ECLI:NL:RBZWB:2026:2826

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/443037 / FA RK 25-6443
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Pulskens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Provisionele voorziening kinderalimentatie met rekening houden werkelijke woonlast en schuldaflossing

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening inzake kinderalimentatie tussen partijen die drie minderjarige kinderen hebben. De vrouw verzocht om een bijdrage van €506 per maand per kind vanaf 18 september 2025. De man voerde verweer en stelde dat hij beperkte draagkracht heeft vanwege ziekte-uitkeringen en schulden.

De rechtbank hanteerde de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie en sloot aan bij het netto gezinsinkomen van partijen in 2024, het laatste jaar dat zij samen waren. De man ontving een Ziektewetuitkering en had een onderneming met een negatief resultaat. De rechtbank ging uit van een netto inkomen van de man van €2.401 per maand en van de vrouw van €1.863 per maand.

De draagkracht van de man werd berekend rekening houdend met zijn werkelijke woonlast van €600 per maand, een aflossing van €180 per maand op een schuld aan de gemeente, en de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering per 14 maart 2026. Vanaf die datum heeft hij geen draagkracht meer. De vrouw heeft een draagkracht van €442 per maand. De rechtbank stelde vast dat de gezamenlijke draagkracht onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien.

Na toepassing van de zorgkorting en draagkrachtvergelijking werd de bijdrage van de man vastgesteld op €27 per maand per kind van 18 september 2025 tot 14 maart 2026, en nihil daarna. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte werd afgewezen.

Uitkomst: Man moet provisioneel €27 per maand per kind betalen aan kinderalimentatie tot 14 maart 2026, daarna nihil.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443037 / FA RK 25-6443
datum uitspraak 25 februari 2026
beschikking over het treffen van een provisionele voorziening
in de zaak van
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. R.A.W. van Oudheusden,
en
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. P. Doorakkers.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 12 december 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw;
- het op 4 februari 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen van de man;
- de brief van mr. Van Oudheusden van 9 februari 2026 met bijlagen.
1.2. Bij afzonderlijk verzoekschrift van 12 december 2025 is ook de hoofdzaak aanhangig gemaakt. Deze zaak is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer C/02/443058 / FA RK 25-6458. In de hoofdzaak liggen voor de verzoeken van de vrouw tot vaststelling van het hoofdverblijf van de kinderen, vaststelling van een zorgregeling en vaststelling van een door de man te betalen kinderalimentatie.
1.3. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 11 februari 2026. Daarbij waren partijen aanwezig. Zij werden bijgestaan door hun advocaat.

2.De feiten

2.1.
Zoals blijkt uit de stellingen en ingediende stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- tijdens deze relatie zijn geboren de volgende, nu nog minderjarige kinderen:
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ;
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats 2] , en
3. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2020 in [geboorteplaats 1] ;
- de man heeft de kinderen erkend. De vrouw heeft alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] ;
- de kinderen wonen bij de vrouw;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht over de kinderalimentatie.

