Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2851

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/444154 / KG ZA 26-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen tot nakoming en opschorting zorgregeling minderjarige na spanningen en hulpverlening

Partijen zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun minderjarige kind, voor wie een zorgregeling is vastgesteld waarbij het hoofdverblijf bij de moeder is. De vader vordert nakoming van deze zorgregeling, terwijl de moeder opschorting vordert vanwege spanningen en problematiek bij het kind.

Het kind heeft een kwetsbare ontwikkeling met ADHD en een laag IQ, en ervaart het contact met de vader als belastend en onveilig, mede door een incident waarbij de vader harde uitspraken deed. De moeder heeft daarom de zorgregeling stopgezet. De vader wenst hervatting, liefst via een opbouwtraject ondersteund door hulpverlening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van het kind voorop staat en dat het op dit moment niet in haar belang is de zorgregeling te hervatten. Wel wordt het behandeltraject bij de hulpverlening voortgezet en wordt een raadsonderzoek gelast ter voorbereiding van een bodemprocedure die de vader zal starten. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Vorderingen tot nakoming en opschorting van de zorgregeling worden afgewezen en raadsonderzoek gelast ter voorbereiding van bodemprocedure.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer: C/02/444154 / KG ZA 26-23
Vonnis in kort geding van 12 maart 2026
in de zaak van
[de man],
wonende in [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. R.A.H. Vullings uit Nijmegen,
tegen
[de vrouw],
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. M. Czarnota uit Oosterhout,
over het minderjarig kind van partijen:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de betekende dagvaarding van 17 februari 2026 met twaalf producties;
- de conclusie van antwoord van 13 februari 2026, tevens houdende eis in reconventie met acht producties;
- de brief van mr. Vullings van 23 februari 2026 met vier producties;
- het bericht van mr. Czarnota van 24 februari 2026 met één productie.
1.2.
Op 26 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak met gesloten deuren op zitting behandeld omdat het belang van [minderjarige] en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is een medewerkster namens de Raad verschenen om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.4.
Voorafgaand aan de zitting heeft de voorzieningenrechter met [minderjarige] gesproken over de vorderingen. Bij dit gesprek heeft [minderjarige] een door haar geschreven brief aan de voorzieningenrechter gegeven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] hem heeft verteld en geschreven, rekening houdend met wat hij van haar mocht delen. De betrokkenen hebben daarop kunnen reageren.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van
[datum 1] 2021 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op
[datum 2] 2021 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
In de voormelde beschikking van 2 februari 2021 is, voor zover hier van belang, bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw.
2.5.
Bij opvolgende beschikking van 5 oktober 2021 is bepaald dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna te noemen de zorgregeling) gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, aansluitend bij het tien dagen rooster van de man, van dag zeven om 15:00 uur tot dag tien om 15:00 uur, waarbij de man [minderjarige] op dag zeven op school ophaalt (dan wel als die dag geen schooldag is bij de vrouw ophaalt) en de vrouw [minderjarige] op dag tien op school ophaalt (dan wel als die dag geen schooldag is bij de man ophaalt). Met betrekking tot de verdeling van de vakanties en feestdagen is bepaald dat:
- in de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie de reguliere zorgregeling geldt,
- in de meivakantie [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week bij de man verblijft en de
tweede week bij de vrouw en in de even jaren andersom,
- in de kerstvakantie de reguliere regeling geldt, waarbij [minderjarige] in de oneven jaren eerste kerstdag bij de man en tweede kerstdag en oud- en nieuwjaar bij de vrouw is en in de even jaren andersom, één en ander met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 2.10 van de beschikking is vermeld,
- in de zomervakantie [minderjarige] in de oneven jaren de eerste drie weken bij de man verblijft en de laatste drie weken bij de vrouw en in de even jaren andersom, één en ander met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 2.11 van de beschikking is vermeld,
- tijdens de verjaardag van [minderjarige] , de verjaardagen van partijen en de overige feestdagen de reguliere zorgregeling geldt.
