Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2823

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C-02-440237 FA RK 25-4965
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 7 lid 1 Brussel II-ter VerordeningArt. 10 lid 1 sub b onder ii Brussel II-ter VerordeningArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over hoofdverblijf, zorgregeling, alimentatie en verhuizing minderjarige kinderen

Partijen, voormalig samenwonend in België, hebben twee minderjarige kinderen. De moeder verzoekt het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen, de zorgregeling te wijzigen, vervangende toestemming voor verhuizing naar België te verkrijgen en kinderalimentatie vast te stellen. De vader verzet zich tegen deze verzoeken en verzoekt onder meer het hoofdverblijf in Nederland te behouden en de huidige co-ouderschapsregeling voort te zetten.

De rechtbank oordeelt dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in België ligt, maar dat partijen de Nederlandse rechter bevoegd hebben verklaard. Op grond van Nederlands recht wordt het verzoek inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank constateert ernstige zorgen over het gedrag van de vader en de impact daarvan op de moeder en kinderen, en wijzigt de zorgregeling in het belang van de kinderen. Het hoofdverblijf wordt formeel bij de moeder vastgesteld en de kinderen worden op haar adres ingeschreven.

De rechtbank verleent de moeder vervangende toestemming om met de kinderen naar België te verhuizen, gezien de noodzaak en het belang van de kinderen. Ten aanzien van de kinderalimentatie wordt een bijdrage van €135 per kind per maand vastgesteld, rekening houdend met de gewijzigde zorgregeling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank bepaalt het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder, wijzigt de zorgregeling, verleent vervangende toestemming voor verhuizing naar België en stelt kinderalimentatie vast.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/440237 FA RK 25-4965
4 maart 2026
beschikking van de meervoudige kamer betreffende hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, levensonderhoud en vervangende toestemming verhuizing
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats 1] , gemeente Hulst, doch thans feitelijk verblijvende te [plaats 2] , België,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. M.T.E. Kranenburg te Roosendaal,
en
[de man],
wonende te [plaats 1] , gemeente Hulst,
hierna te noemen de man,
advocaten: mr. Q. van Mossevelde en mr. A.A. Broekman-de Feijter te Terneuzen.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, hierna te noemen de GI.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 26 september 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 5 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de brief van mr. Kranenburg van 25 januari 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. Kranenburg van 27 januari 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. Kranenburg van 28 januari 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. Van Mossevelde van 28 januari 2026 met bijlagen;
- het op 29 januari 2026 ontvangen rapport van de Raad;
- de brief van mr. Kranenburg van 2 februari 2026 met bijlagen;
- de door mr. Van Mosselvelde tijdens de zitting overgelegde pleitnota.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 2 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was een vertegenwoordiger van de Raad en aanwezig.
1.3. De zaak is vanwege de samenhang gelijktijdig behandeld met zaaknummer C/02/444969 / JE RK 26-251. Op dit zaaknummer is in een aparte beschikking beslist.
1.4. [minderjarige 1] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van de verzoeken vindt, maar zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben op 13 januari 2021 bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Edegem , België, hun wettelijk samenwonen geregistreerd, conform artikel 1476 Belgisch Pro Burgerlijk Wetboek (BBW). De registratie is eenzijdig beëindigd door de vrouw op 19 augustus 2025.
2.2
Uit de relatie van partijen voorafgaande aan de wettelijke samenwoning zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] (België), op [geboortedag 1] 2017;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] (België), op [geboortedag 2] 2020.
2.3
De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend en partijen hebben samen het gezag over hen.
2.4
Sinds 21 april 2025 verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ene week bij de vrouw in [plaats 2] , België, en de andere week bij de man in [plaats 1] .
2.5.
Bij vonnis in kort geding van 3 juli 2025 (zaaknummer / rolnummer: C/02/435702 / KG ZA 25-246) heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, verzocht met voorrang een onderzoek te (doen) verrichten betreffende de onder 5.12. van dit vonnis geformuleerde vragen en daaromtrent uiterlijk op 21 oktober 2025 schriftelijk te rapporteren en adviseren. Iedere verdere beslissing is aangehouden. Deze zaak is daarna diverse keren aangehouden op verzoek van de Raad.
2.6.
