ECLI:NL:RBZWB:2026:2833

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/443914 FA RK 26-183
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Benjaddi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toevertrouwing en zorgregeling met vaststelling kinderalimentatie

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 19 februari 2026 een verzoek tot voorlopige voorzieningen in een familierechtelijke zaak tussen een vrouw en een man. De vrouw verzocht om toevertrouwing van de drie minderjarige kinderen aan haar, vaststelling van kinder- en partneralimentatie, terwijl de man een zorgregeling wilde vastleggen.

De rechtbank wees de toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw toe, omdat de man hiermee instemde en het belang van de kinderen dit niet tegenstond. Partijen bereikten tijdens de zitting overeenstemming over een voorlopige zorgregeling met een gedetailleerde verdeling van zorgweken, vakanties en feestdagen, behalve de kerstvakantie die in een hulpverleningstraject verder wordt besproken.

De rechtbank berekende de behoefte van de kinderen op €602 per maand per kind en stelde de draagkracht van de man en vrouw vast op respectievelijk €953 en €714 per maand. Gezien de totale draagkracht lager was dan de behoefte, werd de kinderbijdrage van de man vastgesteld op €191 per maand per kind, ingaande 1 januari 2026. Het verzoek tot partneralimentatie werd afgewezen wegens gebrek aan draagkracht bij de man.

De beschikking bevatte tevens een uitgebreide motivering van de financiële berekeningen en de zorgregeling, waarbij rekening werd gehouden met inkomensgegevens, woonlasten en zorgkorting. De uitspraak werd in het openbaar gegeven door rechter Benjaddi.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige toevertrouwing toe aan de vrouw, legt een zorgregeling vast en bepaalt de kinderalimentatie op €191 per maand per kind, terwijl partneralimentatie wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443914 FA RK 26-183
datum uitspraak: 19 februari 2026
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. Th. Kremers,
en
[de man],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.A.M.L. van Osch.
1. Het procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 13 januari 2026 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
- het op 29 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;
- de brief van mr. Kremers van 3 februari 2026, met bijlagen;
- de brief van mr. Van Osch van 4 februari 2026, met bijlage.
1.1. De zaak is behandeld op de zitting van 5 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2.De verzoeken

2.1.
De vrouw verzoekt:
- toevertrouwing van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013;
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016;
[minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2022,
aan haar;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 380,= per maand per kind, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeend te behoren;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 3.500,= per maand, met ingang van 1 januari 2026, althans een zodanige datum als de rechtbank juist acht (indiening verzoek tot echtscheiding 22 november 2025) en een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeend te behoren.
2.2.
De man verzoekt vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling).

