Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2856

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/445474 / JE RK 26-337
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265i BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming wijziging verblijf en machtiging uithuisplaatsing minderjarige in jeugdhulpaccommodatie

De zaak betreft een verzoek van Jeugdbescherming Brabant om toestemming te verkrijgen voor de wijziging van de verblijfplaats van een minderjarige en een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling. De minderjarige verblijft momenteel in een pleeggezin, maar vanwege de complexiteit van zijn problematiek en die van zijn zusje, en het niet kunnen starten van therapeutische hulpverlening, is gezocht naar een alternatieve plaatsing.

De minderjarige is per 6 maart 2026 geplaatst in een behandelgroep van een jeugdhulpaanbieder, waar ook behandeling kan starten en hij zijn dagbesteding op een zorgboerderij kan voortzetten. Zowel de moeder als de pleegouders steunen het verzoek, waarbij de pleegouders benadrukken het contact met de kinderen te willen behouden.

De kinderrechter heeft de minderjarige de gelegenheid gegeven zijn mening te uiten, waarin hij zijn spanning over de verhuizing uitte maar ook begrip toonde voor de noodzaak ervan. De kinderrechter oordeelt dat de wijziging van verblijf en de machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van de minderjarige zijn en verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. De beschikking is op 11 maart 2026 mondeling gegeven en op 25 maart 2026 schriftelijk vastgelegd.

Uitkomst: De kinderrechter verleent toestemming voor wijziging van verblijf en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een jeugdhulpaccommodatie voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/445474 / JE RK 26-337
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over toestemming wijziging verblijfplaats en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] ,geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. D.P.F. Arens uit Amsterdam,
[de pleegouders] ,
hierna te noemen de pleegouders,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de pleegmoeder.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld over het verzoek zijn mening te geven ofwel schriftelijk ofwel tijdens een kind gesprek. [minderjarige 1] heeft een e-mailbericht aan de kinderrechter gestuurd, waarin hij zijn mening heeft verwoord. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 1] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 24 oktober 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter bij deze beschikking de machtiging om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin) verlengd tot 24 oktober 2026 en tevens een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) tot 24 oktober 2026.

3.Het verzoek

De GI verzoekt:
toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige 1] naar [accommodatie] [locatie] ;
een machtiging te verlenen om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in [accommodatie] [locatie] voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de verzoeker

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - het navolgende aangevoerd. Gebleken is dat het voor de pleegouders steeds intensiever is geworden om [minderjarige 1] en zijn zusje [minderjarige 2] te verzorgen en te begeleiden. Door het niet (kunnen) starten van hulpverlening in de afgelopen periode is deze last alleen maar verder toegenomen. De betrokken jeugdbeschermers zijn daarom op zoek gegaan naar een andere plek voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In eerste instantie is geprobeerd om voor beide kinderen gezamenlijk een passende gezinsvervangende situatie te vinden, echter is dit niet mogelijk gebleken.
4.2.
De indiening van het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] heeft vertraging opgelopen wegens de complexiteit van de situatie rondom [minderjarige 1] , de financiering van het verblijf, de zorgvraag en de omgangsbegeleiding en dagbesteding van [minderjarige 1] op een zorgboerderij. Ook bleek het aanbod dusdanig beperkt dat het zoekgebied is uitgebreid van pleeggezinnen en gezinshuizen naar groepen. Er is voor [minderjarige 1] inmiddels een plek beschikbaar gekomen in een behandelgroep van [accommodatie] , [locatie] . [minderjarige 1] is daar per 6 maart 2026 geplaatst. De moeder en ook de pleegouders hebben hem een bezoek gebracht op de groep. [minderjarige 1] zal daar ook met behandeling kunnen starten. Tevens kan hij zijn activiteiten op de zorgboerderij voortzetten. Er is ook voor [minderjarige 2] een nieuwe plek gevonden, te weten in een gezinshuis, zij het in een andere regio. [minderjarige 2] woont nog bij de pleegouders, er is sprake van een kennismakingstraject met het gezinshuis.
4.3.
Naar verwachting zal na een periode van gewenning op de nieuwe locatie kunnen worden gestart met de behandeling die [minderjarige 1] nodig heeft. De moeder, de pleegouders en de GI delen het standpunt dat de plaatsing bij [accommodatie] weliswaar voor [minderjarige 1] niet de meest ideale maar op dit moment wel de beste optie is. Er zal aan de doelen voor [minderjarige 1] en zijn ontwikkeling gewerkt (kunnen) gaan worden en tevens zal worden bekeken hoe het contact van hem met de pleegouders behouden kan blijven en op welke wijze er aan het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder verder vormgegeven kan worden. Dit geldt in gelijke mate voor [minderjarige 2] , zodra zij geplaatst zal zijn. De GI zal daarnaast inzetten op behoud van het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Met deze toelichting handhaaft de GI haar verzoek tot het verlenen van toestemming tot wijziging verblijf van [minderjarige 1] en tot het verlenen van een machtiging om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten bij [accommodatie] , [locatie] .