Bij beschikking van 27 februari 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 27 februari 2026 en tot 27 februari 2027.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt, bij beschikking‚ voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad,
I. te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats bij hun moeder hebben
en op haar adres bij de gemeente ingeschreven staan;
II. te bepalen dat er tussen de man en de kinderen een omgang zal plaatsvinden
conform de daartoe strekkende regeling als weergegeven onder de punten 26 en 27
van het verzoekschrift, dan wel een dusdanige regeling als dat de rechtbank mag
vermenen te behoren;
III. te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van indiening van dit verzoekschrift als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding verschuldigd is € 350,00 per kind per maand dan wel een nog nader te bepalen en motiveren bedrag per maand bij vooruitbetaling te voldoen.
En in het kader van het 1:253a BW - verzoek ter verkrijging van vervangende toestemming
voor verhuizing verzoekt de vrouw bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 te [geboorteplaats 2] (België) en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats 2] (België) verhuizen naar het adres van haar moeder (oma moederszijde) aan de [adres] [plaats 2] (België) en uiteindelijk naar het huurhuis in [plaats 4] nabij [plaats 5] (België) dan
[de rechtbank begrijpt: dat]per november 2025 beschikbaar komt voor de vrouw.
3.2.
De man verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad:
ten aanzien van de verzoeken van de vrouw
I. tot afwijzing van het verzoek om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen;
II. tot afwijzing van het verzoek om een zorgregeling vast te stellen tussen de man en de
kinderen, zoals vermeld onder punten 26 en 27 van het verzoekschrift d.d. 22 september
2025;
III. tot afwijzing van het verzoek om te bepalen dat de man met ingang van datum indiening verzoekschrift een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding verschuldigd is van € 350,- per kind per maand;
IV. tot afwijzing van het verzoek om vervangende toestemming voor een verhuizing van de minderjarige kinderen naar België te verlenen.
ten aanzien van zijn zelfstandige verzoeken
V. een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat de minderjarige kinderen van partijen
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 te [geboorteplaats 2] , België, en [minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats 2] , België, in de oneven weken van maandag na school tot maandag voor school in de even weken bij hem verblijven, alsmede dat deze zorgregeling ten aanzien van de vakanties en feestdagen blijft doorlopen.
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter vanwege de nationaliteit van partijen en de geboorteplaats en nationaliteit van de minderjarigen. Dat betekent dat de rechtbank eerst moet beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen op de verzoeken en, wanneer dat zo is, welk recht daarop van toepassing is.
Hoofdverblijf, zorgregeling en vervangende toestemming verhuizing
Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel Pro IIter- Verordening , nr. 2019/1111 zijn in zaken die de ouderlijke verantwoordelijkheid (gezag) betreffen, bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn
gewone verblijfplaatsheeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
4.3.
Het begrip gewone verblijfplaats moet volgens vaste rechtspraak zo worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. De rechter moet bij het invullen van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ rekening houden met alle feitelijke omstandigheden van de concrete situatie. Daarvoor moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Bij dit alles geldt dat de inschrijving van een kind in de gemeentelijke (basis)administratie hooguit één van de relevante factoren is waarmee rekening kan worden gehouden bij het bepalen van de gewone verblijfplaats van dat kind.
4.4.
De vrouw heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is en dat de Nederlandse rechter als gevolg daarvan bevoegd is om op de verzoeken die betrekking hebben op de ouderlijke verantwoordelijkheid te beslissen. Ze realiseert zich dat dit standpunt discutabel is, maar ze wil graag dat er snel een beslissing komt. Artikelen uit verschillende verdragen ondersteunen dit verzoek. De man heeft hier eerst verweer tegen gevoerd en gesteld dat niet de Nederlandse maar de Belgische rechter bevoegd is omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in België is. Tijdens de zitting heeft hij dit verweer echter ingetrokken omdat hij vindt dat partijen snel hulpverlening nodig hebben bij hun communicatie. Als partijen alsnog een procedure moeten starten in België, zou dat weer vertragen. Hij wenst het niet onnodig ingewikkeld te maken en wens rust voor beide partijen en in het bijzonder voor de kinderen.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in België ligt en overweegt daarbij als volgt. De minderjarigen verblijven in het kader van de tussen hun ouders afgesproken co-ouderschapsregeling sinds april 2025 om de week bij hun moeder in België. Ze gaan daar ook naar school en hun sociale leven (waaronder hun hobby’s) speelt zich daar af. Ook woont, behalve hun vader, hun familie in België, zijn ze geboren in België en hebben zij de Belgische nationaliteit. Rekening houdend met al deze omstandigheden bevindt het centrum van het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich naar oordeel van de rechtbank in België en niet in Nederland waar zij slechts staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie en om de week verblijven.
