Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2849

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/436678 / FA RK 25-3112
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377e BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot uitbreiding omgangsregeling moeder met minderjarige kinderen

De moeder verzocht de rechtbank om de omgangsregeling met haar drie minderjarige kinderen te wijzigen, zodat zij hen één keer per twee weken vier uur onbegeleid kan zien in plaats van de huidige regeling van eenmaal per vier weken twee uur onder begeleiding.

De kinderen, inmiddels 12, 10 en 6 jaar oud, hebben hun mening kenbaar gemaakt via gesprekken met de kinderrechter en een brief. Zij gaven aan de huidige omgangsregeling passend te vinden, waarbij één kind een gesprek wil voorafgaand aan verdere omgang en twee kinderen de begeleiding bij de bezoeken wensen te behouden.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de omgangsregeling niet te wijzigen, omdat de kinderen tevreden zijn en het perspectief elders ligt. De rechtbank oordeelde dat de mening van de kinderen zwaarder weegt dan het verzoek van de moeder en dat de omgang begeleid moet blijven om de kinderen te beschermen tegen belasting.

De rechtbank benadrukte dat de voogdes de belangen van de kinderen moet blijven monitoren en dat de moeder zich moet richten op de kwaliteit van de huidige omgangsmomenten. Het verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling is afgewezen omdat de mening van de kinderen en hun belang zwaarder wegen dan het verzoek van de moeder.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/436678 / FA RK 25-3112
datum uitspraak: 12 maart 2026
beschikking betreffende wijziging omgang
in de zaak van
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes ,
tegen
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de voogdes,
gevestigd te Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 3 juni 2025 ontvangen verzoek van de moeder met bijlagen;
- F9-formulier van mr. Planthof van 20 oktober 2025;
- het op 25 februari 2026 ontvangen verweerschrift van de voogdes met bijlagen.
1.2.
Het verzoek is mondeling behandeld op 3 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat, een vertegenwoordiger van de voogdes en een vertegenwoordiger namens de Raad.
1.3.
Met bijzondere toestemming van de rechtbank was ook de partner van de moeder aanwezig bij de zitting.
1.4.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hiervan gebruik gemaakt en hebben een kindgesprek met de kinderrechter gehad. [minderjarige 3] heeft een brief aan de rechtbank gestuurd. Tijdens de zitting is kort samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld en de aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Het geregistreerd partnerschap van de moeder met de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader) is bij beschikking van 20 november 2018 ontbonden. De beschikking van 20 november 2018 is op 9 januari 2019 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Uit en voorafgaand aan het geregistreerd partnerschap zijn de navolgende, thans nog minderjarige, kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2012 te [geboorteplaats 2] ;
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2016 te [geboorteplaats 2] .
2.2.
Bij beschikking van 9 mei 2018 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend, beiden met ingang van 9 mei 2018 en tot 23 mei 2018, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Deze voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn verlengd bij beschikking van 15 mei 2018 met ingang van 23 mei 2018 en tot 9 augustus 2018.
2.3.
Bij beschikking van 27 juli 2018 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verleend. De maatregelen zijn daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 9 augustus 2022.
2.4.
Bij beschikking van 31 mei 2022 is het ouderlijk gezag van de moeder en de vader over de minderjarigen beëindigd en is de voogdes tot voogdes over de minderjarigen benoemd.
2.5.
Bij (tussen)beschikking van 13 juni 2023 heeft de kinderrechter bepaald dat de moeder en [minderjarige 3] en [minderjarige 2] (onder begeleiding) en [minderjarige 1] (waar mogelijk zonder begeleiding), één keer per vier weken twee uur omgang hebben met elkaar. Het verzoek tot uitbreiding van deze omgangsregeling is aangehouden en uiteindelijk – door intrekking van het verzoek door de moeder – bij beschikking van 12 december 2023 afgewezen.