5.Het standpunt van [minderjarige 1]

is door de kinderrechter in de gelegenheid gesteld om zijn mening aan de kinderrechter kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft met hulp van zijn pleegouders aan de kinderrechter een e-mailbericht gestuurd. Daarin heeft hij aangegeven dat hij het nu te spannend vindt om aan een kind gesprek deel te nemen. Verder geeft hij aan dat hij het niet leuk vindt dat hij moet verhuizen, hij wil het liefst bij zijn pleegouders blijven. Ook speelt een rol dat hij bij [accommodatie] niemand kent en daar alles voor hem onbekend is. Hij begrijpt wel dat hij moet verhuizen, omdat er in het verleden een heleboel is gebeurd en hij aan zichzelf moet gaan werken. Hij moet ook terug naar school, dit is iets waaraan hij weer zal moeten wennen. [minderjarige 1] geeft vervolgens aan dat hij blij is met zijn kamer, die zijn pleegouders erg gezellig hebben gemaakt. Dit blijkt ook uit een video, die hij als bijlage meestuurt. [minderjarige 1] geeft ten slotte aan dat hij de bezoekmomenten van zijn moeder weliswaar gezellig vindt, maar dat die voor hem te lang duren. Ook worden deze bezoekmomenten pas kort tevoren aangekondigd, wat het voor hem extra spannend maakt. Hij wil dat de frequentie van de bezoekmomenten van één maal per maand wordt gehandhaafd en niet wordt uitgebreid, hij vindt het prima zoals het nu is.

6.De standpunten van de belanghebbenden

6.1.
De moeder heeft opgemerkt dat zij instemt met het verzoek tot het verlenen van toestemming tot wijziging verblijf en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing maar dat zij daar verder niet op wenst in te gaan. Haar advocaat heeft aangegeven dat dit een bewuste keuze is van de moeder, waaraan zij niets heeft toe te voegen.
6.2.
De pleegmoeder heeft naar voren gebracht dat zij dagelijks contact heeft met [minderjarige 1] . Hij kan met zijn vragen nog steeds bij de pleegouders terecht, zij blijven hem ondersteuning bieden bij zijn voetbalactiviteiten en zij brengen hem terug van de trainingen. Als pleegouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is het niet hun bedoeling, ook niet voor de toekomst, om beide kinderen los te laten. Het contact met beide kinderen willen zij daarom ook door middel van logeerweekenden in stand houden. Echter zien zij op dit moment geen andere mogelijkheid dan dat de kinderen elders worden geplaatst. Dit is voor beide kinderen beter vanwege hun afzonderlijke individuele problematiek en de tegenstrijdige werking die daarvan werd ervaren in het pleeggezin. Van belang is dat zij daarvoor ieder eerst intensieve therapeutische behandeling geboden krijgen. Als pleegouders hechten zij er groot belang aan dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] contact blijven houden met elkaar. Daarin is actieve sturing nodig.

7.De beoordeling

7.1.
Op grond van artikel 1:265i Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) behoeft de GI de toestemming van de kinderrechter voor een wijziging in het verblijf van een minderjarige, die ten minste één jaar door een ander dan de ouders is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. De toestemming wordt op verzoek van de GI verleend door de kinderrechter en slechts afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt. In het geval dat de kinderrechter het verzoek afwijst kan hij tevens bepalen dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van kracht blijven voor ten hoogste een jaar. De GI is gehouden de machtiging tot uithuisplaatsing ten uitvoer te leggen.
7.2.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige 1] gedurende ten minste één jaar door de pleegouders wordt opgevoed en verzorgd.
7.3.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met
de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige
gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de
verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of
lichamelijke gesteldheid.
7.4.
De kinderrechter is van oordeel dat de wijziging van het verblijf van [minderjarige 1] naar [accommodatie] [locatie] toegewezen kan worden. Daarnaast acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk dat een machtiging wordt verleend om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen bij [accommodatie] [locatie] voor de duur van de ondertoezichtstelling. Daartoe wordt overwogen dat wegens de complexiteit van de afzonderlijke individuele problematiek van [minderjarige 1] en van zijn zusje [minderjarige 2] , het niet (kunnen) starten van therapeutische hulpverlening en de tegenstrijdige werking van hun problematiek die in het gezin wordt gezien, de taak voor de pleegouders onevenredig is toegenomen en daardoor te intensief is geworden. Gebleken is dat [minderjarige 1] op 6 maart 2026 is geplaatst bij [accommodatie] , [locatie] . De kinderrechter verwacht dat op deze locatie op korte termijn gestart kan worden met de behandeling die [minderjarige 1] nodig heeft. Voorts dient gekeken te worden hoe het contact tussen [minderjarige 1] en de pleegouders behouden kan blijven en op welke wijze het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder verder vormgegeven kan worden. Ter zitting heeft de pleegmoeder aangegeven dat de pleegouders hun uiterste best zullen blijven doen om met [minderjarige 1] en met [minderjarige 2] , zodra zij zal zijn geplaatst, in contact te blijven en dat zij er op dit moment al voor zorgen dat [minderjarige 1] zijn voetbalactiviteiten kan voortzetten. Ook staat de plaatsing van [minderjarige 1] niet in de weg aan voortzetting van de dagbesteding op de zorgboerderij. Zowel de moeder als de pleegouders staan achter het door de GI ingediende verzoeken.
7.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
verleent Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur toestemming tot wijziging van het verblijf van [minderjarige 1] naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten bij [accommodatie] , [locatie] ;
8.2.
verleent met ingang van 11 maart 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten bij [accommodatie] , [locatie] , voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 24 oktober 2026;
8.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. . Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026.