4.6.
Nu de minderjarigen op het moment van de indiening van het verzoekschrift hun gewone verblijfplaats in België hadden, is in beginsel niet de Nederlandse rechter, maar de Belgische rechter bevoegd. Tijdens de zitting is echter gebleken dat beide partijen de rechtsmacht van de Nederlandse rechter op grond van de forumkeuze ex artikel 10 Brussel Pro II-ter lid 1 sub b onder ii uitdrukkelijk hebben aanvaard en dat ook is voldaan aan de in genoemd artikel genoemde voorwaarden voor een geldige forumkeuze. De kinderen hebben namelijk een nauwe band met Nederland omdat hun vader zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft (artikel 10 lid 1 sub a onder Pro i). De rechtbank is op grond van deze geldige forumkeuze dan ook bevoegd om op de verzoeken tot bepaling van het hoofverblijf, wijziging van de zorgregeling en het verlenen van vervangende toestemming voor verhuizing te beslissen. De rechtbank merkt hierbij op dat zij van oordeel is dat het eigenlijk niet in het belang van de kinderen is om deze verzoeken in Nederland te behandelen. De rechtbank zal dit echter wel doen gelet op de nadrukkelijke wens van partijen om snel duidelijkheid te krijgen en, zoals hieronder zal blijken, de dringendheid om in het belang van de kinderen een aantal knopen door te hakken. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat, mocht dit nodig zijn, partijen eventuele nadere beslissingen aan de Belgische rechter zullen voorleggen.
4.7.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Inhoudelijke beoordeling
Juridische grondslag
4.8.
In deze zaak zijn de artikelen 1:253a en 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing.
4.9.
In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
4.10.
Ingevolge artikel 1:253a lid 2 BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
- een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken;
- de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
4.11.
In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Zorgregeling
4.12.
De vrouw verzoekt (samengevat) het door partijen afgesproken co-ouderschap te wijzigen in die zin dat de kinderen 1x in de 14 dagen een weekend bij de man verblijven van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend voor school, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.
4.13.
De man voert hier verweer tegen en verzoekt de door de vrouw verzochte zorgregeling af te wijzen. Bij wijze van zelfstandig verzoek, verzoekt hij een zorgregeling vast te stellen overeenkomstig de huidige zorgregeling (co-ouderschap) en daarnaast verzoekt hij deze regeling te laten doorlopen tijdens de vakanties een feestdagen.
Wijziging van omstandigheden
4.14.
De vrouw stelt dat zij in april 2025 onder druk van de man akkoord is gegaan met de door hem voorgestelde zorgregeling (co-ouderschap). Ze voelde zich niet vrij om nee te zeggen omdat ze angst heeft voor de man en omdat hij dreigde de kinderen mee te nemen naar het buitenland. Daarnaast is er sprake van een gedragsverandering bij de kinderen omdat zij, door het dwingende controlerende gedrag van de man, lijden onder de huidige zorgregeling. Ze nemen het op voor hun vader en zijn verbaal agressief tegen de vrouw en haar moeder en slaan hen ook.
4.15.
De man ontkent dat hij de vrouw onder druk heeft gezet om akkoord te gaan met het co-ouderschap. Hij erkent wel dat de kinderen ook bij hem zorgelijk gedrag vertonen in de vorm van slaan en schoppen, maar hij vind dat logisch gezien de situatie en slechte communicatie tussen hem en de vrouw.
4.16.
De rechtbank constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat het niet goed gaat met de kinderen en dat de kinderen bij hen beiden zorgelijk gedrag vertonen. Hierdoor is de vrouw naar het oordeel van de rechtbank ontvankelijk in haar verzoek tot wijziging van de tussen partijen afgesproken zorgregeling.
Wijziging zorgregeling
4.17.
Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de vrouw het volgende aangevoerd. De vrouw verzoekt de zorgregeling te wijzigen gezien de taakverdeling tijdens de relatie en het toxische gedrag van de man richting haar en de kinderen. Volgens de vrouw is er sprake van dwingende controle aan de kant van de man en zij acht, onder verwijzing naar diverse artikelen uit het EVRM en het Verdrag van Instanbul, co-ouderschap in deze situatie niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ze is bang dat de man de kinderen zal blijven inzetten om de vrouw te kwetsen ten koste van de emotionele en mentale gezondheid van de kinderen en de vrouw en alle andere bijkomende gevolgen. De vrouw laat de kinderen na een overdracht in de auto even gillen om hun stress te reguleren. Daarna gaat het hen meestal iets beter. De vrouw vreest voor ouderverstoting als het co-ouderschap in stand blijft, want de man stookt de kinderen op tegen de vrouw. Dit uit zich in verbale en fysieke agressie tegen de vrouw en haar moeder. Ook vreest zij door aanhoudend manipulerend gedrag van de man naar de kinderen toe, de kinderen op langere termijn hier nog grotere psychische schade aan over zullen houden.
Daarnaast komt er vanuit de man geen enkel initiatief om tot een regeling voor de kinderen te komen. De vrouw heeft nog steeds geen enkele - laat staan opbouwende - reactie van de kant van de man ontvangen op het door haar aan hem toegezonden concept ouderschapsplan. Ten slotte begrijpt de vrouw niet hoe het kan dat de Raad zich zorgen maakt over de kinderen en het gedrag van de man richting de vrouw, maar het co-ouderschap wel in stand wil laten.
4.18.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt het co-ouderschap zoals dit er nu is als zorgregeling vast te stellen. Hij voert daartoe het volgende aan. De man is erg ontdaan van de beschuldigingen van de vrouw en ontkent dat er sprake is van dwingende controle (intieme terreur). Hij herkent zich niet in het beeld dat hij uit zou zijn op macht of controle. Hij erkent dat zijn emoties soms hoog oplopen, zeker als het over de kinderen gaat, en dat hij eerder vanuit emotie reageert. Ook geeft hij toe dat hij in eerste instantie moeite had met het eindigen van de relatie, maar dat heeft hij nu geaccepteerd.
Daarnaast klopt het niet dat hij niet met de vrouw in gesprek wil om afspraken te maken. Hij heeft er juist, in het belang van de kinderen, alles aan gedaan om een procedure te voorkomen en meerdere keren bij de vrouw aangegeven in gesprek te willen om afspraken te maken over de kinderen en de woning. Hij heeft daarbij ook voorgesteld om gebruik te maken van mediation. Verder kan hij zich vinden in het advies van de Raad en hoopt dat partijen snel met hulpverlening aan de slag kunnen om hun communicatie te verbeteren. De kinderen weghouden bij hun vader gaat daarbij niet helpen.
Bovendien was en is de zorg voor de kinderen altijd gelijk verdeeld (geweest). Als het verzoek van de vrouw wordt toegewezen zal de rol van de man in het leven van de kinderen steeds meer op de achtergrond verdwijnen en hij wenst nauw betrokken te blijven bij de kinderen want hij wil geen weekendvader zijn.
Ten slotte voert hij nog aan dat de door de vrouw verzochte verdeling van de vakanties en feestdagen niet duidelijk en niet werkbaar is voor hem. Het co-ouderschap moet daarom doorlopen tijdens de vakanties en feestdagen.
4.19.
De Raad heeft in zijn rapport geadviseerd het verzoek van de vrouw af te wijzen. Het co-ouderschap, dat sinds april 2025 van kracht is, verloopt goed. Ondanks hun strijd en negatieve communicatiepatronen lukt het ouders onderling afspraken te maken, waarbij de kinderen goed lijken te gedijen. De kinderen, vooral [minderjarige 1] , lijken grote veerkracht te tonen en functioneren op alle gebieden goed. In het kindgesprek met de Raad gaf [minderjarige 1] aan erg gelukkig te zijn en “dat papa en mama beiden even lief zijn en goed voor ons zorgen.” Ook al lijken ouders elkaar emotioneel te triggeren, b.v. in hun communicatie over de logopedie, toch komen ouders er samen uit. De Raad heeft wel ernstige zorgen over het gedrag van vader naar moeder en naar aanleiding daarvan de angsten van moeder voor vader en over de interactie tussen ouders alsmede het effect hiervan op de kinderen. Hier tegenover staat dat de huidige situatie (met co-ouderschap) rustig verloopt en duidelijkheid, continuïteit en voorspelbaarheid aan de kinderen biedt.
