Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2837

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
24/8317 WW
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WWArt. 15 WWArt. 22a WWArt. 36 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband

Eiseres ontving een WW-uitkering over de periode van 1 februari 2018 tot en met 29 februari 2020. Het UWV stelde na onderzoek vast dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband met [B.V.], waardoor eiseres niet als werknemer in de zin van de WW werd beschouwd. Het UWV trok de uitkering in en vorderde het bedrag van €30.264,25 bruto terug.

Eiseres voerde aan dat het UWV onvoldoende bewijs had geleverd en dat er wel degelijk sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Zij stelde dat loon werd betaald, persoonlijke arbeid werd verricht en er een gezagsverhouding bestond. Ook stelde zij dat het terugvorderen disproportioneel was gezien haar persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank oordeelde dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat het dienstverband gefingeerd was, mede op basis van een onderzoeksrapport met diverse feiten en inconsistenties in de verklaringen van eiseres. Eiseres leverde onvoldoende objectief tegenbewijs. Het beroep werd ongegrond verklaard en het terugvorderingsbedrag werd bevestigd. De rechtbank vond geen dringende redenen om van terugvordering af te zien en wees het beroep af.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht de WW-uitkering ingetrokken en teruggevorderd wegens een gefingeerd dienstverband.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/8317 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I. Oztas),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder
(gemachtigde: mr. M.B.A. van Grinsven).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en terugvordering van aan eiseres verstrekte WW-uitkering. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht het recht op uitkering van eiseres heeft ingetrokken en aan haar verstrekte uitkering van eiseres heeft teruggevorderd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 4 maart 2024 (primair besluit) heeft het UWV het recht van eiseres op over de periode van 1 februari 2018 tot en met 29 februari 2020 ontvangen WW-uitkering ingetrokken en een bedrag van € 30.264,25 bruto van haar teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 21 november 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij het besluit tot intrekking en terugvordering gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres zou van 1 februari 2017 tot en met 31 januari 2018 en van 1 februari 2020 tot en met 31 maart 2021 bij [B.V.] ( [B.V.] ) hebben gewerkt.
3.1
Over de periodes 5 februari 2018 tot en met 4 februari 2020 en 1 juli 2022 tot en met 30 september 2022 heeft eiseres een WW-uitkering ontvangen van het UWV.
3.2.
Naar aanleiding van een interne melding heeft het UWV een onderzoek ingesteld naar het dienstverband van eiseres bij [B.V.] ( [B.V.] ) en de rechtmatigheid van de aan eiseres toegekende WW-uitkering vanwege het vermoeden van een gefingeerd dienstverband. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek (Onderzoeksrapport) van 10 januari 2024. In het rapport is op basis van de onderzoeksgegevens geconcludeerd dat eiseres niet werkzaam is geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij [B.V.] , maar dat sprake was van een gefingeerd dienstverband. Eiseres was daarom volgens het UWV niet als werknemer verzekerd voor de werknemersverzekeringswetten. Met het primaire besluit heeft het UWV daarom het recht op WW-uitkering van eiseres ingetrokken en de aan haar over dc periode van 1 februari 2018 tot en met 29 februari 2020 verstrekte uitkering teruggevorderd. Het terugvorderingsbedrag bedraagt € 30.264,25 bruto.
3.3.
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
3.4.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Standpunt van eiseres
4. Eiseres heeft aangevoerd dat het UWV er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat sprake is van een gefingeerd dienstverband. Door zowel het selectief gebruiken van verklaringen, het onverklaard negeren van tegenstrijdigheden als het nalaten van relatief eenvoudige verificaties, heeft het UWV het besluit onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. Gedurende de bezwaarprocedure heeft eiseres verklaringen van zowel haar voormalig werkgever, de heer [naam 1] , als van de operationeel directeur, de heer [naam 2] en andere stukken overgelegd die haar standpunt ondersteunen dat er geen sprake was van een gefingeerd dienstverband. Naar de mening van eiseres heeft het UWV onvoldoende onderbouwd waarom aan deze verklaringen weinig gewicht wordt toegekend. In het geval van eiseres is aan de voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking voldaan (loonbetaling, verrichten van persoonlijke arbeid en gezagsverhouding). Uit de bankafschriften blijkt dat eiseres structureel loon heeft ontvangen. Dat sommige bedragen in een later stadium door eiseres zijn teruggestort, doet aan dit karakter niets af, aangezien het hier terugbetalingen betrof van een lening die zij van de werkgever had ontvangen. Voorts blijkt uit de verklaringen dat eiseres daadwerkelijk persoonlijke arbeid heeft verricht: zij begeleidde nieuwe werknemers, fungeerde als aanspreekpunt voor werknemers van diverse nationaliteiten, verrichte vertaalwerkzaamheden en onderhield ook buiten werktijd contact met medewerkers. Bovendien stond eiseres onder instructie en toezicht van haar werkgever en diende zij verantwoording af te leggen over haar werkzaamheden.