2.6.
[minderjarige] heeft van 11 juni 2021 tot 11 maart 2023 onder toezicht gestaan van Stichting Jeugdbescherming Brabant.

3.Het geschil in conventie en reconventie

3.1.
De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te bevelen haar medewerking te verlenen aan de uitoefening van de zorgregeling als vastgelegd in de beschikking van 5 oktober 2021, op verbeurte van een dwangsom van
€ 100,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen, zulks met een maximum van € 10.000,-.
3.2.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen, althans de vorderingen als zijnde ongegrond en/of onbewezen aan de vrouw te ontzeggen, althans de vorderingen van de man af te wijzen.
3.3.
In reconventie vordert de vrouw bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 5 oktober 2021 tijdelijk op te schorten.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de man is in de stukken en tijdens de zitting, samengevat, het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] is van 11 juni 2021 tot 11 maart 2023 onder toezicht gesteld vanwege de spanningen die zij ervoer rondom de echtscheidingsproblematiek van partijen. Er speelde loyaliteitsproblematiek waarbij er zorgen waren over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Gedurende de ondertoezichtstelling is door de rechtbank een zorgregeling vastgesteld. De geadviseerde hulp bij verbetering van de oudercommunicatie bij [hulpverlening 1] en PMT voor [minderjarige] heeft ertoe geleid dat zij [minderjarige] de echtscheiding een plekje kon geven en partijen voldoende in staat waren om, in het belang van [minderjarige] , in overleg met elkaar tot afspraken te komen. Om deze reden is eind 2022 besloten om de ondertoezichtstelling niet meer te verlengen. Aangezien het met [minderjarige] halverwege het schooljaar van 2024/2025 niet goed ging, hebben partijen op aanraden van school hulp gezocht en is [minderjarige] aangemeld bij [hulpverlening 2] . De hulpverlening zou zich (in eerste instantie) richten op het sterker maken van [minderjarige] . Zij was onzeker, en ervoer spanningen en stress. [minderjarige] is, vanwege de problematiek die bij haar speelt, een kwetsbaar meisje. In juli 2025 heeft de vrouw aangegeven dat [minderjarige] moeite had om naar de man te komen en dat niet meer wilde. Dit kwam voor de man als verrassing omdat in de beleving van de man de zorgregeling naar tevredenheid verliep en hij en [minderjarige] twee handen op een buik zijn. Op
1 augustus 2025 heeft [minderjarige] , toen de man aan de deur van de vrouw stond, de man laten weten niet met hem mee te gaan, terwijl zij volgens de zorgregeling nog een week bij de man in het kader van de zomervakantie zou verblijven. De man voelde zich op dat moment zeer machteloos en heeft uit emotie naar [minderjarige] gereageerd. De man had hiervan direct spijt en schaamde zich voor zijn gedrag en de uitspraken die hij naar [minderjarige] had gedaan. Hij heeft dezelfde dag nog geprobeerd [minderjarige] hierover te spreken, maar de vrouw blokkeerde dit. Sindsdien is de uitvoering van de zorgregeling stil komen te liggen. Thans hebben de man en [minderjarige] enkel telefonisch contact met elkaar, dat wekelijks plaatsvindt. Partijen hebben geprobeerd in onderling overleg tot een hervatting van de zorgregeling te komen, maar dat is, ondanks de hulp die [hulpverlening 2] hierbij heeft geboden waarbij is ingezoomd op de verhoudingen tussen de man en [minderjarige] , onvoldoende van de grond gekomen. Er hebben twee contactmomenten tussen de man en [minderjarige] plaatsgevonden in september en november 2025 die prettig en ontspannen zijn verlopen, maar de vrouw blijft van mening dat de hervatting van de zorgregeling voorzichtig moet worden aangepakt