De Raad realiseert zich dat inzet van een systemische hulpverleningstraject vooral in het begin onrust en spanningen met zich mee zal brengen voor ouders en de kinderen. De Raad verwacht dat dit van tijdelijke aard is en benadrukt dat het doel van het traject juist is de situatie te verbeteren. Een ander doel van het hulpverleningstraject is dat er na verloop van tijd meer zicht op beide opvoedomgevingen zal zijn. De Raad verwacht dat dit meer rust bij ouders zal brengen alsmede meer mogelijkheden van ouders om emotionele toestemming
aan de kinderen te verlenen om onbelast contact met de andere ouder te hebben.
Ook zal de aankomende verhuizing van moeder en de kinderen onrust met zich meebrengen. Juist in deze situatie is de duidelijkheid, continuïteit en voorspelbaarheid van het co-ouderschap helpend. Daarbij schat de Raad in dat de kinderen momenteel onvoldoende draagkracht hebben om een wijziging van de zorgregeling te dragen.
Tijdens de zitting heeft de Raad nog toegevoegd dat zij enkele elementen ziet van intieme terreur, maar niet alle elementen. Omdat de MASIC (Mediator’s Assessment of Safety Issues and Concerns) eenzijdig bij de vrouw is afgenomen kan de Raad daar niks neutraals over zeggen en heeft deze voor de Raad geen toegevoegde waarde. Hierdoor kan de Raad niet vaststellen of er sprake was van intieme terreur
4.20.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens de Raad functioneren de kinderen goed onder de huidige regeling en kunnen ze het co-ouderschap, ondanks de problemen tussen hun ouders, aan. Dit maakt dat de Raad adviseert om de zorgregeling in stand houden zoals die nu is. Daar staat tegenover dat de Raad ook een verzoek tot ondertoezichtstelling heeft ingediend omdat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling bedreigd worden.
4.21.
De rechtbank constateert dat er geen constructieve communicatie is tussen ouders. Daarnaast zegt de vrouw dat ze een wijziging van de zorgregeling wil omdat ze de huidige regeling niet meer verdraagt door de dwingende controle van de man en ze bang is voor beïnvloeding van de kinderen. Beide ouders verklaren dat de kinderen zorgelijk gedrag vertonen in de vorm van slaan en schoppen. [minderjarige 1] heeft tijdens het raadsonderzoek tegen de raadsonderzoeker gezegd dat ze soms een ‘ontploffing’ in haar hoofd heeft en de vrouw geeft aan dat ze kinderen na de overdracht laat gillen in de auto om hun emoties te reguleren.
De man ontkent dat er sprake is van intieme terreur, of anderszins dwingende controle, maar de rechtbank zag tijdens de zitting, net als de Raad, de op het eerste gezicht oprechte angst van de vrouw voor de man. Bovendien geeft de man toe dat hij zijn gedrag niet onder controle heeft, als hij in de emotie schiet. Daarnaast staat in het rapport van de Raad dat deze ernstige zorgen heeft over het gedrag van de man richting de vrouw. Hij bagatelliseert en ontkent zijn gedragingen. Ook ziet de Raad geen intrinsieke motivatie bij de man voor hulpverlening. Verder zegt de Raad kenmerken te zien van intieme terreur, maar niet alle kenmerken. Dit maakt dat de Raad niet kan vaststellen of hier sprake van is.
4.22.