Het UWV stelt dat toestemming is verleend voor het Openbaar Ministerie (OM) voor verdere gegevensverstrekking, maar ieder bewijs daarvan ontbreekt. Nu daarmee de rechtmatigheid niet kan worden getoetst, dienen de politiegegevens buiten beschouwing te blijven. Er had getoetst moeten worden aan het evenredigheidsbeginsel. Daarnaast biedt de hardheidsclausule ruimte om van het toepasselijke beleidsregime af te wijken. Een terugvordering van ruim € 30.000 is niet alleen financieel, maar ook sociaal en psychisch buitenproportioneel. De combinatie van psychische ontwrichting, intimidatie en afhankelijk enerzijds, de lange periode van onzekerheid anderzijds, en het feit dat het OM geen grond zag voor strafrechtelijke vervolging, vormt volgens eiseres een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Tot slot heeft eiseres gesteld dat de volledige terugvordering van € 30.264,25 bruto een disproportionele financiële last op haar legt, gezien haar persoonlijke omstandigheden.
Wettelijk kader
5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Intrekking
6. De rechtbank moet beoordelen of het UWV terecht heeft gesteld dat eiseres geen recht had op een WW-uitkering in de periode van 1 februari 2018 tot en met 29 februari 2020.
6.1.
De vraag die beantwoord dient te worden, is of het UWV aannemelijk heeft gemaakt dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiseres en [B.V.] , maar van een gefingeerd dienstverband. Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. [1]
6.2.
Bij, zoals in dit geval, besluiten tot intrekking met terugwerkende kracht van een reeds verstrekte uitkering en terugvordering daarvan, is het aan het bestuursorgaan om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. [2] Het is dus aan het UWV om feiten aan te dragen die aannemelijk maken dat in de relevante periode, 1 februari 2017 tot en met 31 januari 2018, geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiseres en [B.V.] . Wanneer op grond van de door het UWV gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiseres ten tijde hier van belang geen dienstbetrekking in de zin van de WW vervulde, ligt het vervolgens op de weg van eiseres om de onjuistheid van dit uitgangspunt met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken. De bewijslast rust dus op het UWV, maar het is niet zo dat het UWV moet aantonen dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband. Het aannemelijk maken volstaat.
6.3.
Uit het Onderzoeksrapport blijkt dat eiseres verschillende verklaringen heeft afgelegd over de inhoud van haar werkzaamheden. Tegenover de politie heeft eiseres in eerste instantie verklaard dat het om een dienstverband op papier ging om een hypotheek te verkrijgen, maar later heeft zij tegen de politie gezegd dat zij vertaalwerkzaamheden voor [B.V.] heeft verricht. Bij het UWV heeft eiseres verklaard als personal assistant te hebben gewerkt, terwijl in de arbeidsovereenkomst als functie “Hoofd Personeelszaken” staat vermeld. Eiseres heeft bij het UWV Werkbedrijf weer een andere functie genoemd, namelijk die van administratief medewerkster. Volgens eiseres bestond haar werk uit het contact hebben met en begeleiden van nieuwe medewerkers. Het zou volgens eiseres gaan om eens of tweemaal per maand een groep van vier tot vijf personen, maar uit de polis-administratie blijkt dat tijdens de dienstverbanden van eiseres per maand hooguit één nieuwe medewerker in dienst trad bij [B.V.] . Voorts blijkt uit het onderzoeksrapport dat eiseres weliswaar loon betaald heeft gekregen, maar dat zij dit in de maanden juli 2017 tot en met december 2017 na ontvangst direct weer teruggestort heeft op de rekening van de heer [B.V.] of zijn ex-echtgenote. Bovendien heeft eiseres in totaal een bedrag van € 13.155,74 aan loon ontvangen en heeft zij een bedrag van € 14.958,05 teruggestort. Daarnaast is vastgesteld dat de eerste loonbetaling dateert van 26 mei 2017, terwijl eiseres volgens de arbeidsovereenkomst op 1 januari 2017 al in dienst zou zijn getreden. Tot slot is niet gebleken dat eiseres over de maanden april en mei 2020 loon heeft ontvangen.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV met dit rapport aannemelijk heeft gemaakt dat tijdens de in geding zijnde periode geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiseres en [B.V.] .