en dat [minderjarige] slechts voor zeer korte duur iets met de man kan ondernemen. Het is echter in het belang van [minderjarige] dat spoedig wordt toegewerkt naar een structurele zorgregeling om te voorkomen dat de drempel voor [minderjarige] tot contact met de man steeds hoger wordt. Er zijn geen contra-indicaties voor het voortzetten van de bij beschikking van 5 oktober 2021 vastgestelde zorgregeling, temeer nu [hulpverlening 2] partijen en [minderjarige] hierbij kan ondersteunen. De man staat ervoor open dat de zorgregeling middels een opbouw wordt hervat, en zou hierover graag afspraken met de vrouw willen maken. Voor zover de vrouw hiervoor niet open staat acht de man een onderzoek door de Raad, in een door hem te starten bodemprocedure, aangewezen om nader te onderzoeken wat in het kader van het contactherstel in het belang van [minderjarige] is. Dit klemt temeer nu de vrouw de uitnodiging van [hulpverlening 2] aan partijen om met elkaar in gesprek te gaan om tot een gezamenlijke afstemming te komen over het verdere verloop van de behandeling van [minderjarige] bij [hulpverlening 2] en welke randvoorwaarden daarvoor nodig zijn, tot op heden weigert. De man twijfelt aan de daadwerkelijke bereidheid van de vrouw om mee te werken aan het contact tussen hem en [minderjarige] . De vrouw lijkt [minderjarige] niet positief te stimuleren tot contact met de man en heeft al in 2023 aangegeven de zorgregeling te willen wijzigen. Gelet hierop vordert de man om aan de hervatting van de zorgregeling, voor zover de vrouw zou worden bevolen om hieraan haar medewerking te verlenen, dwangsommen te verbinden.
4.2.
Door en namens de vrouw is in de stukken en tijdens de zitting, samengevat, het volgende aangevoerd. Ook na de beëindiging van de ondertoezichtstelling begin 2023 had [minderjarige] nog steeds moeite met de grote verschillen in de opvoedomgeving van partijen. [minderjarige] vond het met name lastig om bij de man te bespreken wat ze fijn vindt en nodig heeft. Als ze het probeerde, walste de man daar overheen. Uit een onderzoek dat [praktijk] in 2023 bij [minderjarige] heeft verricht is gebleken dat bij haar sprake is van ADHD en een laag IQ. Zij kan prikkels en emotionele druk minder goed verwerken dan leeftijdsgenoten. Dit vraagt om voorspelbaarheid, rust en het serieus nemen van haar grenzen. Ook heeft [minderjarige] grote moeite met het onder woorden brengen van zaken die zij moeilijk vindt of die haar dwars zitten. Zij heeft dan de neiging om de kwesties te vermijden en zich terug te trekken, waardoor zij in zichzelf vastloopt en lichamelijke klachten ontwikkelt. Gelet hierop, en vanwege het langdurige patroon in het contact met de man waarbij hij onvoldoende oog heeft voor de wensen en behoeften van [minderjarige] en telkens over haar grenzen gaat, werd zij belemmerd in haar ontwikkeling. Om die reden is [minderjarige] bij [hulpverlening 2] aangemeld voor een hulpverleningstraject met als doel haar sterker en weerbaarder te maken. Op 1 augustus 2025 heeft de man zeer heftig op [minderjarige] gereageerd toen zij naar de man had uitgesproken niet bij de man te willen verblijven voor een vakantie van een week. Deze reactie hield in dat de man op boze toon onder meer het volgende tegen [minderjarige] heeft gezegd:
“Ik ben helemaal klaar met jou.”
“Je zoekt het maar uit.”
“Ik bel je niet meer, ik kom je niet meer halen.”
“Ga maar naar de rechtbank en zeg dat je je vader niet meer wilt zien, dan teken ik wel.”
“Je bent toch geen mongool? Je bent toch gewoon een normaal meisje?”
“Ik ben geen pingpongbal.”
“Je bent 13, je bent geen baby meer, je bent niet gek, je kunt nadenken.”
“Als ik de wet volg en ik bel de politie, dan moet mama je nu aan mij meegeven.”’