De rechtbank overweegt dat, zoals ook ter zitting aan de orde is geweest, zij op grond van diverse internationale verdragen (Verdrag van Istanbul, Internationale Verdrag Inzake de Rechten van het Kind, Europees Verdrag van de Rechten van de Mens) gehouden is de veiligheid van de ouder en het kind zal centraal te stellen bij de vraag welke zorg- of omgangsregeling in het belang van het kind is. Dit betekent dat er bij de beslissingen in deze zaak rekening mee zal moeten worden gehouden dat de rechten en de veiligheid van de vrouw en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (voldoende) gewaarborgd zijn. De rechtbank maakt zich als gevolg van het voorgaande ernstige zorgen over (de ontwikkeling van) [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit is ook aanleiding geweest voor de rechtbank om de kinderen onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. De rechtbank maakt zich daarnaast zorgen omtrent het gedrag van de man en wat dit gedrag betekent voor de (psychische) veiligheid van de vrouw en de kinderen. Op dit moment is onduidelijk of, zoals de vrouw stelt, de man ontkent en de Raad niet met zekerheid kan vaststellen, sprake is van intieme terreur, althans dwingende controle door de man. Op basis van de beschikbare informatie kan de rechtbank dit niet vaststellen, maar ook niet uitsluiten. Dit zal derhalve, om zowel recht te doen aan de belangen van de vrouw en de kinderen, maar ook aan die van de man, nader onderzocht moeten worden. Wel staat vast, de man heeft dit eerlijk toegegeven, dat hij zijn gedrag niet onder controle heeft als hij “in de emotie schiet”. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden uitgesloten dat dit ook gebeurt/kan gebeuren als de man de kinderen bij zich heeft. Tegen deze achtergrond, waarbij de rechtbank nadrukkelijk meeweegt de door beide partijen genoemde (zeer) zorgelijke signalen die de kinderen afgeven, is de rechtbank van oordeel dat vooralsnog een co-ouderschap onvoldoende recht doet aan de bescherming waarop de vrouw en de kinderen op grond van voornoemde verdragen aanspraak kunnen maken. Dit zal, als overwogen, eerst moeten worden onderzocht, waarbij ook de signalen van de kinderen aan de orde zullen moeten komen. Het voorgaande maakt dat de rechtbank de reguliere zorgregeling zal wijzigen conform het verzoek van de vrouw onder afwijzing van het verzoek van de man. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw heeft opgemerkt dat zij de kinderen hun vader niet wil afnemen omdat zij hun vader graag willen zien. Ze heeft haar vader zelf weinig gezien toen ze jong was en wil dat niet voor haar kinderen. De rechtbank verwacht hierbij van de GI dat zij zorgt voor voldoende veiligheid tijdens deze contactmomenten en dat de GI, als zij daartoe aanleiding ziet, het contact tussen de man en de kinderen wijzigt.
4.23.
Nu de man daarnaast alleen een verdeling van de vakanties en feestdagen heeft verzocht voor de situatie dat er co-ouderschap is, zal de rechtbank ook het verzoek van de vrouw over de verdeling van de vakanties en feestdagen toewijzen onder afwijzing van het verzoek van de man. In tegenstelling tot de man vindt de rechtbank de door deze vrouw verzochte verdeling niet onduidelijk.
Vaststellen hoofdverblijf
4.24.
De vrouw verzoekt het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen en daarbij tevens te bepalen dat de kinderen op haar adres worden ingeschreven. De vrouw voert daartoe aan dat de kinderen geen binding hebben met Nederland en zij tijdens de relatie alle verzorgende en opvoedkundige taken op zich nam. Daarnaast moeten de kinderen op haar adres worden ingeschreven omdat de man weigert belangrijke papieren met betrekking tot de kinderen aan haar af te geven. Hierdoor bestaat o.a. de kans dat de kinderbijslag wordt gestopt omdat opgevraagde documenten niet op tijd worden aangeleverd of er niet op tijd vrijstelling wordt aangevraagd van de leerplicht in Nederland.
4.25.
De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw. Hij vindt dat het hoofdverblijf van de kinderen in Nederland moet blijven. Hij kan er wel mee instemmen dat, als het co-ouderschap in stand blijft, de kinderen bij hun moeder in België verblijven maar vindt dat de kinderen dan wel op zijn adres in Nederland ingeschreven moeten blijven staan of op zijn minst een van beide kinderen.
4.26.
De Raad heeft geen advies gegeven over het hoofdverblijf in de situatie dat de zorgregeling wijzigt conform het verzoek van de vrouw. De Raad ziet geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij één van de ouders te bepalen als er sprake is van een gelijkwaardig co-ouderschap. Vaststelling van de hoofdverblijfplaats doet geen recht aan de gelijkwaardige rol die ouders bij co-ouderschap vervullen. De kinderen blijven ingeschreven op het adres van vader. Ouders volgen een hulpverleningstraject en daar kunnen zij afspraken maken over de financiële gevolgen van de inschrijving op het adres van vader.
4.27.
De rechtbank overweegt als volgt. Als gevolg van de (wijziging van de) zorgregeling verblijven de kinderen met ingang van heden het grootste gedeelte van de tijd bij de vrouw. De rechtbank is daarom van oordeel dat het (formele) hoofdverblijf van de kinderen in overeenstemming moet worden gebracht met de feitelijke situatie en zal daarom bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij hun moeder hebben. De rechtbank zal daarom ook bepalen dat de kinderen worden ingeschreven op het adres van de vrouw.
Vervangende toestemming verhuizing
Juridische grondslag
4.28.
