Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2832

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/443669 FA RK 26/52
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en vakantieregeling in het belang van minderjarige kinderen

Partijen, gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over twee minderjarige kinderen, verzochten de rechtbank om wijziging van de zorgregeling en vakantieregeling. De man vroeg om uitbreiding van de contacttijden in de weekenden en doordeweeks, terwijl de vrouw verweer voerde en een zelfstandig verzoek indiende voor een vaste regeling tijdens carnaval en de meivakantie.

De rechtbank nam kennis van de situatie van de kinderen, waaronder de cerebrale parese van de jongste, en de noodzaak van rust en regelmaat. De man wilde meer tijd met de kinderen doorbrengen vanwege hun leeftijd en praktische overwegingen, terwijl de vrouw bezorgd was over de impact op de kinderen en de veiligheidssituatie.

De rechtbank oordeelde dat een beperkte uitbreiding van de contacttijden in het belang van de kinderen is, waarbij het ophalen en terugbrengen ongewijzigd blijft. Het carnavalsweekend wordt vastgesteld als een vast verblijf bij de vrouw. De meivakantie blijft ongewijzigd vanwege de behoefte aan duidelijkheid en rust.

De rechtbank benadrukte het loyaliteitsconflict waarin de kinderen verkeren en de verantwoordelijkheid van de ouders om dit te beperken. De proceskosten worden gecompenseerd door iedere partij de eigen kosten te laten dragen.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de zorgregeling met beperkte uitbreiding van contacttijden en legt het carnavalsweekend vast bij de vrouw.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443669 FA RK 26/52
datum uitspraak: 10 maart 2026
beschikking betreffende wijziging verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.M.J. van Uitert,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2]
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.J.Y.M. Thomas.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 2 januari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 23 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de beschikking van deze rechtbank van 4 april 2024.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 2 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster en stagiair van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.
1.3. Na te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek
.Zij hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt, waarbij [minderjarige 1] daarnaast ook een brief heeft geschreven. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat zij verteld hebben. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad en samengewoond.
- uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012, hierna ook: [minderjarige 1] ,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2014, hierna ook: [minderjarige 2] .
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen.
2.2.
Ingevolge voormelde beschikking is de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd tot het hebben van contact met de minderjarigen in de oneven weken van vrijdag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur en in de even weken van donderdag uit school tot 18.30 uur en gedurende een deel van de vakanties en feestdagen op de wijze zoals in die beschikking in rechtsoverweging 3.11. is vermeld.

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt, samengevat:
- de beschikking van 4 april 2024 te wijzigen, voor zover het betreft de tijden van de reguliere zorgregeling en aldus te bepalen, dat de man en de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met elkaar in de oneven weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 20.00 uur waarbij de man de kinderen op vrijdag om 17.00 uur bij de vrouw ophaalt en de vrouw de kinderen op zondag om 20.00 uur bij de man ophaalt dan wel subsidiair van vrijdag 17.00 uur tot zondag 20.00/20.15 uur waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt en terugbrengt en in de even weken van donderdag uit school tot 20.00 uur, waarbij de man de kinderen uit school ophaalt en de vrouw de kinderen om 20.00 uur bij de man ophaalt dan wel subsidiair tot donderdag 20.00/20.15 uur waarbij de man de kinderen bij de vrouw terugbrengt dan wel meer subsidiair een wijziging in de tijden van de reguliere zorgregeling aan te brengen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht, alsook te bepalen wie de kinderen haalt en brengt.
3.2.
De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht het door de man gedane verzoek af te wijzen. Verder verzoekt de vrouw, bij wege van zelfstandig verzoek:
- te bepalen dat de kinderen voortaan altijd in het weekend van carnaval bij de vrouw zullen verblijven in [woonplaats 2] tot zondagavond 18.30 uur en tevens te bepalen dat de kinderen in de meivakantie steeds een week bij ieder van de ouders verblijven, waarbij de 1e en 2e week jaarlijks wordt gealterneerd.