[minderjarige] heeft deze uitspraken van de man als hard, intimiderend en vernederend ervaren. Sindsdien is [minderjarige] angstig en gespannen. [minderjarige] voelt zich niet veilig ten overstaan van de man en wil afstand, rust en bescherming. De man negeert echter deze wens van [minderjarige] , en dringt steeds aan op contact met [minderjarige] . De man kan zich niet verplaatsen in [minderjarige] en wat het voorval van 1 augustus 2025 met [minderjarige] heeft gedaan tegen de achtergrond van de eerdere ervaringen van haar met de man. De man heeft onvoldoende zicht op de emotionele beleving en draagkracht van [minderjarige] . De hulpverlening via [hulpverlening 2] is aanvankelijk ingezet om [minderjarige] sterker en weerbaarder te maken, maar heeft na het voorval van 1 augustus 2025 steeds meer, wellicht door de druk die de man oplegt, het doel gekregen om tot contactherstel met de man te komen en steeds minder om de hulp die aanvankelijk voor [minderjarige] bedoeld was. Er vonden op een gegeven moment naast individuele gesprekken met [minderjarige] , ook gezamenlijke gesprekken tussen [minderjarige] , de man en haar hulpverlener(s) van [hulpverlening 2] plaats. Tijdens deze gezamenlijke gesprekken drong de man steeds aan om hervatting van de zorgregeling, en moest hij diverse malen worden gecorrigeerd. Er hebben, geheel op initiatief van de man, twee contactmomenten tussen [minderjarige] en de man plaatsgevonden in september en november 2025. Deze contactmomenten zijn, anders dan de man stelt, voor [minderjarige] niet ontspannen en rustig verlopen. De man heeft belastende uitspraken gedaan en [minderjarige] voelde zich niet vrij om zichzelf te zijn bij de man omdat ze bang is voor zijn reacties. Beide contactmomenten hebben achteraf geleid tot hoofdpijn, emotionele uitputting en duidelijke terugtrekking bij [minderjarige] . Ook de huidige wekelijkse telefonische contacten met de man vragen veel van [minderjarige] . Recent is een afspraak van [minderjarige] met haar hulpverlener afgezegd omdat [hulpverlening 2] vindt dat er, voor de verdere voortgang van het behandeltraject van [minderjarige] , eerst een gezamenlijk gesprek met partijen dient plaats te vinden. De vrouw wenst echter eerst een individueel gesprek met [hulpverlening 2] voordat er een gezamenlijk gesprek tussen partijen en [hulpverlening 2] plaatsvindt. De vrouw betreurt het dat de hulpverlening van [hulpverlening 2] tot een dergelijke wending is gekomen. [minderjarige] heeft van de sessies die zij heeft gehad profijt gehad. Zij heeft geleerd om haar gevoelens steeds meer te kunnen uiten. De hulpverlening voor [minderjarige] moet kunnen doorgaan en moet zich niet verschuiven naar oudergesprekken ten behoeve van contactherstel omdat dit ook niet de focus is wat [hulpverlening 2] doet. Bovendien heeft [hulpverlening 2] zelf aangegeven dat het hervatten van de zorgregeling niet iets is dat zij faciliteren en dat dit aan partijen zelf is. Contact tussen de man en [minderjarige] is op dit moment niet in het belang van [minderjarige] , en zeker niet in de vorm zoals door de man gevorderd. Uit de reactie die [minderjarige] heeft gegeven op de twee contactmomenten in september 2025 en november 2025 blijkt dat de draagkracht van [minderjarige] nog zeer beperkt is en dat uitbreiding of het afdwingen van contact niet in haar belang is. Nu de man aan [minderjarige] blijft trekken, vordert de vrouw de zorgregeling zoals bepaald in de beschikking van 5 oktober 2021 voorlopig op te schorten zolang [minderjarige] nog niet toe is aan contactherstel. Dit betreft een noodzakelijke en proportionele beschermingsmaatregel in het belang van [minderjarige] met als doel [minderjarige] de ruimte te geven om, met behulp van individuele hulpverlening, voldoende veiligheid, stabiliteit en draagkracht op te bouwen, zodat toekomstig contact met de man op een voor haar verantwoorde wijze en in haar eigen tempo kan worden hervat. De vrouw kan instemmen met een onderzoek door de Raad in het geval de man een bodemprocedure aanhangig maakt. De vrouw onderschrijft het belang van contact tussen [minderjarige] en de man, maar [minderjarige] loopt in het contact met de man op dit moment vast. Belangrijk is dat duidelijkheid komt wat [minderjarige] in het contact met de man aankan en wat zij hiervoor nodig heeft. De door de man gevorderde dwangsommen moeten worden afgewezen. Ondanks eerdere problemen in het verleden heeft de vrouw zich altijd aan de zorgregeling gehouden. Het is niet dat de vrouw dwarsligt dat de zorgregeling niet wordt nagekomen. [minderjarige] zelf wil niet naar de man toe gaan. Daarnaast is het opleggen van dwangsommen niet alleen disproportioneel, maar ook contraproductief.