3.Het verzoek

De vrouw verzoekt bij wijze van provisionele voorziening om de man te veroordelen een bijdrage in de kosten van de kinderen te voldoen van € 506,= per maand per kind met ingang van 18 september 2025.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 223, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een bodemprocedure vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van de procedure. Het tweede lid bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. De rechtbank stelt vast dat sprake is van deze samenhang.
4.2.
Verder is voor toewijzing van een verzoek op basis van artikel 223 Rv Pro alleen plaats als er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat. Nu in de hoofdzaak nog geen mondelinge behandeling is bepaald, is op korte termijn geen beslissing in de hoofdzaak te verwachten. Dit maakt dat het voldoende belang in deze procedure is gegeven.
4.3.
De vrouw verzoekt om vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen van € 506,= per maand per kind met ingang van 18 september 2025. De man voert gemotiveerd verweer.
4.4.
Bij het bepalen van de behoefte aan kinderalimentatie en de financiële draagkracht om die te voldoen, hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn opgenomen in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Ingangsdatum
4.5.
Op de mondelinge behandeling heeft de man ingestemd om de ingangsdatum voor de te betalen kinderalimentatie te bepalen op 18 september 2025, zodat de rechtbank hiervan zal uitgaan.
Behoefte van de kinderen
4.6.
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dit wordt ook wel de ‘behoefte’ van het kind genoemd. Het uitgangspunt bij het becijferen van deze behoefte is het netto gezinsinkomen van partijen. Om dit netto gezinsinkomen te berekenen sluit de rechtbank in beginsel aan bij de inkomens van partijen in het laatste jaar dat zij nog samen waren.
4.7.
Uit de toelichting van partijen op de mondelinge behandeling blijkt dat hun relatie in januari 2025 is geëindigd. De rechtbank stelt vast dat het laatste volledige jaar dat partijen nog samen waren het jaar 2024 is geweest. De rechtbank zal dan ook aansluiten bij de inkomens van partijen en tarieven in dat jaar.
4.8.
Als productie 3 heeft de vrouw haar jaaropgaaf 2024 ingediend. Uit deze jaaropgaaf volgt een bruto jaarinkomen van € 22.356,=. De man stemt ermee in om van dit inkomen uit te gaan. Uit de bijgevoegde berekening blijkt een netto inkomen van de vrouw in 2024 van
€ 1.863,= per maand.
4.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man in 2024 een Ziektewetuitkering ontving van afgerond € 767,= bruto per week. De rechtbank zal bij dit inkomen aansluiten, met dien verstande dat geen rekening wordt gehouden met een vakantietoeslag. In de Ziektewetuitkering van het UWV is het vakantiegeld al verdisconteerd.
4.10.
Hetgeen partijen verdeeld houdt is, of ook rekening moet worden gehouden met een winst uit onderneming.
4.11.
De man heeft toegelicht dat hij een onderneming drijft, genaamd ‘ [bedrijf] ’. Deze onderneming is nooit goed van de grond gekomen. In 2024 heeft de man een burn-out gekregen, waardoor hij weinig tijd en energie in zijn onderneming heeft kunnen steken. Van enig inkomen uit de onderneming is dan ook geen sprake en de man verwijst hiervoor naar het ingediende overzicht van het bedrijfsresultaat over de jaren 2022 tot en met 2025. Op dit moment beschikt hij nog niet over volledige cijfers, omdat zijn voormalig boekhouder fouten heeft gemaakt. Hij heeft een andere boekhouder in de arm genomen en deze boekhouder is bezig om de cijfers te corrigeren. In de hoofdzaak zal de man alle relevante financiële gegevens indienen.
4.12.
De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van een winst uit onderneming van
€ 72.000,= bruto per jaar. Uit het door de man ingediende overzicht blijkt dat in 2024 een omzet is behaald van € 114.565,=. De vrouw is zich ervan bewust dat op deze omzet nog kosten in mindering moeten worden gebracht, maar zij plaatst haar vraagtekens bij de in het overzicht opgenomen kosten. Ook het uiteindelijke resultaat in 2024, zoals blijkt uit het overzicht, trekt zij in twijfel. De man heeft onvoldoende inzage gegeven in zijn financiële gegevens en dit moet voor zijn rekening en risico komen.
4.13.
De rechtbank stelt voorop dat deze procedure is bedoeld om op korte termijn een aantal naar hun aard tijdelijke ordemaatregelen te treffen. Er is geen ruimte voor een diepgaand onderzoek, zodat partijen de discussie over de juistheid van de financiële gegevens van de onderneming van de man verder in de bodemprocedure zullen moeten voeren. De rechtbank benadrukt dat het op de weg van de man ligt om in de hoofdzaak volledige openheid van zaken te geven. Gelet op de toezegging van de man, wordt ervan uitgegaan dat hij deze openheid ook zal geven. In het kader van deze procedure sluit de rechtbank aan bij een winst uit onderneming in 2024 van € 1.975,=, zoals volgt uit het door de man ingediende overzicht. Uit de bijgevoegde berekening volgt een netto inkomen van de man in 2024 van € 2.401,= per maand.