In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat als ouders, die samen het gezag hebben over een kind, het niet eens kunnen worden over een beslissing over het kind, zij de rechtbank kunnen vragen die beslissing te nemen. De rechter moet dan een beslissing nemen die zij het meest in het belang van het kind vindt. Dat betekent niet dat de rechter alleen maar rekening houdt met het belang van het kind. De rechter moet alle omstandigheden mee laten wegen en dat kan betekenen dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind (Hoge Raad, 25 april 2008, LJN: BC5901).
4.29.
De Hoge Raad heeft bepaald waar de rechter onder andere naar moet kijken bij een verzoek tot verhuizing. Dat is bijvoorbeeld (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901 en HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:487):
- de noodzaak om te verhuizen;
- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
- de rechten van de andere ouder en de minderjarigen op een zelfde contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg en de extra kosten die hiermee gemoeid zijn na de verhuizing;
- de frequentie van het contact tussen de minderjarigen en de andere ouder voor en na de verhuizing;
- de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin de minderjarigen geworteld zijn in hun omgeving of juist extra gewend zijn aan verhuizingen;
- het belang van de ene ouder om te kunnen verhuizen en elders een toekomst op te bouwen;
- het belang van de andere ouder dat hij/zij op dezelfde manier voor de minderjarigen kan blijven zorgen.
Inhoudelijk beoordeling
4.30.
De vrouw verzoekt vervangende toestemming om met de kinderen naar België te verhuizen. Ze voert daartoe aan dat er een noodzaak is om te verhuizen omdat ze niet meer in de woning kan wonen met de man, de vrouw en de kinderen geen binding hebben met Nederland of Hulst en de woning verkocht moet worden omdat ze die beiden niet alleen kunnen betalen. Het is ook in belang van de vrouw en de kinderen om dichterbij hun school en het bedrijf van de vrouw te wonen. Bovendien verandert er weinig voor de man omdat de kinderen nu ook al feitelijk om de week in België zijn. Verder hoopt ze dat de communicatie verbetert door de inzet van hulpverlening waardoor de kinderen niet meer belast worden en de vrouw geen geweld wordt aangedaan.
4.31.
De man verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen. Hij voert daartoe aan dat er geen noodzaak is voor de verhuizing. Hij wil in de woning blijven en denkt dat dat financieel haalbaar is. Als het co-ouderschap in stand blijft kan hij wel instemmen met de verhuizing.
4.32.
De Raad constateert dat vader instemt met de verhuizing en ziet enkel positieve factoren aan de verhuizing, nu de kinderen dichter bij school en het werk van moeder gaan wonen. Dit scheelt de kinderen veel reistijd en daarnaast heeft de verhuizing geen invloed op de relatie en zorgregeling die vader met de kinderen heeft.
4.33.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft, behalve dat hij akkoord gaat met de verhuizing als het co-ouderschap in stand blijft, geen duidelijk argument ingebracht tegen het verzoek van de vrouw. Alle criteria nalopend ziet de rechtbank ook geen redelijk argument om het verzoek van de vrouw af te wijzen. Daar komt bij dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw zal worden bepaald en, zoals hiervoor ook al overwogen met betrekking tot de bevoegdheid, de binding van de kinderen met Nederland op zijn best heel klein is en met België heel groot. Het voorgaande maakt dat de beslissing in voordeel van de vrouw uitvalt en haar vervangende toestemming zal worden verleend om met de kinderen naar België te verhuizen.
Kinderalimentatie
Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.34.
Nu de man, als verweerder, in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek (artikel 3 onder Pro a Alimentatie Verordening, nr. 4/2009).
4.35.
Op het verzoek is Nederlands recht van toepassing, nu de gewone verblijfplaats van de verweerder in Nederland is (artikel 15 Alimentatie Pro Verordening jo. artikel 4 lid 3 van Pro het Haags Alimentatie Protocol 2007).
Inhoudelijke beoordeling
4.36.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man haar met ingang van 26 september 2025 € 350,- per kind per maand aan kinderalimentatie dient te betalen. De man heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek en verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen omdat de zorg voor de kinderen bij helfte verdeeld is. Als er een bijdrage wordt opgelegd moet dit niet per datum verzoekschrift, maar pas als de kinderen merendeels bij de vrouw verblijven.
4.37.