6.5.
Vervolgens lag het op de weg van eiseres om met objectief en verifieerbaar tegenbewijs te komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dit nagelaten. Eiseres heeft twee verklaringen overgelegd. Voor deze verklaringen van de heer [B.V.] en operationeel directeur Van Nieuwland, geldt dat deze niet objectief en verifieerbaar zijn, nu zij zijn opgesteld op verzoek van eiseres. Bovendien worden deze verklaringen niet nader onderbouwd met objectieve gegevens. Hoewel de heer [B.V.] verklaart dat er geen overeenkomst is opgesteld met betrekking tot de geldlening aan eiseres, heeft hij ook geen bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat het bedrag van € 15.000,- aan eiseres is overgemaakt. De verklaringen die eiseres zelf heeft afgelegd, acht de rechtbank evenmin voldoende. Zij heeft geen bewijs van het bestaan van de lening overgelegd en uit de bankafschriften in het dossier blijkt ook niet dat [B.V.] een bedrag aan eiseres heeft overgemaakt. Over de verrichte werkzaamheden heeft eiseres gesteld dat zij onder meer veelvuldig contact onderhield met nieuwe medewerkers, waaronder via WhatsApp, maar ook daarvan heeft zij geen bewijs overgelegd, zoals screenshots.
6.6.
In tegenstelling tot eiseres acht de rechtbank het bestreden besluit niet onzorgvuldig voorbereid. Het bestreden besluit is gebaseerd op voornoemd onderzoeksrapport, waaruit blijkt dat het onderzoek door het UWV onder meer heeft bestaan uit het raadplegen van Suwinet en de polis-administratie, het horen van eiseres en de heer [B.V.] en het opvragen van bankafschriften, arbeidsovereenkomsten en loonstroken. Eiseres heeft aangevoerd dat het UWV heeft nagelaten om de discrepantie tussen de door haar geschetste instroom van personeel en de in de polis-administratie bekende gegevens nader te onderzoeken. Ook heeft het UWV er volgens eiseres ten onrechte voor gekozen om geen schriftelijke vragen via de advocaat aan [B.V.] voor te leggen. De rechtbank overweegt dat eiseres hiermee miskent dat het aan haar is om tegenbewijs te leveren. Het UWV heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen volstaan met de constatering dat er een verschil bestaat tussen het door eiseres genoemde aantal medewerkers en het in de polis-administratie -door eiseres overigens niet bestreden- vermelde aantal nieuwe werknemers. Ook lag het op de weg van eiseres om [B.V.] om uitleg te vragen over de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen en niet op de weg van het UWV.
6.7.
Van strijd met het motiveringsbeginsel acht de rechtbank evenmin sprake. Het UWV heeft gemotiveerd waarom aan de door eiseres overgelegde schriftelijke verklaringen niet de waarde wordt gehecht die eiseres daaraan wil toekennen. Dat, zoals eiseres stelt, het UWV niet inhoudelijk op die verklaringen is ingegaan, acht de rechtbank dan ook geen motiveringsgebrek.
6.8.
