ECLI:NL:RBZWB:2026:2834

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/443926 FA RK 26-188
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Benjaddi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking voorlopige voorzieningen bij zorg- en omgangsregeling minderjarigen

De vrouw verzocht de rechtbank om voorlopige voorzieningen te treffen betreffende de zorg voor hun twee minderjarige kinderen, het exclusieve gebruik van de echtelijke woning en een onderhoudsbijdrage van €895 per maand per kind. Vanwege de Turkse nationaliteit van de vrouw beoordeelde de rechtbank ambtshalve de internationale bevoegdheid en toepasselijkheid van Nederlands recht, en concludeerde bevoegd te zijn.

Partijen bereikten vervolgens overeenstemming over de voorlopige voorzieningen. De vrouw zou de zorg over de kinderen krijgen, de man zou omgangsrecht krijgen conform een regeling met weekend- en woensdagbezoeken, en de man zou een onderhoudsbijdrage van €250 per kind per maand betalen met ingang van 1 februari 2026. De vrouw kreeg het exclusieve gebruik van de echtelijke woning en de inboedel.

De rechtbank vond de afspraken niet ongegrond en niet strijdig met het belang van de kinderen. De oorspronkelijke verzoeken van de vrouw werden ingetrokken en de rechtbank besloot schriftelijk overeenkomstig de gemaakte afspraken. Het meer of anders verzochte werd afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorzieningen toe conform de gemaakte afspraken tussen partijen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443926 FA RK 26-188
datum uitspraak: 20 februari 2026
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. Ü. Ögüt,
en
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. S. van Reeven-Özer.
1. Het procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 13 januari 2026 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
- de brief van mr. Ögüt van 4 februari 2026;
- de brief van mr. Van Reeven-Özer van 4 februari 2026;
- het F9-formulier van mr. Van Reeven-Özer van 17 februari 2026;
- het F9-formulier van mr. Ögüt van 17 februari 2026.

2.Het verzoek

2.1.
De vrouw verzocht aanvankelijk:
- toevertrouwing aan haar van de minderjarigen:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2024;
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan de [adres] (hierna: de echtelijke woning) door haar;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 895,= per maand per kind.

3.De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
3.1.
Vanwege de Turkse nationaliteit van de vrouw heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die ambtshalve beoordeeld.
De rechtbank is van oordeel dat zij internationaal bevoegd is om te beslissen op de verzoeken van de vrouw en dat zij naar Nederlands recht dient te beslissen op die verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling
3.2.
Bij brief van 4 februari 2026 is namens de vrouw bericht dat partijen afspraken hebben gemaakt in het kader van de voorlopige voorzieningen. Deze afspraken zijn als volgt:
de minderjarigen worden toevertrouwd aan de vrouw;
het voorgezet gebruik van de echtelijke woning, alsmede de zich daarin bevindende inboedelgoederen, gaat naar de vrouw, met uitsluiting van de man;
er geldt een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waarbij de kinderen één keer per veertien dagen bij de man verblijven van vrijdagmiddag 16:00 uur tot zondagavond 18:00 uur. In de week waarin de kinderen niet in het weekend bij de man verblijven, verblijven zij op woensdagmiddag van 14:45 uur tot donderdagochtend voor school bij de man. Deze regeling heeft als uitgangspunt flexibiliteit, aangezien [minderjarige 2] nog niet wil overnachten bij de man;
de man voldoet aan de vrouw een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen van € 250,= per kind per maand.
De vrouw verzoekt overeenkomstig deze verzoeken te beslissen en trekt haar oorspronkelijk ingediende verzoeken in. Zij verzoekt de zaak schriftelijk af te doen.
3.3.
Bij brief van 4 februari 2026 is namens de man bevestigd dat partijen overeenstemming hebben bereikt in het kader van de voorlopige voorzieningen zoals door de advocaat van de vrouw opgenomen in haar brief en verzoekt de rechtbank overeenkomstig die afspraken te beslissen. Ook de man verzoekt de zaak schriftelijk af te doen.
3.4.
Op 17 februari 2026 is namens de vrouw en namens de man afzonderlijk bericht dat zij hebben afgesproken dat de ingangsdatum voor de bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen 1 februari 2026 zal zijn.
3.4.
Nu partijen overeenstemming hebben bereikt en verzoeken de zaak schriftelijk af te doen, zal de rechtbank beslissen op de (gewijzigde) verzoeken op grond van de overgelegde stukken. De geplande zitting op 5 februari 2026 heeft gelet daarop geen doorgang gevonden.
3.5.
De gemaakte afspraken komen de rechtbank niet ongegrond voor en niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich verzet tegen deze afspraken. Gelet daarop zal de rechtbank de (gewijzigde) verzoeken van de vrouw toewijzen op onderstaande wijze. Het meer of anders verzochte heeft de vrouw ingetrokken, daarom zal dat worden afgewezen.

4.De beslissing

de rechtbank:
4.1.
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2024;
4.2.
bepaalt dat de man en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- één keer in de veertien dagen van vrijdagmiddag 16:00 uur tot zondagavond 18:00 uur;
- in de week waarin de kinderen niet in het weekend bij de man verblijven: van woensdagmiddag 14:45 uur tot donderdagochtend voor school;
- één en ander met inachtneming van hetgeen is opgenomen in 3.2, onder 3.;
4.3.
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen per 1 februari 2026 wordt vastgesteld op € 250,= (tweehonderdvijftig euro) per maand per kind, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
4.4.
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan de [adres] ;
4.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026