4.14.
De rechtbank stelt het netto gezinsinkomen van partijen vast op (€ 1.863,= + € 2.401,= =) € 4.264,= per maand. Uit de gehanteerde berekeningssystematiek volgt dat op basis van dit netto gezinsinkomen aanspraak bestaat op een kindgebonden budget van € 451,= per mand, zodat het totale netto gezinsinkomen € 4.715,= per maand bedraagt. Op basis van de tabellen die ontwikkeld zijn om de behoefte van de kinderen vast te stellen en dit gezinsinkomen bedraagt de behoefte van de kinderen in 2024 € 1.222,= per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt deze behoefte in 2025 afgerond € 1.302,= per maand en in 2026 afgerond € 1.361,= per maand.
4.15.
Vervolgens moet worden berekend wat het aandeel van partijen is in de behoefte van de kinderen. Dit wordt ook de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. De rechtbank sluit daarvoor aan bij ieders huidige netto inkomen. De draagkracht van partijen wordt daarna vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in de eerder genoemde aanbevelingen.
Draagkracht van de man
4.16.
De man geeft aan dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van de kinderen te voldoen. De Ziektewetuitkering is per 14 december 2025 geëindigd, omdat hij inmiddels twee jaar ziek is. Hij heeft een WIA-uitkering aangevraagd en in afwachting van de definitieve beslissing op deze aanvraag heeft hij voorschotten ontvangen. Onlangs heeft hij begrepen dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering, waarna hij een WW-uitkering heeft aangevraagd. De ontvangen voorschotten moet hij terugbetalen. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij slechts drie maanden recht heeft op een WW-uitkering, te weten tot 14 maart 2026. Daarna zal hij aangewezen zijn op een bijstandsuitkering, maar het is nog niet zeker of hij deze zal gaan ontvangen omdat hij inwonend is bij zijn moeder.
4.17.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man heeft nagelaten inzage te geven in zijn financiële situatie en zijn stellingen met stukken te onderbouwen. Bij gebrek aan gegevens gaat de vrouw wederom uit van een Ziektewetuitkering van afgerond € 767,= bruto per week en een winst uit onderneming van € 72.000,= per jaar.
4.18.
De rechtbank overweegt als volgt. Ook in het kader van de draagkracht benadrukt de rechtbank dat er geen ruimte is voor een diepgaand onderzoek. Het uitgangspunt in deze procedure is dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken. Uit de stukken volgt dat de Ziektewetuitkering van de man inderdaad per 14 december 2025 is geëindigd en dat hij over de periode van 15 december 2025 tot en met 31 december 2025 en de maand januari 2026 een voorschot op een mogelijke WIA-uitkering heeft ontvangen. Weliswaar heeft de man geen stukken ingediend over de uiteindelijke afwijzing van zijn WIA-aanvraag en zijn stelling dat hij slechts voor drie maanden recht heeft op een WW-uitkering, maar de toelichting van de man komt de rechtbank niet onaannemelijk voor. Wederom wordt benadrukt dat het op de weg van de man ligt om in de hoofdzaak volledige openheid van zaken te geven.
4.19.
Nu de rechtbank de stellingen van de man zal volgen, leidt dit in beginsel tot een berekening van de draagkracht van de man over verschillende periodes, rekening houdend met verschillende vormen van uitkeringen. Op de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man echter aangegeven dat de hoogte van de Ziektewetuitkering en de ontvangen voorschotten van de WIA-uitkering elkaar niet veel ontlopen, zodat uit proceseconomisch oogpunt in deze procedure zal worden aangesloten bij een ZW/WIA-uitkering van afgerond
€ 3.196,= per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Met dit inkomen zal rekening worden gehouden over de periode van 18 september 2025 tot en met 14 maart 2026.
4.20.
Voor wat betreft de winst uit onderneming gaat de rechtbank wederom uit van het overzicht van het bedrijfsresultaat over de jaren 2022 tot en met 2025. Uit dit overzicht blijkt een negatief bedrijfsresultaat van € 1.825,=, zodat hiermee geen rekening wordt gehouden bij de berekening van de draagkracht van de man.
4.21.
Op basis van bovenstaande uitgangspunten bedraagt het netto inkomen van de man over de periode van 18 september 2025 tot en met 14 maart 2026 € 2.398,= per maand.
4.22.
Vanaf 14 maart 2026 houdt de rechtbank rekening met de situatie dat de man een bijstandsuitkering ontvangt. Op grond van de aanbevelingen wordt aan hem in die situatie een draagkracht toegedicht van € 50,= per maand.
