Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil in conventie en reconventie
4.De standpunten
1 augustus 2025 heeft [minderjarige] , toen de man aan de deur van de vrouw stond, de man laten weten niet met hem mee te gaan, terwijl zij volgens de zorgregeling nog een week bij de man in het kader van de zomervakantie zou verblijven. De man voelde zich op dat moment zeer machteloos en heeft uit emotie naar [minderjarige] gereageerd. De man had hiervan direct spijt en schaamde zich voor zijn gedrag en de uitspraken die hij naar [minderjarige] had gedaan. Hij heeft dezelfde dag nog geprobeerd [minderjarige] hierover te spreken, maar de vrouw blokkeerde dit. Sindsdien is de uitvoering van de zorgregeling stil komen te liggen. Thans hebben de man en [minderjarige] enkel telefonisch contact met elkaar, dat wekelijks plaatsvindt. Partijen hebben geprobeerd in onderling overleg tot een hervatting van de zorgregeling te komen, maar dat is, ondanks de hulp die [hulpverlening 2] hierbij heeft geboden waarbij is ingezoomd op de verhoudingen tussen de man en [minderjarige] , onvoldoende van de grond gekomen. Er hebben twee contactmomenten tussen de man en [minderjarige] plaatsgevonden in september en november 2025 die prettig en ontspannen zijn verlopen, maar de vrouw blijft van mening dat de hervatting van de zorgregeling voorzichtig moet worden aangepakt en dat [minderjarige] slechts voor zeer korte duur iets met de man kan ondernemen. Het is echter in het belang van [minderjarige] dat spoedig wordt toegewerkt naar een structurele zorgregeling om te voorkomen dat de drempel voor [minderjarige] tot contact met de man steeds hoger wordt. Er zijn geen contra-indicaties voor het voortzetten van de bij beschikking van 5 oktober 2021 vastgestelde zorgregeling, temeer nu [hulpverlening 2] partijen en [minderjarige] hierbij kan ondersteunen. De man staat ervoor open dat de zorgregeling middels een opbouw wordt hervat, en zou hierover graag afspraken met de vrouw willen maken. Voor zover de vrouw hiervoor niet open staat acht de man een onderzoek door de Raad, in een door hem te starten bodemprocedure, aangewezen om nader te onderzoeken wat in het kader van het contactherstel in het belang van [minderjarige] is. Dit klemt temeer nu de vrouw de uitnodiging van [hulpverlening 2] aan partijen om met elkaar in gesprek te gaan om tot een gezamenlijke afstemming te komen over het verdere verloop van de behandeling van [minderjarige] bij [hulpverlening 2] en welke randvoorwaarden daarvoor nodig zijn, tot op heden weigert. De man twijfelt aan de daadwerkelijke bereidheid van de vrouw om mee te werken aan het contact tussen hem en [minderjarige] . De vrouw lijkt [minderjarige] niet positief te stimuleren tot contact met de man en heeft al in 2023 aangegeven de zorgregeling te willen wijzigen. Gelet hierop vordert de man om aan de hervatting van de zorgregeling, voor zover de vrouw zou worden bevolen om hieraan haar medewerking te verlenen, dwangsommen te verbinden.
5.De beoordeling in conventie en in reconventie
5 oktober 2021 neergelegde zorgregeling in beginsel dient na te komen. Dit kan echter anders zijn indien nadien feiten zijn voorgevallen die maken dat de zorgregeling (tijdelijk) niet in het belang van [minderjarige] moet worden geacht.
26 februari 2026 zal starten. Met het oog op het raadsonderzoek zal de voorzieningenrechter daarom bepalen dat de bodemprocedure uiterlijk op 8 april 2026 dient te worden ingeleid.