Eiseres heeft aangevoerd dat het UWV zich mede heeft gebaseerd op politiegegevens die via het RIEC aan het UWV zijn verstrekt. Volgens eiseres is voor de verstrekking van dergelijke gegevens voorafgaande toestemming van de Officier van Justitie (OvJ) vereist. In het verweerschrift heeft het UWV aangegeven dat deze grond in bezwaar ook al is aangevoerd. Daarbij heeft het UWV de in bezwaar door de Onderzoeker Handhaving gegeven reactie overgelegd. De Onderzoeker Handhaving heeft gereageerd dat de politie, voordat de informatie aan haar is verstrekt, toestemming zou hebben gevraagd aan de OvJ en zij zou daarbij de e-mail waarin een medewerker van de politie dit schrijft hebben overgelegd. De rechtbank constateert dat deze e-mail niet bij het verweerschrift is gevoegd en zich ook niet tussen de andere gedingstukken bevindt. Aangezien eiseres heeft bestreden dat er toestemming door de OvJ is verleend, kan de rechtbank zonder die e-mail het UWV niet zonder meer volgen. Dit neemt niet weg dat, zoals het UWV heeft gesteld, op grond van artikel 19, aanhef en onder d, van de Wpg gegevens aan het UWV kunnen worden verstrekt. Eiseres heeft dit niet bestreden. De grond dat de politiegegevens buiten beschouwing moeten worden gelaten, kan dan ook niet slagen.
6.9.
De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat het UWV eiseres terecht niet als werknemer heeft aangemerkt in de zin van de WW omdat sprake was van een gefingeerd dienstverband. Eiseres was daarom niet verzekerd voor de WW en heeft ten onrechte een WW-uitkering ontvangen over de periode van 1 februari 2018 tot en met 29 februari 2020. Het UWV was dan ook gehouden om het recht op deze uitkering in te trekken.
Terugvordering
7. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of het UWV terecht een bedrag van € 30264,25 van eiseres heeft teruggevorderd.
7.1.
Uit artikel 36 van Pro de WW volgt dat het UWV een onverschuldigd betaalde uitkering moet terugvorderen. Als daarvoor dringende redenen bestaan, kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
7.2.
De CRvB ziet het begrip dringende reden voortaan als een open norm waarbinnen het UWV, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. [3]
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gesteld dat het UWV bij zijn onderzoek niet voortvarend heeft gehandeld. Het UWV is in januari 2023 een onderzoek gestart en heeft dat onderzoek een jaar later afgerond. Dat er al enkele jaren eerder aangifte zou zijn gedaan, maakt het handelen door het UWV niet anders. Ook is gesteld noch gebleken dat het UWV een aandeel heeft gehad in de oorzaak van de terugvordering. De oorzaak daarvan ligt bij eiseres. Dat zij, zoals eiseres heeft aangevoerd, dit niet bewust of met opzet heeft gedaan, is in dit kader niet relevant. Eiseres heeft gesteld dat zij in de relevante periode psychisch in zwaar weer verkeerde en er mentaal volledig “doorheen” zat. De rechtbank stelt vast dat eiseres deze stelling niet nader heeft onderbouwd met (medisch) objectiveerbare gegevens. Bij gebreke van een dergelijke onderbouwing ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding te concluderen dat het UWV op grond van een dringende reden van terugvordering had moeten afzien. Dat de strafzaak is geseponeerd, leidt de rechtbank niet tot een andere conclusie.
7.4.
Volgens eiseres is de terugvordering financieel buitenproportioneel. De rechtbank overweegt dat het inherent aan een terugvordering is dat dit financieel nadelig is. Dat maakt het niet zonder meer onaanvaardbaar. Bovendien heeft het UWV bij de invordering rekening te houden met de beslagvrije voet. Ter zitting is gebleken dat het UWV dit ook doet.
7.5.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering moet worden afgezien. Het UWV heeft dan ook terecht een bedrag van € 30.264,25 van eiseres teruggevorderd.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 13 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Werkloosheidswet (WW)
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW is een werknemer de natuurlijk persoon die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
In artikel 15 van Pro de WW is bepaald dat de werknemer die werkloos is, recht heeft op uitkering.
In artikel 22a van de WW is bepaald dat het UWV een besluit tot toekenning van een WW-uitkering herziet of intrekt, als de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Op grond van artikel 22a, tweede lid, van de WW kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.
In artikel 36, eerste lid, van de WW is bepaald dat de uitkering, die als gevolg van een besluit zoals is bedoeld in artikel 22a, onverschuldigd is betaald, door het UWV wordt teruggevorderd.
In artikel 36, zesde lid, van de WW is bepaald dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785
2.Zie de uitspraak van de CRvB van 17 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1479
3.Zie de uitspraak van de CRvB 8 januari 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:36)