4.23.
De man verzoekt zijn draagkrachtloos inkomen te verhogen met een bedrag van
€ 180,= per maand aan aflossing op schulden. Het betreft een schuld aan de gemeente Oosterhout in verband met de terugbetaling van het verstrekte TOZO bedrijfskapitaal. Daarnaast is er ook nog een schuld aan de Belastingdienst. Het betreft een verwachte naheffing van 2024, maar de hoogte van deze schuld staat nog niet vast. Op deze schuld wordt ook nog niet afgelost.
4.24.
De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het meenemen van de aflossing bij het berekenen van de draagkracht van de man. De rechtbank zal dan ook rekening houden met een aflossing van € 180,= per maand op de schuld aan de gemeente Oosterhout. Met een aflossing op de schuld aan de Belastingdienst houdt de rechtbank geen rekening, omdat deze nog niet vaststaat en de man geen standpunt heeft ingenomen over met welk bedrag aan aflossing rekening zou moeten worden gehouden.
4.25.
Rekening houdend met de aflossing bedraagt de draagkracht van de man over de periode van 18 september 2025 tot en met 14 maart 2026 € 132,= per maand. Vanaf
14 maart 2026 heeft de man geen draagkracht meer om een bijdrage te voldoen.
Draagkracht van de vrouw
4.26.
Tussen partijen is niet in geschil dat de draagkracht van de vrouw € 442,= per maand bedraagt.
Draagkrachtvergelijking
4.27.
Wanneer partijen samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan berekent de rechtbank wie welk deel van deze kosten voor zijn rekening moet nemen. Dit wordt ook een ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd. Partijen hebben samen niet genoeg draagkracht om in de volledige behoefte van de kinderen te voorzien. Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege.
4.28.
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Indien met de berekende draagkracht van de ouders niet (geheel) in de behoefte van het kind kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het forfait, zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe geen aanleiding ziet.
4.29.
In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de forfaitaire woonlast. De man heeft verklaard dat hij op dit moment bij zijn moeder inwoont en aan haar € 600,= per maand betaalt. Hoewel de vrouw heeft aangevoerd dat de man dit bedrag niet inzichtelijk heeft gemaakt en zij haar twijfels plaatst bij de hoogte van het bedrag, vindt de rechtbank het aannemelijk dat de man een dergelijk bedrag betaalt. De rechtbank zal daarom voor de berekening van de draagkracht van de man over de periode van 18 september 2025 tot en met 14 maart 2026 uitgaan van een werkelijke woonlast van € 600,= per maand.
4.30.
Uitgaande van de werkelijke woonlast, bedraagt de draagkracht van de man volgens de formule € 216,= per maand over de periode van 18 september 2025 tot en met 14 maart 2026.
Zorgkorting
4.31.
Ten slotte ontvangt de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op de door hem te betalen bijdrage. Deze ouder neemt al een deel van de kosten van een kind voor zijn rekening op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.
4.32.
Op de mondelinge behandeling is gebleken dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de man recht heeft op een zorgkorting van 35% van de behoefte, te weten afgerond
€ 455,= per maand.
4.33.
Nu de draagkracht van partijen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend:
€ 216,= [bedrag volledige draagkracht man] – (€ 456,= [bedrag zorgkorting] - € 322,= [bedrag van de helft van het tekort]) = € 82, per maand, zijnde afgerond € 27,= per maand per kind.
Conclusie
4.34.
Gelet op bovenstaande overwegingen bedraagt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen over de periode van 18 september 2025 tot en met 14 maart 2026 € 27,= per maand per kind. Met ingang van 14 maart 2026 resteert aan de zijde van de man geen draagkracht meer. Het verzoek van de vrouw wordt in zoverre toegewezen.
Aanhechten berekeningen
4.35.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gewaarmerkte exemplaren van deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de man over de periode van 18 september 2025 tot en met 14 maart 2026 aan de vrouw moet voldoen een bijdrage in de kosten van de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ;
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats 2] , en
3. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2020 in [geboorteplaats 1] ,
van € 27,= (zevenentwintig euro) per maand per kind, te vermeerderen met de wettelijke
indexering per 1 januari 2026.
5.2.
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen met
ingang van 14 maart 2026 nader wordt vastgesteld op nihil;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Pulskens, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.