Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2854

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/445590 / JE RK 26-354
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt om ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar en machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De minderjarige verblijft deels in een gezinshuis en ervaart problemen op school en onduidelijkheid over zijn woonplaats. De moeder kampt met een alcoholverslaving die de opvoedingssituatie onstabiel maakt.

De moeder erkent haar problematiek en volgt hulpverlening, maar is nog niet in staat een stabiele opvoedingssituatie te bieden. De kinderrechter constateert dat vrijwillige hulp onvoldoende is en dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door de onvoorspelbaarheid en onrust in het gezin. De loyaliteit van de minderjarige aan de moeder zorgt voor innerlijke strijd.

De kinderrechter besluit de ondertoezichtstelling toe te wijzen en machtigt de uithuisplaatsing in een gezinsgericht gezinshuis, waar de minderjarige rust ervaart. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen. Het doel is een stabiele, voorspelbare en veilige omgeving te creëren waarin de minderjarige zich kan ontwikkelen en perspectief krijgt op zijn toekomst.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht en verleent machtiging tot uithuisplaatsing wegens ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445590 / JE RK 26-354
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. Schuttkowski uit Hulst,
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
Aan mevrouw mr. L. Warmenhoven, collega van mr. Schuttkowski, is bijzondere toestemming verleend om bij de zitting aanwezig te zijn.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. De kinderrechter heeft op de mondelinge behandeling samengevat wat [minderjarige] heeft gezegd. De aanwezigen hebben hierop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft gedeeltelijk in een gezinshuis, te weten gezinshuis ‘ [gezinshuis] ’ in [plaats] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
In zijn gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] verteld dat het goed met hem gaat. Op school gaat het daarentegen minder goed. Hij valt uit de toon en wordt ook een beetje gepest. [minderjarige] wil zijn moeder graag vaker zien, maar hij wil niet bij haar wonen omdat hij niet weet wat hem te wachten staat. Het pleeggezin is prima, maar [minderjarige] zou het een goed idee vinden om bij zijn halfbroer te gaan wonen. Hij kan het namelijk goed vinden met zijn halfbroer en diens moeder en wil graag bij familie zijn.
4.2.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar het raadsrapport van 4 maart 2026. De Raad heeft zorgen over de onvoorspelbaarheid waar [minderjarige] aan wordt blootgesteld. De moeder is niet bij machte om een gestructureerde, stabiele, voorspelbare en veilige opvoedingssituatie voor [minderjarige] te garanderen. Het is belangrijk dat [minderjarige] zich meer onbelast kan ontwikkelen. Op dit moment gaat het niet goed met [minderjarige] . Met name op school wordt een achterstand geconstateerd. De moeder doet haar best en zet zich in om haar verslavingsproblematiek onder controle te krijgen. Desondanks is er regelmatig sprake van terugvallen, met als gevolg dat [minderjarige] veel onrust ervaart en diverse ingrijpende ervaringen heeft gehad. Perspectief is belangrijk voor [minderjarige] , de beslissing over zijn toekomst moet niet bij hemzelf komen te liggen.
4.3.
Namens en door de moeder wordt verweer gevoerd tegen de verzoeken. Zij verzoekt de verzoeken van de Raad af te wijzen. Subsidiair verzoekt zij de verzoeken toe te wijzen voor een kortere periode, namelijk de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden. De moeder ziet haar eigen problematiek in en accepteert de hulpverlening. De moeder is op eigen initiatief gestart met [hulpverlening] en PMT. PMT helpt haar om tijdig te herkennen wanneer er te veel druk op haar komt. Doordat de moeder de hulpverlening accepteert, zijn er voldoende mogelijkheden binnen het vrijwillig kader. Op het moment dat de moeder sterker wordt door de PMT, kan [minderjarige] worden teruggeplaatst bij de moeder. Verder zijn de huidige afspraken met het gezinshuis steunend en duidelijk voor zowel de moeder als [minderjarige] . De grootste angst van de moeder is dat [minderjarige] ergens anders wordt geplaatst. De moeder staat niet achter een plaatsing van [minderjarige] bij zijn halfbroer.
4.4.