3.Het verzoek

3.1.
De moeder verzoekt, naar de rechtbank begrijpt onder wijziging van de beschikking van 13 juni 2023, voor zover uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de moeder en de kinderen één keer per twee weken vier uur (onbegeleide) omgang met elkaar hebben, althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie juist acht.
3.2.
De voogdes voert verweer tegen het verzoek en verzoekt dit verzoek af te wijzen.
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Wettelijk kader
4.1.
Ingevolge artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Wijziging van omstandigheden
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de omstandigheden na het wijzen van de beschikking van 13 juni 2023 met betrekking tot de minderjarigen, [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , in relevante mate zijn gewijzigd, of dat bij die beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat in deze zaak twee vragen van belang zijn. De eerste vraag is wat de mening van de kinderen is. De moeder en de voogdes verschillen daarover van visie. De tweede vraag is of de bezoeken, ongeacht of de kinderen uitbreiding willen, uitgebreid moeten worden of op een andere manier, zonder begeleiding, vormgegeven moeten worden. De (advocaat van de) moeder heeft gesteld dat ook als de kinderen geen uitbreiding zouden willen, er geen contra-indicaties voor uitbreiding van de omgangsregeling worden gezien. Daarbij wijst zij erop dat ook de omgangsbegeleidster heeft aangegeven dat er een volgende stap gezet kan worden, en er bijvoorbeeld een kwartier onbegeleide omgang ingezet kan worden.
4.4.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hun mening aan de rechtbank kenbaar gemaakt. Die mening komt overeen met hetgeen de voogdes in het verweerschrift heeft aangegeven. Voor [minderjarige 1] geldt dat hij de omgang met de moeder op zijn tempo en op zijn manier wil vormgeven. Voordat er weer omgang is, wil [minderjarige 1] eerst een gesprek met de moeder in het bijzijn van voor hem belangrijke personen. [persoon] is voor hem zo’n persoon.
Voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geldt dat de huidige omgangsregeling voor hen goed is. Een aantal keer per jaar mag de omgang voor hen wat langer duren. [minderjarige 2] heeft expliciet aangegeven dat zij het fijn vindt als de omgang begeleid blijft.
4.5.
De Raad heeft aangegeven dat de kinderen bij de moeder waarschijnlijk wat anders aangeven, omdat zij aan de moeder merken dat zij hen graag meer wil zien. De moeder heeft aangegeven dat zij de kinderen meer wil zien, omdat zij op die manier de moeder beter leren kennen en de moeder hen. De Raad geeft aan dat de huidige bezoekfrequentie en duur voldoende is voor de kinderen om een beeld van hun ouder te kunnen vormen. De Raad begrijpt de wens van de moeder om de omgang uit te breiden, maar vraagt zich af in hoeverre de moeder zich in de wens van de kinderen kan inleven. De Raad adviseert om de omgangsregeling niet te wijzigen. De huidige regeling verloopt goed, de kinderen zijn er tevreden over en het perspectief van de kinderen ligt elders.
4.6.
De rechtbank is op basis van het bovenstaande van oordeel dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] duidelijk hebben aangegeven, zowel aan de rechtbank als aan de voogdes, wat hun wensen zijn. De moeder heeft tijdens de zitting ook aangegeven dat zij de wens van [minderjarige 1] , dat de omgang op zijn tempo gaat, prima vindt.
4.7.
De tweede vraag die dan nog beantwoord moet worden, is of de omgang tegen de wensen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in gewijzigd moet worden. De rechtbank zal deze vraag ontkennend beantwoorden. De situatie tussen de moeder en de kinderen is wezenlijk anders dan in 2023. Zo zijn de kinderen inmiddels ouder, namelijk 12 en 10 jaar. Ook is de moeder een langere periode in het buitenland geweest en hebben de contacten met de kinderen toen vooral telefonisch of via videobellen plaatsgevonden. De omgang die in 2024 heeft plaatsgevonden, is volgens de moeder enkel met begeleiding van het pleeggezin geweest. Dat laatste maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat nu de omgang dan ook maar onbegeleid dient te zijn. Voor [minderjarige 2] is het juist fijn dat de begeleiding erbij is. Vast staat dat met de omgangsbegeleiding erbij de bezoeken positief verlopen.
Alhoewel de rechtbank de wens van de moeder om onbegeleid omgang te hebben begrijpelijk vindt, weegt in deze zaak de mening van de kinderen zwaarder. De kinderen hebben recht op een zo onbelast mogelijk contact met de moeder. Juist doordat de omgang begeleid is, is er geen risico op (verdere) belasting van de kinderen. De rechtbank vindt dit belang van de kinderen zwaarder wegen.
4.8.
Het bovenstaande betekent niet dat de voogdes niet steeds opnieuw de belangen van de kinderen bij het wel of niet een volgende stap zetten, moet bekijken. De omgang zal, zoals de voogdes zelf ook aangegeven heeft, steeds met de kinderen en hun ontwikkeling en behoeften mee moeten kunnen groeien. Het is verder niet iets wat op dit moment ter verbetering aan de zijde van de moeder ligt. Zij zal, zoals ze al doet, de omgangsmomenten die er zijn, zo gezellig mogelijk kunnen maken voor de kinderen, zodat de kinderen hier iedere keer weer met een goed gevoel op terug kunnen kijken. De rechtbank raadt de moeder aan om haar focus te leggen op de tijd die zij met de kinderen heeft. Wanneer de kinderen het gevoel krijgen dat dit voor de moeder goed genoeg is, zal er mogelijk sneller ruimte bij de kinderen bestaan om andere stappen te zetten.
De moeder zal ook moeten stoppen met het vergelijken van haar situatie met die van de vader. Beide ouders hebben hun eigen band met de kinderen. Het is de kinderen gegund dat zij geen enkele druk ervaren in de verdere ontwikkeling van die band.
4.9.
Dit alles leidt tot de navolgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Bont, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.