ECLI:NL:RBZWB:2026:2850

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/444060 / KG ZA 26-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:169 BWArt. 3:174 lid 1 BWArt. 3:300 lid 2 BWArt. 254 RvArt. 255 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing machtiging verkoop en gebruiksvergoeding woning na relatiebeëindiging

Partijen hadden een affectieve relatie en een samenlevingsovereenkomst gesloten met gemeenschappelijk eigendom van een woning. De man vordert onder meer het uitsluitend gebruik van de woning voor de vrouw, betaling van gebruiksvergoeding, machtiging tot verkoop van de woning en toegang tot de woning voor het ophalen van inboedel.

De vrouw verschijnt niet ter zitting en wordt verstek verleend. De voorzieningenrechter wijst de eisvermeerdering af wegens strijd met de goede procesorde. De man woont elders en betaalt de lasten van beide woningen, waardoor hij in financiële problemen raakt.

De voorzieningenrechter wijst toe dat de vrouw de woning uiterlijk 1 april 2026 moet verlaten en een gebruiksvergoeding moet betalen vanaf 1 december 2025. De man wordt gemachtigd de woning te verkopen en de verkoopopbrengst te verdelen. Tevens wordt de vrouw veroordeeld om medewerking te verlenen aan taxaties, bezichtigingen en het ophalen van inboedel, met dwangsommen bij niet-naleving.

De proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld de woning te verlaten, gebruiksvergoeding te betalen en medewerking te verlenen aan verkoop, waarbij de man wordt gemachtigd tot verkoop.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/444060 / KG ZA 26-19
Vonnis in kort geding van 11 maart 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat: mr. M.E. Kok te Goes,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding d.d. 26 januari 2026, met producties;
- het exploot van betekening;
- een brief van mr. Kok d.d. 25 februari 2026, met bijlage;
- de mondelinge behandeling op 25 februari 2026;
- de pleitnota van mr. Kok.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is verschenen de man, vergezeld van zijn advocaat
.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Op [datum] 1987 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten.
2.2
Partijen hebben in gemeenschappelijk eigendom -bij helfte- een woning aan [adres] .

3.Het geschil

3.1
De man vordert bij vonnis, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I aan de vrouw het voorlopig uitsluitend gebruik van de echtelijke woning gelegen aan [adres] toe te kennen met het bevel om deze woning uiterlijk op 1 april 2026 te verlaten;
II de vrouw te veroordelen om met ingang van 1 december 2025, althans met ingang van een door de voorzieningenrechter te bepalen datum aan de man een bedrag te betalen van € 1.046,- per maand uit hoofde van de lasten van de echtelijke woning, waarbij al dan niet het gehele bedrag of een deel van het bedrag wordt aangemerkt als een voorlopige gebruiksvergoeding en het overige als zijnde regresvordering van de man op de vrouw en daarbij te bepalen dat de vrouw vanaf 1 april 2026 nog de helft van de lasten van de woning te weten een bedrag van € 523,- aan de man dient te betalen als haar aandeel in de lasten van de woning tot aan het moment waarop de echtelijke woning is verkocht en geleverd aan een derde, dan wel de vrouw te veroordelen tot het voldoen van een in goede justitie te bepalen bijdrage in de lasten van de echtelijke woning ofwel een voorlopige gebruiksvergoeding;
III de man te machtigen tot het tegelde maken (verkoop en levering) van de echtelijke woning gelegen aan [adres] en vanuit de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening te voldoen en daarnaast te bepalen dat aan partijen de helft van de resterende verkoopopbrengst toekomt, waarbij onder machtiging onder andere doch niet uitsluitend wordt begrepen het verrichten van de navolgende (rechts)handelingen:
  • het geven van een opdracht aan de door de man gewenste makelaar om de woning te verkopen;
  • het verrichten van alle activiteiten en handelingen door de makelaar en de man die voor de verkoop van de woning dienstig zijn, in welk kader ook door de vrouw dient te worden geduld dat de woning wordt getaxeerd, dat er foto’s worden gemaakt en dat er bezichtigingen plaatsvinden;
  • het verkopen van de woning, welke voor een door de makelaar te bepalen marktconform bedrag te koop zal worden aangeboden en waarbij het advies van de makelaar zal worden opgevolgd ten aanzien van de vraag- en laatprijs;
  • dat het leveren van de onroerende zaak zal geschieden met inachtneming van een termijn van minimaal twee weken na ondertekening van de koopovereenkomst;
  • het sluiten van de koopovereenkomst met de kopende partij.