4.De beoordeling

4.1.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing.
4.2.
Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.3.
De huidige zorgregeling geldt sinds september 2023. Er is volgens de man rust ontstaan omdat partijen zich aan deze regeling houden. Het parallel solo ouderschap (PSO) werkt, op wat onenigheden na. De kinderen gaan inmiddels niet meer naar dezelfde school, [minderjarige 2] zit op de basisschool en [minderjarige 1] op de middelbare school. De man haalt [minderjarige 2] op donderdag om 14.30 uur uit school in [woonplaats 2] en vervolgens [minderjarige 1] 40-50 minuten later bij haar school in [plaats] . [minderjarige 2] en de man verblijven in de tussentijd in de auto. Daarna rijdt de man door naar zijn woning in [woonplaats 1] , waar hij om circa 16.00 uur aankomt. Dan wordt er gegeten en om 18.00 uur zit de man met de kinderen weer in de auto om hen op tijd bij de vrouw af te zetten om 18.30 uur. Er dient én vroeg én snel gegeten te worden en er is nauwelijks tijd voor enige interactie tussen de man en de kinderen. De man wil graag wat meer tijd met de kinderen doorbrengen en daarom verzoekt hij het contactmoment tot 20.00 uur te laten duren. Hetzelfde heeft te gelden voor de weekenden. Op vrijdag kan er dan op het gemak gegeten worden met de kinderen en nog een activiteit ondernomen worden. Dat is nu niet het geval omdat de kinderen pas om 19.00 uur bij het huis van de man zijn en de man en zijn partner dan pas eten. Ook gaat de man regelmatig naar de camping, indien het aanvangstijdstip eerder is, dan is er de mogelijkheid om op vrijdag naar de camping te vertrekken en de tent bij daglicht op te zetten. Niet alleen de oudere leeftijd van de kinderen is een wijziging om de nu geldende zorgregeling op kleine punten aan te passen, maar vooral het feit doordat [minderjarige 1] op de middelbare school zit en later uit is, en er minder tijd met de man kan worden doorgebracht. Deze kleine uitbreiding in tijd zal voor veel rust zorgen voor allemaal (de man, zijn huidige partner en de kinderen). Bovendien is in de beschikking van 4 april 2024 in overweging 3.10. opgenomen dat een uitbreiding van de zorgregeling op termijn tot de mogelijkheden behoort. De vrouw is echter niet bereid om aan de kleine uitbreiding in der minne mee te werken.
4.4.
Met de uitspraak van 4 april 2024 is er relatieve rust ontstaan in de situatie tussen partijen volgens de vrouw. De zorgregeling wordt grotendeels gehandhaafd, maar de onderlinge communicatie tussen partijen laat nog steeds te wensen over. De vrouw betreurt het dat de man deze procedure heeft aangespannen, maar het is tekenend voor de dwingende houding van de man waarop hij bij de vrouw zijn wensen probeert af te dwingen. [minderjarige 2] ondervindt nog steeds beperkingen als gevolg van zijn cerebrale parese (CP). Zo is hij eerder vermoeid en kan hij zijn eigen grenzen niet bewaken ten aanzien van zijn belastbaarheid/vermoeidheid. [minderjarige 2] heeft een volwassene nodig om hem hierin te begrenzen. Rust en regelmaat (voorspelbaarheid) zijn voor hem belangrijk. Voor hem zijn veranderingen ook lastig. Hij is nog steeds in behandeling bij Revant, hij heeft door zijn CP onder andere moeite met het reguleren van zijn emoties. Volgens de vrouw heeft de man geen inzicht in de beperkingen/het ziektebeeld van [minderjarige 2] . [minderjarige 1] gaat op zich goed, al heeft zij nog steeds moeite om voor zichzelf op te komen. [minderjarige 1] vindt vooral haar rust en plezier in haar verzorgpaard, dat zij drie à vier keer per week bezoekt. Dit is een uitlaatklep voor haar. Voor [minderjarige 1] is het belangrijk om juist bij de wisselmomenten naar haar verzorgpaard te kunnen gaan. Helaas is haar eigen verzorgpaard vlak voor de zitting plotseling overleden, maar [minderjarige 1] vindt het nog steeds fijn om andere paarden te verzorgen. [minderjarige 2] moet steeds schakelen na terugkomst van zijn vader. Helaas ervaart de vrouw ook dat de man de kinderen doorgaans niet laat deelnemen aan voor hen belangrijke sociale activiteiten in [woonplaats 2] als ze bij hem verblijven.
