b. zaken aan de vrouw. Wat de ‘rolgordijnen begane grond + eerste verdieping’ en de ‘pokemonkaarten’ betreft, is tussen partijen nog in geschil wie deze zaken in zijn/haar bezit heeft, althans wie deze zaken heeft weggedaan. Waar geen van partijen zijn/haar stellingen heeft onderbouwd kan de rechtbank niet vaststellen of deze zaken nog aanwezig zijn. De rechtbank zal deze zaken dan ook niet in voornoemde verdeling betrekken.

5.De beslissing.

De rechtbank:
spreekt uit de ontbinding van het tussen partijen geregistreerd partnerschap;
bepaalt dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres [woonplaats] , [adres] , met ingang van de dag waarop de beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
deelt de in voormelde woning aanwezige inboedelgoederen toe aan de man;
bepaalt dat de overige tussen partijen vaststaande (inboedel)goederen als volgt worden verdeeld:
a. Gordijnen begane grond + eerste verdieping;
b. Tweezitsbank;
a. Keukenapparatuur, waaronder oven;
b. Lampen/plafondlampen;
a. Schemerlampen 4 stuks;
b. Klok;
a. Stofzuiger;
b. Beeld hond;
a. Keukenrekje;
b. Planken uit het toilet;
a. Planken waar apen op stonden;
waarbij de a. zaken worden toegedeeld aan de man en de b. zaken worden toegedeeld aan de vrouw;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van De Pooter, griffier op 5 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hen in persoon of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.