althans, de gevorderde machtiging zodanig in te vullen en ingaande op een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie meent te behoren;
en te bepalen dat voor zover nodig het te wijzen vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats zal treden van een akte als bedoeld in die wetsbepaling, althans op grond van artikel 3:300 BW Pro een vertegenwoordiger aan te wijzen die voor de man rechtshandelingen kan verrichten die noodzakelijk zijn voor de verkoop en levering van de gemeenschappelijke woning aan een derde indien en voor het geval de vrouw haar medewerking daaraan zou onthouden.
IV de vrouw te veroordelen om op 1 februari 2026, dan wel op een datum zo spoedig mogelijk volgend op deze datum om de man toegang tot de woning te verlenen om de aan hem toekomende inboedelgoederen op te halen, zoals is vermeld op de als productie 5 overgelegde inboedellijst, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of ieder dagdeel waarin voornoemde medewerking niet wordt verleend met een maximum van € 5.000,-.
Subsidiair:
I de vrouw te voordelen tot het verlenen van haar volledige medewerking aan de verkoop en levering van de woning gelegen aan [adres] op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of ieder dagdeel waarin voornoemde medewerking niet wordt verleend met een maximum van € 100.000,- waarbij onder deze medewerking onder andere doch niet uitsluitend worden begrepen de navolgende rechtshandelingen:
  • het geven van een opdracht aan de door de man gewenste makelaar om de woning te verkopen;
  • het verrichten van alle activiteiten en handelingen door de makelaar en de man die voor de verkoop van de woning dienstig zijn, in welk kader ook door de vrouw dient te worden geduld dat de woning wordt getaxeerd en dat er bezichtigingen plaatsvinden;
  • het verkopen van de woning, welke voor een door de makelaar te bepalen marktconform bedrag te koop zal worden aangeboden;
  • dat het leveren van de onroerende zaak zal geschieden met inachtneming van een termijn van minimaal twee weken na ondertekening van de koopovereenkomst;
  • het sluiten van de koopovereenkomst met de kopende partij;
althans, de gevorderde volledige medewerking zodanig vorm te geven en ingaande op een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vernemen.
- de vrouw te bevelen om uiterlijk zeven dagen voordat de levering aan de kopende partij zal plaatsvinden de woning te verlaten met het verbod om de woning opnieuw te betreden en de vrouw te bevelen om de sleutels van de woning aan de man of de notaris te overhandigen een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw in gebreke zal blijven om aan het vonnis en voornoemde veroordelingen te voldoen met een maximum van € 100.000,-;
en te bepalen dat de netto-verkoopopbrengst na voldoening van de hypothecaire geldlening, makelaarskosten en overige verkoopkosten, aan partijen bij helfte wordt uitgekeerd.
Primair en subsidiair:
de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2
Op de overige stelling van de man wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

Procedureel
4.1
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter bericht ontvangen van de advocaat van de vrouw waarin zij bericht dat zij zich onttrekt als advocaat vanwege “
een vertrouwensbreuk tussen cliënte en mijzelf” en dat zij om die reden niet bij de zitting aanwezig zal zijn. Bij volgend bericht heeft de voormalig advocaat van de vrouw bericht dat haar cliënte heeft verzocht de voorzieningenrechter te berichten de eerder toegezonden conclusie van antwoord buiten beschouwing te laten en als niet verzonden te beschouwen. Tijdens de mondelinge behandeling is de vrouw niet verschenen. Wel is verschenen de dochter van de vrouw, mevrouw [de dochter] (hierna: de dochter). De voorzieningenrechter heeft met de man en diens advocaat, in aanwezigheid van de dochter, de mogelijkheid besproken om de dochter (als informant) te horen, zulks ook met het oog op het beproeven van een minnelijke schikking. De (advocaat van de) man heeft hiertegen uitdrukkelijk bezwaar gemaakt. Gelet hierop en op hetgeen de voorzieningenrechter hierna zal overwegen, is de dochter verzocht de zittingszaal te verlaten en is de zitting voortgezet buiten de aanwezigheid van de dochter. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter dat ingevolge artikel 255 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een gedaagde in zaken als de onderhavige behalve bij advocaat ook in persoon kan procederen, maar niet vertegenwoordigd door een gemachtigde die geen advocaat is. Als overwogen is de vrouw niet ter zitting verschenen, terwijl zij zich evenmin door een advocaat heeft doen vertegenwoordigen. De vrouw kan zich, zo volgt uit voornoemd artikel, dan niet laten vertegenwoordigen door haar dochter, die geen advocaat is, ook niet met een deugdelijke volmacht. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat, nog daargelaten de onttrekking door de advocaat, de vrouw niet reeds als verschenen kan worden aangemerkt doordat een advocaat namens haar eerder heeft medegedeeld zich te stellen voor de vrouw.