Tijdens een korte schorsing van de zitting hebben partijen alsnog overeenstemming bereikt over de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie. Partijen hebben afgesproken dat de man, als het co-ouderschap blijft doorlopen, € 109,- per kind per maand aan de vrouw gaat betalen met ingang van 2 februari 2026 (de datum van de zitting). Dit bedrag is conform de door de man als bijlage E bij zijn brief van 28 januari 2026 overgelegde berekening. Verder hebben partijen daarbij afgesproken dat de vrouw de kinderbijslag voor de kinderen zal ontvangen en dat zij alle verblijfsoverstijgende kosten zal betalen. Als de zorgregeling wijzigt moet de berekening aangepast worden conform het percentage zorgkorting dat dan geldt op basis van die zorgregeling.
4.38.
Nu de zorgregeling wijzigt, zal de rechtbank, overeenkomstig de afspraak van partijen, de zorgkorting aanpassen. De man heeft op basis van de gewijzigde zorgregeling gedurende gemiddeld 2 dagen per week de zorg voor de kinderen. De rechtbank zal daarom een zorgkorting toepassen van 25%. Volgens de berekening van de man bedraagt de behoefte van de kinderen in totaal € 808,- per maand. De zorgkorting komt daarbij op (in totaal)
€ 202,- per maand.
4.39.
Nu het tekort aan gezamenlijke draagkracht van de onderhoudsplichtigen (€ 346,-) om in de behoefte van de minderjarigen te voorzien (bijna) tweemaal zo groot is als de zorgkorting waar de man recht op heeft, moet de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht (€ 269,-) in de kosten van de minderjarigen voorzien. De door de man betalen bijdrage komt hiermee (afgerond) op € 135,- per kind per maand.
Tot slot
4.40.
De rechtbank overweegt tot slot dat nu in deze procedure op alle geschilpunten is beslist die ook in de kort gedingsprocedure speelden, de rechtbank zich kan voorstellen dat deze laatste procedure beëindigd kan worden en dat partijen de voorzieningenrechter hierover berichten.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] (België), op [geboortedag 1] 2017 en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] (België), op [geboortedag 2] 2020 hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben;
5.2.
bepaalt dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar éénmaal per 14 dagen van vrijdagmiddag uit school (in de oneven weken) tot maandagochtend voor school (in de even weken);
5.3.
bepaalt dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gedurende de vakanties en feestdagen op de volgende manier plaatsvindt:
- de man en de vrouw leggen uiterlijk in december de verdeling van de vakanties voor het volgende jaar vast.
- de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gedurende de zomervakantie bij helfte verdeeld waarbij de vrouw gedurende de oneven jaren de eerste keus heeft en de man gedurende de even jaren. Daarbij geldt dat de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet langer dan twee weken aaneengesloten bij de man of de vrouw verblijven tenzij dit ruim op voorhand en in onderling overleg tussen partijen is afgesproken. Daarnaast verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ieder jaar van 1 augustus tot en met 14 augustus bij de vrouw;
- de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gedurende de herfst- en krokusvakantie bij helfte verdeeld waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende de oneven jaren de eerste helft van deze vakanties bij de vrouw verblijven en de tweede helft bij de man. In de even jaren is dit andersom;
- de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gedurende de kerstvakantie bij helfte verdeeld waarbij de vrouw gedurende de oneven jaren de eerste keus heeft en de man gedurende de even jaren. Daarbij geldt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de even jaren de kerstdagen bij de man verblijven en in de oneven jaren bij de vrouw. Daarnaast geldt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de oneven jaren met oud en nieuw bij de vrouw verblijven en in de even jaren bij de man;
- de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gedurende de paasvakantie bij helfte verdeeld waarbij de vrouw gedurende de oneven jaren de eerste keus heeft en de man gedurende de even jaren. Daarbij geldt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op Goede Vrijdag en Pasen altijd bij de vrouw verblijven;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op Hemelvaartsdag in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op met Pinksteren in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
- als Goede Vrijdag, Hemelvaart of Pinksteren in een van voornoemde vakanties vallen, is de vakantieverdeling bepalend;
5.4.
geeft aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – toestemming om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verhuizen naar [plaats 4] , België;
5.5.
bepaalt dat de man met ingang van 2 februari 2026 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw, voor de toekomst bij vooruitbetaling, moet voldoen een bedrag van € 135,- per kind per maand;
5.6.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, mr. Hopmans en
mr. Hendriks, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026, in
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.