4.3.
De medewerkster van de Raad heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] is, gezien de problematiek die bij haar speelt, een kwetsbaar meisje die in haar ontwikkeling jonger is dan haar biologische leeftijd. Partijen dienen hiermee rekening te houden in de manier waarop zij haar benaderen en op haar reageren. Daarnaast vraagt dit om een goede samenwerking tussen partijen. De Raad ziet hierin zorgen. [minderjarige] geeft duidelijk aan dat zij de wijze waarop de man invulling geeft aan het contact niet prettig vindt, maar zij wordt hierin niet gehoord door de man die met het voorval van 1 augustus 2025 duidelijk over de grenzen van [minderjarige] heen is gegaan. Belangrijk is dat [minderjarige] hierin beschermd wordt, maar met een volledige stopzetting van de zorgregeling, waartoe de vrouw eenzijdig heeft besloten en waarbij zij tot op heden weigert het gesprek met de man hierover aan te gaan, wordt eveneens aan de belangen van [minderjarige] voorbij gegaan. Dit brengt [minderjarige] voor nu wel rust, maar biedt geen duurzame oplossing. Belangrijk is dat beide partijen, ter ontlasting van [minderjarige] , hun verantwoordelijkheid als ouders gaan nemen en samen gaan werken om tot een verbetering van de situatie voor [minderjarige] te komen middels een voortzetting van het traject bij [hulpverlening 2] , conform het behandeltraject dat [hulpverlening 2] voor ogen heeft en recent heeft uiteengezet naar partijen. Daarbij is sprake van een systemische aanpak waarbij, na een gezamenlijk gesprek tussen partijen en [hulpverlening 2] , individuele gesprekken met [minderjarige] worden georganiseerd afgewisseld met gezamenlijke gesprekken tussen [minderjarige] , haar hulpverleners van [hulpverlening 2] en partijen. Belangrijk daarbij is dat [minderjarige] zich gesteund voelt en er op kan vertrouwen dat partijen zich samen hard maken om de situatie voor haar te verbeteren, waarbij zij in staat wordt gesteld om met hen, haar beide ouders, een onbelast contact aan te gaan. Voor onbegeleide contactmomenten tussen de man en [minderjarige] , waarbij toegewerkt wordt naar een hervatting van de zorgregeling, zoals neergelegd in de beschikking van 5 oktober 2021, bestaat op dit moment nog geen ruimte. Dit zal [minderjarige] overvragen. Daarnaast is het belangrijk dat er zicht komt op de dynamiek tussen [minderjarige] en de man, hetgeen begeleiding bij het contact door een professional vereist. De Raad acht het aangewezen om hiernaar, in een nog te starten bodemprocedure door partijen, onderzoek te verrichten. In zijn onderzoek zullen de bevindingen van [hulpverlening 2] worden meegenomen.