4.2
Het vorenstaande betekent tevens dat de vrouw als niet verschenen heeft te gelden en dat, nu overigens bij dagvaarding aan alle (betekenings-) formaliteiten en termijnen is voldaan, tegen haar verstek moet worden verleend.
4.3
De voorzieningenrechter heeft verder circa drie uur voor de mondelinge behandeling een brief van de advocaat van de man ontvangen waarin een eisvermeerdering wordt aangekondigd, inhoudende, samengevat, de vrouw te veroordelen tot het verlenen van onvoorwaardelijke medewerking aan het afsluiten van een overbruggingskrediet van € 130.000,=, waarbij als productie 7 het te ondertekenen document ter zake van de overbrugging is gevoegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man zijn eis dienovereenkomstig vermeerderd.
4.4
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de eisen van de goede procesorde zich tegen deze eisvermeerdering verzetten. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat, zoals hiervoor is overwogen, heeft te gelden dat de vrouw niet is verschenen. Onvoldoende duidelijk is verder of de eisvermeerdering de vrouw heeft bereikt. De advocaat van de man heeft hieromtrent ter zitting opgemerkt dat de eisvermeerdering om 10.51 uur aan de advocaat van de vrouw is verzonden en dat zij pas daarna, om 10.53 uur, bericht van de advocaat van de vrouw heeft ontvangen dat zij zich onttrok. Zo hieruit reeds moet worden aangenomen dat de vrouw bekend was met de eiswijziging, zoals de man betoogt, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat de vrouw vanwege het laattijdige tijdstip waarmee zij alsdan met de eiswijziging werd geconfronteerd onredelijk is benadeeld in haar mogelijkheden zich tegen de gewijzigde eis te verweren. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de man, zo volgt uit diens eigen stellingen, al ruim voor het uitbrengen van de dagvaarding wist dat de vrouw niet mee wilde werken aan een overbruggingskrediet, terwijl door hem geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die een dergelijke laattijdige eiswijziging rechtvaardigen, althans verklaren. Dit brengt mee dat de voorzieningenrechter de onderhavige eisvermeerdering buiten beschouwing zal laten.
Spoedeisendheid
4.5
Op grond van artikel 254 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. De spoedeisendheid vloeit naar het oordeel van de voorzieningenrechter voort uit de aard van de vorderingen van de man en uit hetgeen hij aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd. De man heeft onbestreden aangevoerd dat de vrouw weigert om mee te werken aan de verkoop van de gezamenlijke woning aan [adres] (hierna: de woning). De man bewoont thans een huurwoning, terwijl de vrouw nog in de woning zit. De man betaalt de volledige lasten van beide woningen. De man komt hierdoor, zo staat als onweersproken vast, in financiële problemen. De man kan daarnaast zijn huurwoning kopen en heeft tot uiterlijk 1 juli 2026 de gelegenheid om de koop “rond te maken”. Om deze woning te kunnen kopen dient hij te beschikken over zijn aandeel in de overwaarde.
De vorderingen
4.6
Wat het primair gevorderde onder i. betreft, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Vaststaat dat de man alternatieve woonruimte heeft en niet (langer) in de woning behoeft en wenst te verblijven. Tegen deze achtergrond, en ook overigens, heeft de man onvoldoende gesteld welk belang hij heeft bij de toekenning van het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw. De voorzieningenrechter zal dit deel van de vordering dan ook afwijzen. Het deel van de vordering dat ziet op het bevel aan de vrouw om deze woning uiterlijk op 1 april 2026 te verlaten komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan dus worden toegewezen. De man heeft onbestreden aangevoerd dat ingevolge artikel 10 van Pro de samenlevingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) partijen de woning beiden dienen te ontruimen in afwachting van transport, indien zij er, zoals hier het geval is, niet in slagen om binnen een maand een regeling met elkaar te treffen ten aanzien van het gebruik van de woning door hen beiden of een hunner. Dat de vrouw gebruik heeft gemaakt van de in de overeenkomst genoemde mogelijkheid om de kantonrechter te verzoeken langer in de woning te verblijven is gesteld noch gebleken. Een belangenafweging tussen de man en de vrouw voert niet tot een ander oordeel. Als onbestreden, staat vast dat de vrouw bij haar dochter kan verblijven.