3.De beoordeling

Toevertrouwing van de kinderen
3.1.
Aangezien de man heeft aangegeven in te stemmen met het verzoek van de vrouw de kinderen aan haar toe te vertrouwen in de voorlopige voorzieningen en niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hier niet tegen verzet, zal dit verzoek als op de wet gegrond en niet weersproken worden toegewezen.
De zorgregeling
3.2.
Tijdens een schorsing van de zitting is het partijen gelukt om afspraken te maken over een voorlopige reguliere zorgregeling en verdeling van een deel van de vakanties en feestdagen.
Deze afspraken zijn als volgt:
- reguliere zorgregeling: de kinderen verblijven alle drie de ene week van donderdagavond tot en met zaterdagavond bij de man, in de andere week verblijven [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van donderdagavond tot en met zaterdagavond bij de man en [minderjarige 1] verblijft dan van donderdagavond tot en met zondagavond bij de man;
- zomervakantie: de kinderen zijn in de even jaren gedurende weken 1, 3 en 4 van de schoolvakanties bij de man en in weken 2, 5 en 6 bij de vrouw. In de oneven jaren is dit andersom. Partijen hebben afgesproken dat de man in de zomervakantie niet met de kinderen naar het buitenland op vakantie zal gaan;
- herfst- en carnavalsvakantie: de reguliere zorgregeling loopt door;
- meivakantie: de kinderen zijn in de oneven jaren in de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw, in de even jaren is het andersom. Voor dit jaar (2026) heeft te gelden dat [minderjarige 3] en [minderjarige 2] in de eerste week met de vrouw op vakantie gaan, [minderjarige 1] blijft de eerste week bij de man en in de tweede week verblijven alle drie de kinderen bij de man. Het wisselmoment in verband met de vakantie van de vrouw is bij partijen bekend;
- Sinterklaas, Pasen, Pinksteren, Koningsdag, Hemelvaart: de reguliere zorgregeling loopt door;
- Vaderdag en Moederdag: de kinderen zijn bij de betreffende ouder op die dag vanaf de voorgaande zaterdag om 17:30 uur.
3.3.
De rechtbank komt deze afspraken niet ongegrond voor en acht deze in het belang van de kinderen, zodat een zorgregeling zal worden vastgelegd overeenkomstig de gemaakte afspraken.
3.4.
Tussen partijen is nog in geschil de verdeling van de kerstvakantie. De rechtbank zal daarover nu geen beslissing nemen en overweegt daartoe als volgt. Uit de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting is besproken volgt dat partijen gaan starten met een hulpverleningstraject bij De Gezinsmanager. Partijen hebben tijdens de zitting aangegeven dat deze maand de eerste gesprekken zijn gepland. In dat hulpverleningstraject zal onder andere ook gesproken worden over de verdere vormgeving van de zorgregeling, waaronder ook de verdeling van de vakanties. De rechtbank gaat ervan uit dat het partijen zal lukken in dat traject ook afspraken te maken over de kerstvakantie. Dit deel van het verzoek van de man zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
Kinderalimentatie
3.5.
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat de kinderen behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen.
3.6.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.7.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Behoefte van de kinderen
3.8.
Voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. Tussen partijen staat vast dat daarbij moet worden uitgegaan van het peiljaar 2024. Hoewel zij uitgaan van verschillende inkomensgegevens, komen zij wat betreft het NBGI beiden uit boven de maximale inkomensgrens van € 6.000,= per maand of hoger volgend uit de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ van 2024. Bij dat inkomen hoort een behoefte van € 1.620,= per maand voor drie kinderen. Inclusief wettelijke indexeringen bedraagt de behoefte in 2026 dan € 1.805,= per maand voor drie kinderen, oftewel € 602,= per maand per kind.
Draagkracht van de vrouw
3.9.
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de kinderen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
3.10.
Voor de becijfering van de draagkracht van de vrouw zijn partijen het erover eens dat moet worden uitgegaan van haar inkomen zoals volgt uit haar loonstrook van december 2025 (productie 4 van de vrouw) ter hoogte van afgerond € 29.006,= per jaar.
3.11.
Ter zitting is het eigen woningforfait besproken. De man heeft hier in zijn berekening rekening mee gehouden. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal hier aan de zijde van de vrouw enkel rekening mee houden voor het bepalen van de hoogte van het kindgebonden budget, conform de aanbevelingen van de Expertgroep. Daarom neemt de rechtbank in de berekening een eigen woningforfait met een aandeel van 50% op basis van een WOZ waarde van € 708.000,= en een hypotheekrente van €2.000,= per jaar mee. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting), en de verschuldigde inkomstenbelasting. Met dit inkomen komt de vrouw in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 11.880,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.407,= per maand.
3.12.
Zoals uit het hiernavolgende zal blijken is sprake van een tekort aan draagkracht om volledig in de kosten van de kinderen te voorzien. In dat geval heeft te gelden dat indien er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, er reden
kanzijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen (Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586). De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de woonlasten van de vrouw duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, zodat rekening moet worden gehouden met haar werkelijke woonlasten ter hoogte van € 297,= per maand, bestaande uit rente betreffende de hypothecaire geldlening en verzekeringen. De vrouw heeft op zitting toegelicht dat haar woonlasten uit meer lasten bestaan dan enkel de door de man opgevoerde rente en verzekeringen. De rechtbank acht dit ook aannemelijk. Onder woonlasten vallen namelijk niet alleen de door de man genoemde lasten, maar ook gemeentelijke- en waterschapslasten, onderhoudskosten van de woning en eventuele lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan de vrouw vanuit de bijstandsnorm kan voldoen. Gelet daarop en op de hoogte van het woonbudget van de vrouw van € 725,= per maand, zal de rechtbank geen rekening houden met een bedrag lager dan het woonbudget.
3.13.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 714,= per maand.
Draagkracht van de man