5.De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de partijen bij hun vorderingen vast. Beide partijen zijn ontvankelijk in hun vorderingen.
5.2.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
5.3.
Uitgangspunt is dat de vrouw de in de beschikking van deze rechtbank van
5 oktober 2021 neergelegde zorgregeling in beginsel dient na te komen. Dit kan echter anders zijn indien nadien feiten zijn voorgevallen die maken dat de zorgregeling (tijdelijk) niet in het belang van [minderjarige] moet worden geacht.
5.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat bij voormelde beschikking een vrij uitgebreide zorgregeling tussen de man en [minderjarige] is vastgesteld. De vrouw heeft aan deze regeling haar medewerking verleend tot begin augustus 2025, waarna zij de zorgregeling heeft stop gezet. Er hebben nadien twee fysieke contactmomenten tussen de man en [minderjarige] plaatsgevonden. Op dit moment beperkt het contact tussen [minderjarige] en de man zich tot een wekelijks telefonisch contactmoment.
5.5.
Gelet op de voorliggende stukken en dat wat tijdens de zitting is aangevoerd stelt de voorzieningenrechter ook vast dat [minderjarige] al langere tijd vast loopt in het contact met de man. [minderjarige] ervaart het contact met de man als belastend, nu zij zich niet gehoord voelt door de man en veiligheid in het contact met de man mist. De man weet onvoldoende aan te sluiten bij de wensen en behoeften van [minderjarige] in relatie tot de problematiek die bij haar speelt. Hierdoor is [minderjarige] steeds meer gaan worstelen met het contact met de man. Het voorval dat op 1 augustus 2025 heeft plaatsgevonden tussen de man en [minderjarige] , waarbij de man vergaande uitspraken naar [minderjarige] heeft gedaan die haar zeer hebben geraakt, heeft de situatie voor [minderjarige] alleen maar complexer gemaakt en haar weerstand tot contact met de man vergroot. Dit is niet goed voor de ontwikkeling van [minderjarige] , die vanwege de bij haar bestaande problematiek, al een kwetsbare ontwikkeling kent.
5.6.
De voorzieningenrechter acht de wens van de man tot herstel van het contact met [minderjarige] begrijpelijk. De man is betrokken bij [minderjarige] en mist het contact met haar. Met de Raad is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is om de voormelde zorgregeling te hervatten, ook niet middels een opbouw hierin. [minderjarige] ervaart nog teveel spanningen en gevoelens van onveiligheid naar de man om een onbelast contact met de man aan te kunnen gaan. Daarbij acht de voorzieningenrechter het met de Raad van belang dat het behandeltraject van [minderjarige] bij [hulpverlening 2] wordt voortgezet, waarbij middels een systemische aanpak stap voor stap wordt gewerkt aan het contactherstel tussen de man en [minderjarige] , althans de mogelijkheden daartoe worden onderzocht. Daarbij dragen beide partijen, als ouders van [minderjarige] , de verantwoordelijkheid voor een goed verloop van dit traject door hieraan hun volledige medewerking te verlenen en [minderjarige] , daar waar nodig, te ondersteunen. Het is aan [hulpverlening 2] om de invulling van het traject te bepalen. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vorderingen van de man afwijzen.
5.7.