4.7
Het primair onder ii. gevorderde komt de voorzieningenrechter, met uitzondering van hetgeen hierna wordt overwogen, evenmin onrechtmatig of ongegrond voor. De man vordert, bij wege van gebruiksvergoeding, vergoeding van de door hem betaalde lasten van de woning. De voorzieningenrechter begrijpt dat de lasten waarvan de man vergoeding vordert vrijwel uitsluitend dienen te worden aangemerkt als zogenaamde gebruikerslasten. De voorzieningenrechter acht het redelijk dat de vrouw, op de voet van artikel 3:169 Burgerlijk Pro Wetboek (BW), deze lasten, inclusief de hypotheekrente, voor haar rekening neemt zolang zij met uitsluiting van de man in de woning verblijft. Dit geldt niet voor de aflossingen op de hypotheek die vermogensvormend zijn en beide partijen ten goede komen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat in het door hem genoemde bedrag aan hypotheek van € 627,= ook een deel aflossing zit. Het exacte bedrag kon de man niet noemen. De voorzieningenrechter houdt in redelijkheid rekening met een bedrag van € 200,= aan aflossing. Dit brengt mee dat de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag van € 946,= (1.046 - [200:2]) vanaf 1 december 2025 tot 1 april 2026 en vanaf 1 april 2026 tot aan het moment dat de woning is verkocht en geleverd aan een derde een bedrag van € 523,=.
4.8
Met het primair onder iii. gevorderde, verzoekt de man hem te machtigen tot het te gelde maken van de woning. De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 3:174 lid 1 BW Pro de rechter die ter zake van een vordering tot verdeling van een gemeenschappelijk goed bevoegd zou zijn of voor wie een zodanige vordering reeds aanhangig is, een deelgenoot op diens verzoek kan machtigen tot het te gelde maken van dat goed ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen. De krachtens art. 3:174 lid 1 BW Pro door de rechter verleende machtiging maakt de deelgenoot bevoegd tot het verrichten van handelingen, waartoe hij anders uitsluitend tezamen met de deelgenoten bevoegd is. Door de verleende machtiging wordt de deelgenoot, de man, zelfstandig bevoegd jegens derden. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat ook in kort geding een machtiging tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed kan worden verleend (HR 21 juni 2002, NJ 2002, 420). Het door de rechter afgeven van de in art. 3:174 lid 1 BW Pro bedoelde machtiging is een discretionaire bevoegdheid. Teneinde van die bevoegdheid gebruik te kunnen maken dient sprake te zijn van “de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen”. De noodzaak om tot een behoorlijke verdeling te geraken is niet een zodanige gewichtige reden.
4.9
De voorzieningenrechter acht gelet op de onbestreden stellingen van de man voldoende aannemelijk dat door de opstelling van de vrouw de verkoop van de woning onnodig wordt gefrustreerd en dat de woning daardoor feitelijk onverdeeld blijft. Dat de vrouw de woning wil en kan overnemen, is gesteld noch gebleken. Uit de door de man overgelegde mailwisselingen met de vrouw volgt, in tegendeel, dat ook de vrouw zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat de woning moet worden verkocht. Vaststaat dat de vrouw het vertrouwen dat zij zou meewerken aan de verkoop meerdere malen heeft beschaamd door terug te komen op eerdere toezeggingen. Als onbestreden, staat verder vast dat het voortbestaan van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldschuld en het niet kunnen beschikken over zijn aandeel in de overwaarde de man belemmeren bij het kopen (financieren) van een andere woning. Vaststaat voorts dat de man dubbele woonlasten heeft en hierdoor in een financiële noodtoestand dreigt te geraken met als mogelijk risico dat de hypothecaire verplichtingen niet meer kunnen worden nagekomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderling verband, een gewichtige reden vormen zoals bedoeld in art. 3:174 lid 1 BW Pro, op grond waarvan de vordering van de man tot het verlenen van machtiging tot het te gelde maken van de woning in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt. Afweging van de wederzijdse belangen leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt de voorzieningenrechter mede in aanmerking dat, als overwogen, niet gebleken is dat de vrouw de woning kan overnemen en de vrouw, zo heeft de man onweersproken gesteld, bij haar dochter alternatieve woonruimte heeft.