3.14.
De man is directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. Deze holding houdt 50% van de aandelen van de werkmaatschappij [bedrijf 2] B.V. Tussen partijen staat vast dat voor de becijfering van de draagkracht van de man in ieder geval moet worden gerekend met het inkomen dat de man ontvangt als directeur-grootaandeelhouder ter hoogte van € 72.399,= per jaar (waarbij rekening is gehouden met zijn arbeidsongeschiktheids- verzekering).
3.15.
Tussen partijen is in geschil of daarnaast rekening moet worden gehouden met een inkomen vanuit de door partijen opgezette basisschool, waar de man gedurende een periode bestuurder was. De rechtbank zal in het kader van deze procedure, waarin het gaat om een ordemaatregel voor de duur van de echtscheidingsprocedure, geen rekening houden met dat inkomen. Uit dient te worden gegaan van de huidige, feitelijke, situatie. Tussen partijen staat vast dat de man op dit moment geen bestuurder meer is van de school en daaruit geen inkomen ontvangt. Of sprake is van verwijtbaar inkomensverlies kan in de bodemprocedure aan de orde worden gebracht.
3.16.
Tot slot is tussen partijen in geschil of naast voormeld inkomen ook rekening moet worden gehouden met een dividenduitkering vanuit zijn onderneming. De vrouw stelt, onder verwijzing naar de financiële gegevens van de man en het door haar opgestelde overzicht (productie 8 van de vrouw), dat de man in staat moet zijn jaarlijks minimaal € 100.000,= aan dividend te laten uitkeren. De man betwist dit.
3.17.
Uit de overgelegde stukken volgt dat de man in 2020 en 2021 respectievelijk € 25.000,= en € 526.675,= heeft laten uitkeren aan dividend. Tussen partijen staat vast dat zij daarmee grotendeels de hypothecaire geldlening, verbonden aan de gemeenschappelijke woning, hebben afgelost waar de vrouw momenteel alleen verblijft. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat geen sprake is van een structurele jaarlijkse dividenduitkering aan de man, maar dat een grote uitkering heeft plaatsgevonden met een duidelijk bestedingsdoel. De vraag of de man wel structureel dividend aan zichzelf zou moeten uitkeren en welk bedrag dit dan zou moeten zijn leent zich niet voor beoordeling in deze procedure.
Er is in deze procedure geen plaats voor een diepgaand onderzoek naar de financiële cijfers van de eerder genoemde B.V.’s. Een dergelijk onderzoek kan eventueel in de bodemprocedure plaatsvinden. In het kader van deze procedure ziet de rechtbank echter, gelet op het voorgaande, geen aanleiding rekening te houden met enige uitkering aan dividend.
3.18.
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 3.894,= per maand. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 953,= per maand.
Geen draagkrachtvergelijking
3.19.
Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van de onderhoudsplichtigen (€ 1.667,= per maand) lager is dan de hiervoor becijferde behoefte van de kinderen (€ 1.802,= per maand).
Zorgkorting
3.20.
Gelet op de overeengekomen zorgregeling heeft de man afgerond gemiddeld twee dagen per week de zorg voor de kinderen, zodat een zorgkorting geldt van 25%. Nu de behoefte van de kinderen € 602,= per kind per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 150,= per kind per maand.
3.21.
Aangezien de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort gelijkelijk over de onderhoudsplichtigen verdeeld. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 318,= [bedrag volledige draagkracht man per kind] – (€ 150,= [bedrag zorgkorting per kind] - € 23,= [bedrag van de helft van het tekort per kind]) = € 191,= per maand per kind.
Conclusie
3.22.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage vaststellen op € 191,= per maand per kind. Partijen zijn het erover eens dat de verplichting tot betaling van deze bijdrage ingaat op 1 januari 2026.
Partneralimentatie
3.23.
Uitgaande van hetgeen hiervoor onder 3.14 tot en met 3.18 is overwogen wat betreft het inkomen van de man en rekening houdend met de hiervoor becijferde bijdrage in de kosten van de kinderen, acht de rechtbank bij de man geen draagkracht aanwezig een bijdrage te voldoen ten behoeve van de vrouw. De rechtbank verwijst daarbij naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Gelet daarop zal de rechtbank ook niet nader ingaan op de huwelijksgerelateerde behoefte en aanvullende behoefte van de vrouw.
3.24.
Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partnerbijdrage wordt gelet op het voorgaande afgewezen.
Aanhechten berekeningen
3.25.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016,
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2022;
4.2.
bepaalt dat de man en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar volgens de volgende reguliere regeling:
- in de ene week verblijven alle drie de kinderen van donderdagavond tot en met zaterdagavond bij de man;
- in de andere week verblijven [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van donderdagavond tot en met zaterdagavond bij de man en [minderjarige 1] verblijft van donderdagavond tot en met zondagavond bij de man.
De vakanties en feestdagen worden als volgt verdeeld tussen partijen:
- zomervakantie: kinderen zijn in de even jaren gedurende weken 1, 3 en 4 van de schoolvakanties bij de man en in weken 2, 5 en 6 bij de vrouw. In de oneven jaren is dit andersom. Waarbij de man in de zomervakantie niet met de kinderen naar het buitenland op vakantie zal gaan;
- herfst- en carnavalsvakantie: de reguliere zorgregeling loopt door;
- meivakantie: de kinderen zijn in de oneven jaren in de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw, in de even jaren is het andersom. Voor dit jaar (2026) heeft te gelden dat [minderjarige 3] en [minderjarige 2] in de eerste week met de vrouw op vakantie gaan, [minderjarige 1] blijft de eerste week bij de man en in de tweede week verblijven alle drie de kinderen bij de man. Het wisselmoment in verband met de vakantie van de vrouw is bij partijen bekend;
- Sinterklaas, Pasen, Pinksteren, Koningsdag, Hemelvaart: de reguliere zorgregeling loopt door;
- Vaderdag en Moederdag: de kinderen zijn bij de betreffende ouder op die dag vanaf de voorgaande zaterdag om 17:30 uur;
4.3.
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen met ingang van 1 januari 2026 wordt vastgesteld op € 191,= (honderdéénennegentig euro) per maand per kind, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
4.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.