Hoewel de voorzieningenrechter het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] acht dat de zorgregeling wordt hervat, neemt dit niet weg dat het belang en recht van [minderjarige] op contact met haar beide ouders nog altijd voorop staat. Gebrek aan contact met de man kan [minderjarige] nu rust geven, maar in de toekomst schadelijk zijn voor haar (identiteits)ontwikkeling. Partijen dragen als ouders van [minderjarige] de verantwoordelijkheid om het contact met haar beide ouders mogelijk te maken. Vanwege hun slechte communicatie en onderlinge verstandhouding lukt het partijen tot op heden niet om hier samen invulling aan te geven. Gelet hierop, en nu het traject bij [hulpverlening 2] in het vrijwillig kader plaatsvindt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een onderzoek door de Raad nodig is, gericht op hoe partijen in hun opvoedersrol moeten worden begeleid, wat de mogelijkheden en onmogelijkheden van contactherstel tussen de man en [minderjarige] zijn en welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is. Ter zitting heeft de man verklaard voornemens te zijn om een bodemprocedure te starten, waarbij hij (opnieuw) om nakoming van de al vastgestelde zorgregeling zal verzoeken of dat hij gaat verzoeken om deze regeling te wijzigen. De man wil daarom dat de Raad alvast wordt verzocht om ten behoeve van de nog te starten bodemprocedure onderzoek te doen over een wenselijke zorgregeling. De vrouw heeft als reactie hierop ingestemd met het alvast laten opstarten van een onderzoek door de Raad. De voorzieningenrechter oordeelt dat, mede gezien de wachtlijstproblematiek van de Raad, het inderdaad wenselijk is om hem alvast te verzoeken om ter beantwoording de volgende vragen onderzoek te doen:
- Wat staat partijen in de weg om gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen voor het creëren van draagvlak bij [minderjarige] voor een goed contact met zowel haar moeder als haar vader?
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door partijen komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- Zijn er contra-indicaties voor contact tussen de man en [minderjarige] en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld maar zijn wel van belang om te vermelden?
5.8.
Het raadsrapport is bestemd om tot advies te dienen in de bodemprocedure, die nog door de man zal worden opgestart. Tijdens het raadsonderzoek kunnen de ontwikkelingen in het behandeltraject van [hulpverlening 2] worden meegenomen. De voorzieningenrechter acht het, in het licht van het vorenstaande en met het oog op de belangen van [minderjarige] , belangrijk dat het raadsonderzoek zo spoedig als mogelijk zal starten zodat er geen tijd verloren gaat. Ter zitting is ten slotte besproken dat de man de bodemprocedure binnen vier weken na
26 februari 2026 zal starten. Met het oog op het raadsonderzoek zal de voorzieningenrechter daarom bepalen dat de bodemprocedure uiterlijk op 8 april 2026 dient te worden ingeleid.
5.9.
Gelet op het voorgaande, waarbij de voorzieningenrechter de hoop uitspreekt dat het traject bij [hulpverlening 2] beweging gaat brengen in het contact tussen de man en [minderjarige] , acht de voorzieningenrechter een opschorting van de zorgregeling voor onbepaalde tijd zoals door de vrouw gevorderd, onwenselijk en niet in het belang van [minderjarige] . Bovendien ziet de voorzieningenrechter voor een opschorting van de zorgregeling geen noodzaak aangezien de man ter zitting te kennen heeft gegeven zijn medewerking te zullen verlenen aan het traject van [hulpverlening 2] , en een hervatting van de zorgregeling niet te zullen afdwingen in afwachting van een (voorlopige) beslissing in de door hem nog te starten bodemprocedure. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de man zijn toezegging na zal komen. Dit betekent dat ook de vordering van de vrouw zal worden afgewezen.
5.10.
Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat op het moment dat bij [minderjarige] ruimte en behoefte bestaat tot contact met de man, dat door beide partijen en de hulpverleners van [hulpverlening 2] wordt ondersteund, het partijen vrij staat om hierover nadere afspraken met elkaar te maken, waarbij onder andere gedacht zou kunnen worden aan een start van een contactmoment van één keer in de twee weken gedurende twee uur. Het raadsonderzoek staat dit niet in de weg.
5.11.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
In conventie en reconventie
6.1.
verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda om ten behoeve van en vooruitlopend op de nog door de man aanhangig te maken bodemprocedure een onderzoek te (doen) verrichten en vervolgens rapport en advies uit te brengen ter beantwoording van de onder rechtsoverweging 5.7. vermelde vragen, welk verzoek vervalt indien niet uiterlijk op 8 april 2026 door de man een bodemprocedure is gestart;
6.3.
wijst de vorderingen van partijen af;
6.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Toekoen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026, in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.