4.1
De voorzieningenrechter overweegt in dit verband nog dat de onderhavige machtiging geen vrijbrief is voor de man om naar eigen goeddunken de verkoop ter hand te nemen. De man zal bij het uitoefenen van de machtiging rekening behoren te houden met de gerechtvaardigde belangen van de vrouw. Het rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van de vrouw houdt onder meer in dat de man de vrouw adequaat informeert over relevante ontwikkelingen, zoals biedingen op het huis, (concepten) voor verkoopovereenkomsten en akten. De voorzieningenrechter zal daarom de ordemaatregelen nemen zoals hierna vermeld.
4.11
De vordering onder iv. primair komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig en ongegrond voor. De man heeft onbestreden gesteld dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de inboedelgoederen zoals vermeld op de als productie 5 overgelegde inboedellijst en dat hij thans “kampeert” in zijn huidige woning, omdat -zo begrijpt de voorzieningenrechter- hij geen spullen heeft. De vordering zal worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.
Proceskosten
4.12
De proceskosten zullen, gelet op de relationele aard van de procedure, tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.13
De rechtbank zal, gelet op de aard van de vorderingen, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door de man. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1
verleent verstek tegen de vrouw;
5.2
beveelt de vrouw om de woning aan [adres] uiterlijk op 1 april 2026 te verlaten;
5.3
veroordeelt de vrouw om met ingang van 1 december 2025 aan de man een bedrag te betalen van € 946,= per maand uit hoofde van de lasten van de woning aan [adres] , en
veroordeelt de vrouw om met ingang van 1 april 2026 aan de man een bedrag te betalen van € 523,= als haar aandeel in de lasten van de woning aan [adres] tot aan het moment waarop de echtelijke woning is verkocht en geleverd aan een derde;
5.4
machtigt de man, met inachtneming van hetgeen is overwogen in r.o. 4.10 om mede namens de vrouw al datgene te doen dat nodig is om te bewerkstelligen dat onroerende zaak staande en gelegen aan [adres] wordt verkocht en geleverd aan een derde, waaronder in ieder geval wordt verstaan:
het geven van een opdracht aan de door de man gewenste makelaar om de woning te verkopen;
het verlenen van opdrachten aan de makelaar om al datgene te doen dat nodig is om de woning verkocht te krijgen;
het instemmen met de vraag- en verkoopprijs zolang deze ligt boven de laatprijs zoals vastgesteld door de door de man in te schakelen makelaar;
het ondertekenen van de verkoopovereenkomst;
het instrueren van de notaris om uit de verkoopopbrengst de makelaarskosten te voldoen en de aan het huis verbonden hypothecaire geldleningen volledig af te lossen;
het verlenen van opdracht aan de notaris om na het uitvoeren van het voorgaande van de netto verkoopopbrengst aan de man en de vrouw ieder de helft uit te betalen;
5.5
veroordeelt de vrouw om de makelaar steeds op eerste verzoek toegang te verlenen tot de woning aan [adres] ten behoeve van het opnemen van de woning (o.a. taxaties en het maken van foto’s) en van bezichtigingen met potentiële kopers;
5.6
bepaalt dat deze uitspraak, voor zover die betrekking heeft op de verkoop van de woning, in de plaats zal treden van de medewerking van de vrouw aan de onderhandse akte van verkoop in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW Pro;
5.7
bepaalt dat deze uitspraak, voor zover die betrekking heeft op de levering van de woning en de uitvoering daarvan, in de plaats zal treden van de medewerking van de vrouw aan de notariële akte van levering in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW Pro;
5.8
veroordeelt de vrouw om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de man toegang tot de woning aan [adres] te verlenen om de aan hem toekomende inboedelgoederen op te halen, zoals is vermeld op de als productie 5 overgelegde inboedellijst, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,= per dag of ieder dagdeel waarin voornoemde medewerking niet wordt verleend met een maximum van € 2.500,=.
5.9
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.1
wijst af het meer of anders gevorderde;
5.11
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hopmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. Brouwer, griffier.