4.5.
De gewenste tijden van de man schaden volgens de vrouw de belangen van de kinderen. Er is ook geen aanleiding voor een wijziging, nu er geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. Dat [minderjarige 1] op de middelbare school zit maakt dat niet anders. [minderjarige 1] krijgt steeds meer haar eigen leven en brengt minder tijd met beide ouders door. De zorgregeling zoals deze nu geldt biedt structuur en rust voor de kinderen en [minderjarige 1] kan ook naar een verzorgpaard voorafgaande en/of na afloop van contactmomenten. Indien het eindtijdstip naar 20.00 uur gaat is er geen moment meer voor rust, vooral voor [minderjarige 2] is dit erg belangrijk. De vrouw is tevens niet bereid en in staat om de kinderen naar de man te brengen of op te halen. De vrouw voelt zich, gelet op de gebeurtenissen uit het verleden, niet veilig in de omgeving van de man. Verder is [minderjarige 1] op donderdag nu om 13.30 uur uit, haar rooster wisselt ieder trimester en daarnaast heeft zij geregeld lesuitval. Beide ouders hebben daar rekening mee te houden. Het is ook de vrije keuze van de man geweest om naar [woonplaats 1] te verhuizen en niet in de omgeving van [woonplaats 2] te blijven wonen. Dit kan niet als argument gebruikt worden om de zorgregeling te wijzigen. De huidige regeling dient gehandhaafd te worden.
4.6.
De vrouw wenst graag wijziging van de carnavalsvakantie, nu de kinderen zelf bij haar aangeven graag het weekend van carnaval door te kunnen brengen in [woonplaats 2] samen met hun vrienden en vriendinnen. Er moeten nu ieder jaar afwijkende afspraken worden gemaakt, dat is onzeker voor de kinderen en leidt vaak tot discussie tussen de man en de vrouw. Het is in het belang van de kinderen dat zij met carnaval in [woonplaats 2] kunnen zijn.
Daarnaast wil de vrouw graag dat de meivakantie zou alterneren, zodat de kinderen ook op Koningsdag weleens bij haar zijn.
4.7.
Hoewel de rechtbank de zorgen van de vrouw heeft gehoord en de rechtbank de aandoening van [minderjarige 2] serieus neemt, ziet de rechtbank aanleiding om het aanvangstijdstip in de oneven weken op de vrijdag om 17.45 uur in te laten gaan, tot zondag 19.15 uur. De rechtbank zal verder bepalen dat in de even weken het contactmoment op donderdag uit school aanvangt tot 19.15 uur. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de stress die komt kijken bij alles snel en gehaast moeten doen, meer belastend is, ook voor de kinderen, dan op een rustig tempo het contactmoment te laten verlopen. Daar komt bij dat de kinderen nu ouder zijn en dat zij, mede gelet op de toekomst, meer aan zouden moeten kunnen. Gelet op deze relatief kleine uitbreiding van de huidige reguliere zorgregeling, blijft er tijd over voor beide kinderen om aan het einde van het contactmoment bij de vrouw thuis te kunnen schakelen voor de nacht en de volgende dag. Gelet op de schooltijden van beide kinderen op vrijdag, bestaat er ook voldoende ruimte om de week af te sluiten bij de vrouw alsmede dat [minderjarige 1] nog even naar een verzorgpaard kan. Voorts kunnen de kinderen wennen aan en groeien in deze uitbreiding, die in tijd beperkt is. Daarnaast blijft het halen en brengen hetzelfde. Dat wil zeggen dat de man de kinderen op vrijdag ophaalt bij de vrouw en op zondag ook weer terugbrengt bij de vrouw. Op donderdag haalt de man de kinderen uit school en brengt ze ook weer terug naar de vrouw om 19.15 uur. De vrouw heeft haar redenen waarom zij niet in staat is de kinderen bij de man te brengen of op te halen. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat zij, nu zij toch al in een loyaliteitsconflict verkeren, zo min mogelijk bloot worden gesteld aan de emoties en spanningen van de ouder(s).
4.8.
