Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2857

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/445638 / JE RK 26-361
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 800 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in gezinshuis wegens zorgen over thuissituatie ouders

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (GI) tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een gezinshuis. De kinderrechter had reeds een spoedmachtiging verleend van 5 tot 19 maart 2026 en beoordeelt nu het verzoek tot een aansluitende reguliere machtiging voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De moeder en vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. Er zijn zorgen over de thuissituatie van beide ouders. De moeder kan onvoldoende rust, structuur en veiligheid bieden aan de minderjarige, mede door haar problematische relatie met een persoon met een zorgelijke achtergrond. De vader vertoont instabiliteit en weigert hulpverlening, waardoor ook zijn thuissituatie als onveilig wordt beschouwd. De minderjarige vertoont stresssignalen zoals buikpijn en nachtmerries.

De moeder betwist de noodzaak van uithuisplaatsing en stelt dat de beschuldigingen tegen de persoon onterecht zijn en dat zij actief meewerkt met hulpverlening. De vader is geschrokken maar wil toewerken naar terugkeer van de minderjarige. De kinderrechter oordeelt dat de veiligheid en het welzijn van de minderjarige op dit moment niet kunnen worden gegarandeerd in de thuissituatie en wijst het verzoek tot uithuisplaatsing in een gezinshuis toe van 19 maart tot 21 augustus 2026. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan worden aangevochten bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een gezinshuis tot 21 augustus 2026, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445638 / JE RK 26-361
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. C. Elias, te Oisterwijk,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. W.C.G.M. van Hoof, te Tilburg.

1.Het verdere verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling
  • de beschikking van de kinderrechter van 5 maart 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • het bericht van de GI met bijlagen, van 10 maart 2026;
  • het bericht van mr. Elias met bijlagen, van 10 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigsters van de GI middels teams verbinding.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover – ook via teams - een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij vonnis in kort geding van 21 augustus 2025 is het hoofdverblijf van [minderjarige] met ingang van 21 augustus 2025
voorlopigbij de vrouw (de moeder) bepaald totdat in de bodemprocedure anders wordt beslist.
2.3.
Bij beschikking van 21 augustus 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld tot met ingang van 21 augustus 2025 tot 21 augustus 2026.
2.4.
Bij voornoemde beschikking van 5 maart 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin), of een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 5 maart 2026 tot 19 maart 2026. Het verzoek om een regulier aansluitende machtiging is aangehouden.
2.4.
[minderjarige] verblijft op dit moment bij een gezinshuis.