De GI staat achter de verzoeken van de Raad. De ondertoezichtstelling is bedoeld om de situatie tussen de moeder en [minderjarige] beter te maken en juist niet om ze uit elkaar te drijven.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op basis van lid 2 kan de machtiging eveneens worden verleend op verzoek van de Raad.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat [minderjarige] opgroeit in een zeer kwetsbaar gezinssysteem. De moeder is door haar alcoholverslaving niet altijd in staat om als opvoeder en verzorger beschikbaar te zijn voor [minderjarige] . Daarnaast heeft [minderjarige] diverse ingrijpende levensgebeurtenissen meegemaakt. Zo is hij is getuige geweest van verbaal en fysiek geweld. De onrust en de effecten van de ingrijpende gebeurtenissen in de thuissituatie zijn schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De afgelopen maanden is [minderjarige] geconfronteerd geweest met een aantal terugvallen van de moeder in het alcoholgebruik. Naast dat dit bij [minderjarige] zorgt voor teleurstelling, is het voor hem onduidelijk wanneer hij bij de moeder kan verblijven en of de moeder niet opnieuw een terugval zal krijgen. De kinderrechter ziet dat de moeder haar best doet, maar zij is (nog) niet in staat gebleken om deze onduidelijkheid weg te nemen. De situatie is belastend voor [minderjarige] . De kinderrechter maakt zich ook zorgen over de schoolgang van [minderjarige] . [minderjarige] laat gedrags- en concentratieproblemen zien en vindt lastig aansluiting bij leeftijdsgenoten. Verder ziet de kinderrechter dat de loyaliteit van [minderjarige] richting de moeder heel groot is. Hierdoor komt [minderjarige] in een strijd terecht, waarbij hij enerzijds de kant van de moeder wil kiezen en anderzijds inziet dat de situatie niet goed voor hem is. Een ondertoezichtstelling kan steun bieden aan zowel [minderjarige] als de moeder en zo een deel van de onrust wegnemen. De kinderrechter vindt het met name van belang dat er iemand naast [minderjarige] gaat staan en zijn belangen behartigt.
5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De moeder van [minderjarige] is op dit moment onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen, doordat het haar nog niet lukt om haar verslavingsproblematiek volledig onder controle te houden. Hierdoor is de moeder regelmatig niet beschikbaar om de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding van [minderjarige] te dragen, hoe zeer de moeder ook haar best doet. Alhoewel de moeder aangeeft de ingezette hulpverlening te accepteren, vraagt de kinderrechter zich af of daarbij de belangen van [minderjarige] voldoende voorop staan. De moeder ziet niet of in ieder geval onvoldoende in dat [minderjarige] ook nu hij niet thuis bij de moeder is, belast wordt met de gehele situatie.
5.6.
Gelet op de hiervoor aangegeven problematiek stelt de kinderrechter [minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht van de GI.
5.7.
De kinderrechter geeft aan de GI de opdracht mee om aan de volgende doelen uitvoering te geven:
  • [minderjarige] groeit op in een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedingsomgeving;
  • [minderjarige] heeft duidelijkheid over zijn perspectief tot opgroeien;
  • [minderjarige] komt toe aan de bij zijn leeftijdsfase behorende cognitieve ontwikkelingstaken en zijn sociaal-emotionele ontwikkelingstaken;
  • Indien noodzakelijk is er voor [minderjarige] hulp ingezet ten aanzien van KOPP en KOV (kinderen van ouders met psychische problemen en kinderen van ouders met verslavingsproblemen);
  • Moeder houdt zich aan de gemaakte veiligheidsafspraken, zoals die zijn vastgesteld in het crisissignaleringsplan;
  • Moeder heeft haar verslavingsproblematiek onder controle;
  • [minderjarige] heeft een veilig en voorspelbaar contact met zijn vader.
5.8.
Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De moeder is door haar alcoholverslaving niet op alle momenten in staat om voor [minderjarige] een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedingsomgeving te garanderen. Op dit moment heeft [minderjarige] het fijn in het gezinshuis. Hij ervaart daar rust. Het gezinshuis is voorlopig het uitgangspunt, waarbij onderzocht moet worden welke plek in de toekomst het best aansluit bij [minderjarige] en zijn ontwikkeling. Het is belangrijk dat voor [minderjarige] duidelijk wordt waar hij in de toekomst kan gaan wonen. De kinderrechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een half jaar.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland met ingang van 12 maart 2026 en tot 12 maart 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 12 maart 2026 en tot 12 september 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 26 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.