Voor wat betreft het weekend van carnaval zijn beide partijen het erover eens dat de kinderen dan altijd bij de vrouw zullen zijn. De kinderen zijn in dat weekend dan altijd bij de vrouw tot zondag 18.30 uur. Dit weekend is in het geval de kinderen volgens de reguliere regeling bij de man zouden verblijven, de
enigeuitzondering op de reguliere weekendregeling.
4.9.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de regeling voor wat betreft de meivakantie, zoals door de vrouw verzocht, te wijzigen. Dit zorgt namelijk voor onduidelijkheid, spanning en onrust tussen partijen. Daar hebben de kinderen last van. Zij hebben behoefte aan duidelijkheid en dat er zo min mogelijk ruis tussen hun ouders plaatsvindt. Partijen bevinden zich helaas niet op het niveau dat zij soepel met de reguliere zorgregeling en verdeling van de vakanties om kunnen gaan, in die zin dat zij makkelijk met elkaar het overleg kunnen voeren om te wisselen van vakantie of weekend. Beide partijen hebben aangegeven dat er (relatieve) rust is ontstaan doordat zij zich aan de vastgestelde zorgregeling houden. Mede gelet op het loyaliteitsconflict waarin de kinderen zich bevinden, dient vastgehouden te worden aan de vastgestelde regeling en wisselingen die daarbij horen.
4.10.
Voorts is ter zitting, in het licht van de gedane verzoeken, nog gesproken over het streven van partijen dat zij de kinderen zoveel mogelijk deel laten nemen aan de sociale activiteiten die in de woonplaats van de kinderen plaatsvinden. Het gaat daarbij niet over de sport, maar over andere sociale activiteiten. De vrouw is van mening dat de kinderen te vaak daaraan niet kunnen deelnemen indien ze bij de man verblijven. De man daarentegen is van mening dat hij deelname aan sociale activiteiten van de kinderen zoveel als mogelijk faciliteert, echter dat de hij in het weekend dat de kinderen bij hem verblijven ook weleens andere activiteiten heeft gepland. Naar het oordeel van de rechtbank is het een goed streven van partijen dat de kinderen zoveel als mogelijk deelnemen aan sociale activiteiten in hun woonplaats. Echter het is een streven en in de huidige situatie zullen de kinderen weleens wat activiteiten missen, omdat dat nu eenmaal inherent is aan het hebben van gescheiden ouders.
4.11.
Ook al hebben partijen ter zitting aangegeven dat ze het moeilijk vinden en het op hen drukt dat de kinderen zich in een loyaliteitsconflict bevinden, wil de rechtbank benadrukken -zoals zij ook ter zitting heeft gedaan- dat de ouders hiervoor verantwoordelijk zijn. De kinderen hebben last van de situatie en zijn zich terdege bewust van het feit dat ouders niet in staat zijn om gezamenlijk afspraken over hen te maken. De kinderen hebben het gevoel dat zij nu de beslissingen moeten nemen en moeten kiezen. Die verantwoordelijkheid, die geenszins bij hen thuishoort, vinden ze niet leuk en ze hebben daar last van. De rechtbank heeft duidelijk aangegeven bij beide kinderen dat zij niet hoeven te kiezen of te beslissen. Als ouders daartoe niet in staat zijn, zal de rechtbank een beslissing nemen. De rechtbank vindt het wel betreurenswaardig -met name voor de kinderen- dat ouders nog altijd niet in staat zijn om dit gevoel bij de kinderen weg te nemen.
4.12.
Gelet op de relatie van partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank:
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 4 april 2024 als volgt:
5.1.
bepaalt dat de man en de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2014,
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in de oneven weken van vrijdag 17.45 uur tot zondag 19.15 uur en in de even weken van donderdag uit school tot 19.15 uur, waarbij de man de kinderen op vrijdag ophaalt bij de vrouw en op donderdag ophaalt uit school en op zondag en donderdagavond weer terugbrengt naar de vrouw;
5.2.
bepaalt dat genoemde minderjarigen in het weekend van carnaval altijd bij de vrouw verblijven tot zondag 18.30 uur;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.