3.De verzoeken

3.1.
Ter beoordeling staat het resterende verzoek van de GI om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin), gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) of accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van twee weken.
3.2.
Tevens ter beoordeling staat het verzoek van de GI om aansluitend op de spoedmachtiging een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin), gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) of accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.3.
De GI heeft het verzoek dat ziet op de aansluitende reguliere machtiging tot uithuisplaatsing, ter zitting beperkt tot een verzoek om enkel een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis), voor de duur van de ondertoezichtstelling
3.3.
De GI verzoekt de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Door de GI is op de zitting, in aanvulling op de verzoeken, kort samengevat, aangevoerd dat [minderjarige] en de moeder ruim vier weken op een crisisplek bij Sterk Huis zijn geplaatst waar [minderjarige] en de moeder zijn geobserveerd en om te onderzoeken of de veiligheid voor [minderjarige] in de thuissituatie duurzaam kon worden geborgd. Vastgesteld is dat de zorgen over [minderjarige] en de thuissituatie van de moeder niet zijn verminderd en dat voorwaarden voor een veilige terugkeer van [minderjarige] naar huis op dit moment ontbreken. Het lukt de moeder op dit moment onvoldoende om [minderjarige] de rust, structuur en veiligheid te bieden die zij nodig heeft. Dit is gelegen in een combinatie van omstandigheden. Voor een verantwoord veiligheidsplan is het noodzakelijk dat er een steunend en corrigerend netwerk rondom de moeder aanwezig is, maar dat ontbreekt. De aandacht van de moeder lijkt zich voornamelijk te richten op haar (zorgelijke) relatie met [persoon] . Verder ontbreekt het zicht op mensen die rondom [minderjarige] aanwezig zijn in het leven van de moeder, en daarmee ontbreekt het zicht op veiligheid van [minderjarige] . Ook zorgelijk is dat [minderjarige] signalen laat zien die wijzen op spanning en stress (zoals urineverlies, buikklachten, nachtmerries en wisselende uitspraken over haar gevoel van veiligheid bij de moeder) en zorgelijk is dat de samenwerking met de moeder onder druk staat. De moeder geeft aan mee te willen werken, maar heeft moeite om de zorgen in te zien en veranderingen aan te brengen in haar handelen. Zo heeft de moeder moeite met grenzen stellen en projecteert zij haar eigen emoties en spanningen op [minderjarige] . Ook blijft de moeder sterk gericht op het verdedigen van [persoon] en het ontkrachten van de zorgen over hem, terwijl hulpverlening juist wil dat de moeder primair het belang en de veiligheid van [minderjarige] centraal stelt. De moeder heeft op dit moment eerst een traject van eigen (trauma)behandeling en intensieve begeleiding nodig op veilige keuzes te leren maken in relaties met anderen. Zij moet gaan werken aan haar persoonlijke problematiek, haar reflectief vermogen en haar opvoedvaardigheden. Pas wanneer hier verbetering in komt kan worden onderzocht of thuisplaatsing van [minderjarige] haalbaar is. Een gezinsopname bij [accommodatie] van de moeder en [minderjarige] kan hieraan bijdragen. Ook de vader zal hierin worden meegenomen, nu over zijn situatie zorgen zijn, onder andere over instabiliteit in zijn leefomgeving, wisselende relaties, het niet accepteren van hulpverlening in zijn thuissituatie en het niet nakomen van veiligheidsafspraken. Belangrijk hiervoor is wel dat de vader gemotiveerd raakt. De motivatie om zaken te veranderen ontbreekt momenteel. De contacten tussen [minderjarige] en de vader zijn daarom tijdelijk stop gezet. Het systeem is in januari 2026 aangemeld bij [accommodatie] en sprake is van een wachtlijst van zes maanden. Tot die tijd is het belangrijk dat [minderjarige] een stabiele en veilige plek heeft waar zij tot rust kan komen en zich positief kan ontwikkelen. Ook kan onderzocht worden welke factoren van invloed zijn op het functioneren van [minderjarige] , zoals de dynamiek tussen de moeder en [persoon] , de mogelijke rol van de vader in het leven van [minderjarige] , het loyaliteitsconflict waarin zij verkeert en de mogelijke ouderverstoting. De GI handhaaft het verzoek om een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing, maar beperkt deze dus tot enkel een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis.
4.2.
Door en namens de moeder is op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat [minderjarige] de afgelopen jaren al verschillende gezinssituaties heeft gekend, wat maakt dat zorgvuldiger opgetreden had moeten worden bij haar uithuisplaatsing. De reden van uithuisplaatsing is niet duidelijk. Er zijn diverse omstandigheden aangevoerd maar de moeder is het hiermee niet eens. Zo blijkt uit verslagen van [hulpverlening 1] en [hulpverlening 2] dat de moeder haar afspraken nakomt, leerbaar is, actief samenwerkt, open is over veel zaken en dat er groeimogelijkheden worden gezien. De moeder is ook bereid tot opschaling van de hulpverlening als dit nodig is. Gesteld is dat de onveiligheid in de thuissituatie onder andere zou voortvloeien uit het feit dat [persoon] een zedendelinquent zou zijn, maar hiervan is geen sprake. Op zijn strafblad is enkel een sepot van een zedenfeit te zien. Hij was toen veertien jaar oud. Het is dan ook logisch dat de moeder en [persoon] zich aangevallen voelen door een dergelijk heftige beschuldiging en zich hiertegen willen verdedigen. [minderjarige] is gek op [persoon] en schetst zichzelf als een vrolijk meisje in haar gezin en dat is belangrijk. De medische zorgen (zoals vaginale roodheid) zijn door de huisarts weerlegd. Dit zou kunnen komen door beginnende pubertijd. Ook het feit dat geen zicht zou zijn op het netwerk van de moeder is vaag, waarover bestaat dan precies geen duidelijkheid? Namens de moeder is gesteld dat gelet op voorgaande de uithuisplaatsing onvoldoende is onderbouwd en niet proportioneel was en is, wat maakt dat de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing moet worden herroepen en het resterende verzoek moet worden afgewezen.
4.3.
Door en namens de vader is op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat de vader erg is geschrokken van hetgeen de afgelopen periode is gebeurd. Hij kan zich in beginsel dan ook vinden in het verzoek van de GI. Wel is de vader van mening dat moet worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] bij hem. Tot april 2025 bestonden er geen zorgen over zijn thuissituatie, maar nu wordt gesteld dat het bij hem niet meer veilig is. Hiervoor ontbreken echter argumenten.

5.De nadere beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
5.2.
De kinderrechter overweegt dat voormelde spoedbeslissing van 5 maart 2026 is genomen zonder de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om daarover te worden gehoord. Tijdens de zitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld (via de advocaat) om hun zienswijzen kenbaar te maken over het spoedverzoek. Naar aanleiding daarvan is, naar het oordeel van de kinderrechter, niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden waardoor de spoedbeslissing van 5 maart 2026 zou moeten worden herroepen.
5.3.
Aangezien de kinderrechter het verzoek om (aansluitend) een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling hierna zal beoordelen en zij daarover zal beslissen, heeft de GI geen belang meer bij het resterende deel van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen voor de duur van twee weken. De kinderrechter zal het resterende deel van voormeld spoedverzoek daarom afwijzen.
5.4.
Ten aanzien van het verzoek om [minderjarige] verder uit huis te plaatsen voor de duur van de ondertoezichtstelling, over weegt de kinderrechter als volgt. Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, volgt dat de moeder van mening is dat er geen gegronde zorgen zijn die maken dat een verdere uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is. De kinderrechter ziet dit anders en wel gelet op het volgende. Er is sprake van een zeer bepalende rol van [persoon] in het dagelijks functioneren van de moeder en [minderjarige] . Hij speelt een grote rol. Er is weliswaar een deel van zijn strafblad overgelegd waaruit blijkt dat er een sepot heeft plaatsgevonden van een zedenfeit waarvan hij verdacht werd, maar de kinderrechter beschikt niet over het volledige strafblad van [persoon] . Er zou sprake zijn geweest van een TBS. Feit is dat zowel de moeder als [minderjarige] vaginale klachten hebben en dat [minderjarige] bij de huisarts heeft aangegeven dat zij last heeft van buikpijn en nachtmerries. Volgens de GI spreekt de huisarts van een niet-pluis-gevoel. Ook blijkt dat een camera is gericht op het bed van [minderjarige] en dat [persoon] volgt middels een volgapp. Deze omstandigheden bij elkaar maken dat meer zicht op (de rol van) [persoon] binnen het gezin nodig is om de veiligheid van [minderjarige] in te kunnen schatten. Hier komen nog andere zorgen bij, zoals het onvoldoende ruimte bieden van de moeder aan [minderjarige] om haar gevoelens te uiten, de focus van de moeder op het vrijpleiten van [persoon] , een recente positieve speekseltest (amfetamine) bij de moeder en de fysieke klachten en gedragsverandering van [minderjarige] . De samenwerking tussen de moeder en hulpverlening verloopt moeizaam waardoor niet gekomen kan worden tot het maken van veiligheidsafspraken. Al deze zorgen bij elkaar maken dat de moeder [minderjarige] op dit moment niet de rust, stabiliteit en veiligheid kan bieden die zij nodig heeft. De kinderrechter acht uithuisplaatsing van [minderjarige] bij het gezinshuis, tot het moment dat de moeder en [minderjarige] (en/of de vader) bij [accommodatie] kunnen worden geplaatst, in het belang van haar verzorging en opvoeding dan ook noodzakelijk. De kinderrechter zal het verzoek om een aansluitende reguliere machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) daarom toewijzen met ingang van 5 maart 2026 tot 21 augustus 2026. De kinderrechter merkt hierbij op dat wanneer de moeder en [minderjarige] (en/of de vader), eerder bij [accommodatie] geplaatst kunnen worden dan 21 augustus 2026, het resterende deel van de machtiging niet hoeft te worden benut.
5.5.
De kinderrechter merkt volledigheidshalve op dat zij ziet dat de moeder de afgelopen periode erg haar best heeft gedaan – waarvoor de moeder complimenten verdient – en dat zij hoopt dat het de moeder gaat lukken om de komende periode hard met zichzelf aan de slag te gaan en te zorgen dat het welzijn van [minderjarige] haar primaire focus krijgt. Het is de komende periode aan de vader om met de hulpverlening te gaan samenwerken en te laten zien dat hij [minderjarige] de rust stabiliteit en veiligheid kan bieden de zij nodig heeft. De ouders zijn zelf aan zet om ervoor te zorgen dat [minderjarige] weer een onbezorgd meisje van negen jaar kan zijn dat weer veilig bij één van de ouders kan wonen.
5.6.
De kinderrechter zal deze beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat deze beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep de beslissing niet schorst.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) met ingang van 19 maart 2026 tot 21 augustus 2026;
6.2.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.